Procedure : 2016/2727(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0643/2016

Ingediende teksten :

B8-0643/2016

Debatten :

PV 25/05/2016 - 18
CRE 25/05/2016 - 18

Stemmingen :

PV 26/05/2016 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0233

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 182kWORD 72k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0623/2016
23.5.2016
PE582.664v01-00
 
B8-0643/2016

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over trans-Atlantische gegevensstromen (2016/2727(RSP))


Timothy Kirkhope, Helga Stevens, Daniel Dalton, Monica Macovei namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over trans-Atlantische gegevensstromen (2016/2727(RSP))  
B8-0643/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 6, 7, 8, 11, 16, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(1) (hierna "richtlijn gegevensbescherming"),

–  gezien Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken(2),

–  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene richtlijn gegevensbescherming)(3)en gezien Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(4),

–  gezien Besluit 2000/520/EG van de Commissie van 26 juli 2000 (het veiligehavenbesluit),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2013 over het herstel van vertrouwen in de gegevensstromen tussen de EU en de VS (COM(2013)0846),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2013 betreffende de werking van de veiligehavenregeling ("Safe Harbour") uit het oogpunt van EU-burgers en in de EU gevestigde ondernemingen (de veiligehavenmededeling)(COM(2013)0847),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2015 in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner (EU:C:2015:650),

–  gezien de wet inzake gerechtelijk beroep (Judicial Redress Act) van 2015,

–  gezien de USA Freedom Act van 2015,

–  gezien de hervormde inlichtingen uit berichtenverkeer in de VS, zoals bepaald in presidentiële richtlijn 28 (PPD-28),

–  gezien Advies 01/2016 van de Groep artikel 29 van 13 april 2016 over het adequaatheidsbesluit met betrekking tot het Europees-Amerikaanse privacyschild,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het recht op een persoonlijke levenssfeer en het recht op veiligheid beide vastgesteld zijn in het Handvest van de grondrechten en overwegende dat beide rechten volledig moeten worden geëerbiedigd en dat zij even zwaar moeten wegen;

B.  overwegende dat nationale veiligheid een bevoegdheid is van de lidstaten, overeenkomstig het VWEU;

C.  overwegende dat de Verenigde Staten een essentiële partner is zowel voor de economie als voor de veiligheid van de Europese Unie en haar lidstaten;

D.  overwegende dat de trans-Atlantische investeringsrelatie de grootste ter wereld is, waarbij de totale waarde van de middelen die de VS en Europa in elkaar hebben geïnvesteerd, ongeveer 4 miljard USD bedraagt;

E.  overwegende dat de gegevensstromen tussen de VS en de EU wereldwijd veruit de grootste zijn;

F.  overwegende dat de kosteloze grensoverschrijdende gegevensstromen tussen de VS en de EU essentieel zijn voor de toekomstige groei van de Amerikaanse en Europese handel en investeringen, aangezien consumenten aan beide zijden van de oceaan steeds meer gebruik maken van het internet om goederen en diensten aan te kopen op elkaars marktplaatsen, inclusief trans-Atlantische transacties en diensten tussen bedrijven, kosteloze gegevensstromen binnen bedrijven voor interne doeleinden en toegang tot en gebruik van de cloud, alsmede het potentieel om de handel en investeringen met de ontwikkelingslanden uit te breiden, door het toenemende gebruik aldaar van internet en onlineproducten;

G.  overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) de snelst groeiende sector zijn van de economie van de EU en dat zij steeds meer afhangen van kosteloze gegevensstromen; overwegende dat kmo's 60 % uitmaakten van de bedrijven die vielen onder het veiligehavenakkoord, dat hen de voordelen liet genieten van de gestroomlijnde en kostenefficiënte nalevingsprocedures, zodat zij geen gebruik hoefden te maken van omslachtige en tijdrovende bindende bedrijfsregels of van standaardcontracten;

H.  overwegende dat de in 1995 aangenomen EU-richtlijn gegevensbescherming, die persoonsgegevensbescherming in de EU omvat, in de nabije toekomst vervangen zal worden door de algemene verordening gegevensbescherming; overwegende dat de algemene verordening gegevensbescherming bepaalt dat de overdracht van persoonsgegevens van de EU naar een derde land slechts onder bepaalde voorwaarden toegelaten is, bijvoorbeeld na vaststelling van gepastheid, wat een belangrijk mechanisme is op grond waarvan de overdracht van persoonsgegevens aan een derde land toegestaan is als de Commissie oordeelt dat het land voorziet in een passend niveau van bescherming van de privacy;

I.  overwegende dat momenteel de volgende landen ( Andorra, Argentinië, de Faeröer, Guernsey, het eiland Man, Jersey, Uruguay, Israël, Zwitserland en Nieuw-Zeeland) de erkenning hebben gekregen dat zij een toereikend niveau van gegevensbescherming hebben, en dat de Verenigde Staten van Amerika, Canada en Australië de erkenning kregen dat zij een toereikend niveau bereiken met betrekking tot de overdracht van persoonsgegevens van passagiers;

J.  overwegende dat de Commissie op 26 juli 2000 heeft erkend dat de veiligehavenbeginselen en de door het ministerie van Handel uitgegeven vaak gestelde vragen voldoende bescherming bieden voor persoonsgegevensoverