Procedure : 2016/2662(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0491/2016

Ingediende teksten :

B8-0491/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 18
CRE 27/04/2016 - 18

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.65
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0201

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 190kWORD 77k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0488/2016
20.4.2016
PE582.503v01-00
 
B8-0491/2016

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-0361/2016

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht) (2016/2662(RSP))


Heidi Hautala, Judith Sargentini, Molly Scott Cato, Michel Reimon, Barbara Lochbihler, Jean Lambert namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht) (2016/2662(RSP))  
B8-0491/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechteninstrumenten van de VN,

–  gezien de Verdragen van Genève en andere rechtsinstrumenten inzake het internationaal humanitair recht (IHR),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien de geactualiseerde richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationale humanitaire recht(1),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 2 februari 2016 voor de wereldtop over humanitaire hulp getiteld "One humanity, shared responsibility" (Één mensheid, een gedeelde verantwoordelijkheid),

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1998(2011) van 12 juli 2011 en 2143(2014) van 7 maart 2014 over de bescherming van door gewapende conflicten getroffen kinderen,

–  gezien resolutie A/RES/64/290 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 juli 2010 over het recht op onderwijs in noodsituaties,

–  gezien de Verklaring inzake veilige scholen van mei 2015, die sinds de door het Noorse ministerie van Buitenlandse Zaken in mei 2015 bijeengeroepen Conferentie van Oslo inzake veilige scholen kan worden onderschreven, en de daarmee verband houdende richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten,

–  gezien de resolutie van het 32e Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan van 10 december 2015 over versterking van de naleving van het internationaal humanitair recht,

–  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de humanitaire situatie in Jemen(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp(4),

–  gezien de vraag aan de Raad over aanvallen op ziekenhuizen en scholen als schendingen van het internationaal humanitair recht (O-000063/2016 – B8-0361/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de ontwikkeling en versterking van het internationaal humanitair recht in de laatste 150 jaar een wezenlijke prestatie is van de mensheid; overwegende dat de eerste wereldtop over humanitaire hulp op 23 en 24 mei 2016 zal worden gehouden te Istanbul; overwegende dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in zijn verslag getiteld "One humanity, shared responsibility" (Eén mensheid, een gedeelde verantwoordelijkheid) de aandacht vestigt op wat hij noemt de schaamteloze en brute uitholling van de eerbiediging van de mensenrechten en het humanitair recht bij gewapende conflicten, wat dreigt te leiden tot een terugval naar een tijdperk waarin oorlog geen grenzen kende; overwegende dat in het verslag wordt geconstateerd dat het nalaten om respect voor onze gedeelde waarden te eisen en te bevorderen en de bestaande mechanismen voor handhaving, monitoring en verantwoordingsplicht te ondersteunen, bijdraagt tot deze uitholling;

B.  overwegende dat het internationaal humanitair recht (IHR) is bedoeld om de gevolgen van een gewapend conflict te verlichten door diegenen te beschermen die niet, of niet langer aan het conflict deelnemen, en door de middelen en methoden van oorlogvoering te reguleren;

C.  overwegende dat de internationale gemeenschap getuige is geweest van een schokkende tendens van gruwelijke aanvallen op ziekenhuizen en scholen in gewapende conflicten overal ter wereld, waaronder, zeer onlangs, in Jemen, Afghanistan, Syrië en de bezette Palestijnse gebieden; overwegende dat Syrische en Russische troepen, naar verluidt, ziekenhuizen als doelwit nemen, als een oorlogsstrategie in het Syrische conflict;

D.  overwegende dat ziekenhuizen en medisch personeel specifiek beschermd zijn krachtens het internationaal humanitair recht en dat het bewust tot doelwit maken van burgers en civiele infrastructuur als een ernstige inbreuk op het internationaal humanitair recht wordt beschouwd, evenals een reeks andere op de gezondheidszorg gerichte acties, waaronder de weigering tot toegang;

E.  overwegende dat per 14 maart 2016 52 landen, waaronder enkele maar niet alle EU-lidstaten, de Verklaring inzake veilige scholen hebben onderschreven na de Conferentie van Oslo over veilige scholen in mei 2015;

F.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken, toen hij de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht goedkeurde, het belang benadrukte van het effectief afhandelen van de nasleep van ernstige schendingen door het steunen van passende verantwoordingsmechanismen en wees op de cruciale rol die het Internationaal Strafhof kan spelen in situaties waarin de staat of de staten in kwestie niet bij machte of niet bereid zijn hun rechtsmacht uit te oefenen; overwegende dat op grond van de EU-richtsnoeren de geëigende werkgroepen van de Raad verplicht zijn toezicht uit te oefenen op situaties waarin mogelijkerwijs sprake is van schending van het IHR en, in dergelijke gevallen, maatregelen moeten bepleiten ter bevordering van de naleving van het IHR; overwegende dat het IHR ook wordt geschonden door gewapende troepen van staten die geen partij zijn bij het Internationaal Strafhof;

G.  overwegende dat het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) tussen 2012 en 2015 een breed raadplegingsproces heeft gehouden over hoe de rechtsbescherming van slachtoffers van gewapende conflicten kan worden verbeterd en hoe de mechanismen voor de naleving van het IHR doeltreffender kunnen worden gemaakt;

H.  overwegende dat de deelnemende staten aan de 32e Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in december 2015 uiteindelijk niet in staat waren overeenstemming te bereiken over een nieuw mechanisme ter versterking van de naleving met het IHR, zoals voorgesteld door het ICRC en de Zwitserse regering; overwegende dat het voorgestelde nieuwe mechanisme zou hebben geleid tot de organisatie van een jaarlijkse bijeenkomst van staten die partij zijn bij de Verdragen van Genève; overwegende dat de deelnemende staten overeen kwamen om een nieuwe intergouvernementeel proces te starten om de mogelijkheden te onderzoeken voor de versterking van de naleving van het IHR, met als doel de uitkomsten te presenteren op de volgende Internationale Conferentie in 2019;

1.  bevestigt opnieuw de fundamentele bijdrage van het internationaal humanitair recht aan de moderne geschiedenis van de mensheid en verzoekt alle staten die lid zijn van de VN de mogelijkheid te benutten van de humanitaire top om de spilfunctie van het internationaal humanitair recht en de bescherming die het biedt, nogmaals te bevestigen;

2.  veroordeelt de aanvallen op ziekenhuizen en scholen en andere burgerdoelen die alarmerend vaak blijven voorkomen in gewapende conflicten overal ter wereld; herinnert alle partijen eraan dat ziekenhuizen en medisch personeel expliciet beschermd zijn krachtens het internationaal humanitair recht en dat het bewust tot doelwit maken van burgers en civiele infrastructuur een oorlogsmisdrijf is;

3.  verzoekt de EU en haar lidstaten de ware omvang van deze noodsituatie onder ogen te zien en zo snel mogelijk een concreet tijdgebonden actieplan op te stellen, de invloed van de EU en de lidstaten volledig aan te wenden om dergelijke schendingen en gevallen van misbruik een halt toe te roepen, en een onpartijdig en onafhankelijk onderzoek naar alle vermeende schendingen van het internationaal humanitair recht te steunen;

4.  huldigt de bewonderenswaardige moed en toewijding van het internationale en lokale medische personeel, onderwijzend personeel en de verleners van humanitaire hulp die in conflictgebieden werkzaam zijn;

5.  benadrukt het vitale belang om de gezondheids- en onderwijsvoorzieningen als neutrale, beschermde ruimten in stand te houden tijdens situaties van gewapende conflicten; is bezorgd over de vervaging van het onderscheid tussen humanitaire en militaire actoren en het gebruik van humanitaire actie voor militaire of politieke doeleinden, die echte humanitaire operaties ondermijnt en het daarbij betrokken personeel in gevaar brengt; betreurt in dit verband dat de rol van het leger met betrekking tot humanitaire hulp niet aan bod kwam in de mededeling van de Commissie over de humanitaire wereldtop;

6.  benadrukt het belang van de versterking van de internationale justitiële en onderzoeksstelsels, met inbegrip van het Internationaal Strafhof, ter aanvulling van de nationale kaders, om een eind te maken aan de straffeloosheid voor IHR-schendingen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de universaliteit van het Statuut van Rome te blijven bevorderen en de integriteit daarvan in stand te houden, en het Internationaal Strafhof en de maatschappelijke organisaties die betrokken zijn bij de wereldwijde strijd tegen straffeloosheid, te blijven steunen;

7.  betreurt het feit dat een aantal belangrijke partners van de EU en haar lidstaten ernstige schendingen begaan van het internationaal humanitair recht, waaronder aanvallen op ziekenhuizen en scholen, zoals onlangs geïllustreerd door aanvallen van de VS op voorzieningen van Artsen zonder Grenzen in Afghanistan, van de door Saudi-Arabië geleide militaire coalitie in Jemen en de aanvallen van Israël op Gaza in de zomer van 2014; verzoekt de EU alle bilaterale instrumenten die tot haar beschikking staan, te gebruiken om de naleving van het internationaal humanitair recht door zijn partners effectief te bevorderen, met inbegrip van de politieke dialoog, en, indien deze dialoog geen resultaten oplevert, andere maatregelen te overwegen overeenkomstig de richtsnoeren van de EU inzake de bevordering van de naleving van het internationale humanitaire recht; verzoekt de EU, meer in het algemeen, om initiatieven te steunen die gericht zijn op de verspreiding van de kennis van het internationaal humanitair recht en de goede praktijken bij de tenuitvoerlegging daarvan;

8.  verzoekt de VV/HV het initiatief te nemen voor een wapenembargo tegen landen die beschuldigd worden van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, met name in verband met het bewust tot doelwit maken van civiele infrastructuur; benadrukt dat het blijven verlenen van vergunningen van wapenverkoop aan dergelijke landen in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008(5);

9.  benadrukt dat niet-statelijke actoren, waaronder particuliere militaire en beveiligingsondernemingen, zich schuldig kunnen maken aan schendingen van internationaal humanitair recht; herhaalt in dit verband zijn ondubbelzinnige veroordeling van recente aanvallen op scholen en kinderen door terreurgroepen in Nigeria en Pakistan; stelt voor om de mogelijkheden na te gaan om de toepassing van het gemeenschappelijk standpunt inzake wapenexport uit te breiden naar diensten gerelateerd aan de wapenuitvoer, zoals consultancy, en naar de activiteiten van in de EU gevestigde particuliere militaire ondernemingen in derde landen; dringt ook aan op een gemeenschappelijke EU-aanpak van het probleem van de drijvende wapenarsenalen;

10.  onderkent het belang van de richtsnoeren van de EU inzake de bevordering van de naleving van het internationale humanitaire recht, maar betreurt het dat de tenuitvoerlegging ervan door EU-instellingen en lidstaten en de kennis daarover onder overheidsambtenaren nog steeds aanzienlijk tekortschiet;

11.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de VV/HV om een herziening van de huidige toewijzing van verantwoordelijkheden, op grond waarvan de tenuitvoerlegging van de IHR-richtsnoeren in eerste instantie een bevoegdheid is van de Groep internationaal publiekrecht van de Raad; benadrukt in dit verband dat in de EU-richtsnoeren "de bevoegde Raadsgroepen" de taak wordt toevertrouwd situaties te volgen waarin het IHR wellicht van toepassing is en in dergelijke gevallen maatregelen aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen; verzoekt de desbetreffende werkgroepen van de Raad, met name de Groep rechten van de mens Raad (COHOM), deze bevoegdheid te gebruiken om de huidige spoedeisende crisis van niet-naleving aan te pakken; verzoekt de EU en de lidstaten meer transparantie te betrachten over de tenuitvoerlegging van de richtlijnen in specifieke conflictsituaties, met name in het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie;

12.  herinnert aan het in de EU-richtsnoeren ingenomen standpunt op grond waarvan, waar nodig, overwogen zal worden een beroep te doen op de diensten van de Internationale Commissie voor feitenonderzoek (IHFFC), ingesteld bij het aanvullend protocol I bij de Verdragen van Genève van 1949, die met haar capaciteit op het gebied van feitenonderzoek en "goede diensten" de inachtneming van het IHR kan helpen verbeteren; betreurt het dat er geen gebruik is gemaakt van de diensten van de IHFFC, en dringt er bij de Raad, de lidstaten en de EDEO op aan serieus te overwegen deze commissie te activeren, voor de eerste keer sinds de oprichting ervan, om de aanvallen op ziekenhuizen en scholen aan te pakken als een urgente crisissituatie wat betreft de naleving van IHR-normen; verzoekt alle EU-lidstaten (en dus Frankrijk en Letland) om de bevoegdheid van de IHFFC te erkennen;

13.  wijst met bezorgdheid op de momenteel beperkte institutionele ruimte voor de internationale gemeenschap om gemeenschappelijke zorgen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het IHR te bespreken; betreurt het in dit verband dat de landen die in december 2015 deelnamen aan de 32e Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan er niet in zijn geslaagd het eens te worden over een nieuw mechanisme waarmee het governancesysteem van het IHR verstevigd zou worden;

14.  is ingenomen met de belofte van de EU en haar lidstaten aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis om de totstandkoming van een doeltreffend mechanisme ter verbetering van de naleving van het IHR krachtig te steunen, maar verzoekt de VV/HV het Parlement te informeren over haar doelstellingen en de strategie om deze belofte in het komende intergouvernementele proces waar te maken; benadrukt in dit verband de behoefte aan een internationaal mechanisme voor de opsporing en verzameling van gegevens over schendingen van het internationaal humanitair recht en de verslaglegging daarvan, vergelijkbaar met het uitgebreide mensenrechtensysteem van de VN; spreekt in dit verband zijn volledige steun uit voor reguliere openbare bijeenkomsten van de partijen bij de Verdragen van Genève – zoals in het geval van andere VN-verdragen ‑ teneinde de nakoming van de verplichtingen van de verdragsluitende partijen te beoordelen;

15.  is verheugd over de praktijk van de EU en de lidstaten om beloften te doen ter gelegenheid van de conferentie van het ICRC; verzoekt de VV/HV stelselmatig verslag te doen over de nakoming van deze beloften, met name door het opnemen van een gedetailleerd onderdeel in het hoofdstuk over het IHR in het jaarverslag over mensenrechten van de Raad;

16.  verzoekt de lidstaten een voorbeeldrol te vervullen en hun toezegging na te komen om de voornaamste instrumenten van internationaal humanitair recht te ratificeren en andere relevante rechtsinstrumenten die een impact hebben op het internationaal humanitair recht; betreurt in het bijzonder het feit dat zeven lidstaten het Verdrag inzake clustermunitie nog niet hebben geratificeerd, slechts twaalf het Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, en een lidstaat het Wapenhandelsverdrag nog moet ratificeren; verzoekt de lidstaten dringende maatregelen te nemen om deze situatie recht te zetten;

17.  dringt er bij alle lidstaten op aan de Verklaring inzake veilige scholen onverwijld te onderschrijven, evenals de aanbevelingen die tijdens het 32e Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan vastgesteld zijn;

18.  verzoekt de EU en haar lidstaten een wereldwijd verbod op het gebruik van witte fosfor te steunen, met name door de sluiting van een nieuw protocol bij het Conventionelewapensverdrag waarin het gebruik van dergelijke wapens verboden wordt;

19.  dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN over wapens met verarmd uranium te ondersteunen en een gemeenschappelijk standpunt van de EU vast te stellen dat beter beantwoordt aan de herhaalde oproep van het Parlement voor een preventief wereldwijd moratorium en het bereiken van een mondiale consensus over de mogelijke gezondheidsrisico's voor de burgers, het complexe post-conflictbeheer en de financiële lasten ingevolge het gebruik van dergelijke wapens;

20.  verzoekt de lidstaten die nog geen verbod hebben ingevoerd op investeringen in ondernemingen die landmijnen produceren, daarin handelen of in enige andere vorm commerciële handelingen verrichten met betrekking tot landmijnen, dit zo snel mogelijk te doen;

21.  benadrukt dat het belangrijk is de samenhang van het EU-beleid te waarborgen ten aanzien van situaties van bezetting of annexatie van grondgebied; herinnert eraan dat het internationaal humanitair recht het EU-beleid in al dat soort situaties moet leiden, met inbegrip van gevallen van voortdurende bezetting zoals in Palestina, de Westelijke Sahara en het noordelijk deel van Cyprus, en de diverse bevroren conflicten in de landen van het Oostelijk Partnerschap;

22.  spreekt nogmaals zijn ernstige zorg uit over het gebruik van gewapende onbemande luchtvaartuigen buiten het internationale rechtskader, en betreurt het feit dat zijn oproep aan de Raad om een gemeenschappelijk standpunt van de EU over het gebruik van gewapende onbemande luchtvaartuigen onbeantwoord blijft; onderstreept de noodzaak voor de EU en haar lidstaten om meer transparantie en verantwoordingsplicht bij het gebruik van gewapende onbemande luchtvaartuigen te bevorderen; dringt er nogmaals bij de Raad op aan een beleid vast te stellen waarin het gebruik van automatische wapensystemen verboden wordt;

23.  benadrukt dat asymmetrische oorlogsvoering en terrorismebestrijding het versoepeld toepassen of buiten werking stellen van het internationaal humanitair recht niet kunnen rechtvaardigen; betreurt de negatieve gevolgen van terrorismebestrijdingsmaatregelen voor humanitaire actie, waaronder een toename van de administratieve procedures in verband met aanbestedingen of het antecedentenonderzoek van partners, die de hulpverlening in gebieden waar mogelijk gewapende, als terroristisch aangemerkte groeperingen actief zijn aanmerkelijk kunnen belemmeren; benadrukt dat maatregelen ter bestrijding van terrorisme humanitaire inspanningen niet mogen ondermijnen en strikt moeten voldoen aan de wetgeving op het gebied van de grondrechten en het internationaal humanitair recht;

24.  spreekt zijn verontrusting uit over het gebrek aan transparantie over en openbare verslaglegging van de militaire aanvallen die door of met betrokkenheid van EU-lidstaten worden uitgevoerd in het verband van internationale coalities, waaronder tegen de Islamitische Staat in Syrië en Irak; verzoekt de lidstaten gedetailleerde informatie te verstrekken over hun militaire betrokkenheid bij dergelijke coalities en over de maatregelen die genomen zijn om volledige naleving van het internationaal humanitair recht te waarborgen;

25.  dringt er bij de VV/HV op aan de toepasselijke plannings- en uitvoeringsdocumenten en de richtsnoeren op het gebied van militaire operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), met name het EU-concept voor het gebruik van geweld, te wijzigen en aan te passen; dringt er bij de militaire bevelhebbers op aan de inzetregels voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren zodat de soldaten de regels van het internationaal humanitair recht zonder moeite kunnen naleven;

26.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de lidstaten van de VN.

(1)

PB C 303 van 15.12.2009, blz. 12.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0066.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0459.

(5)

PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

Juridische mededeling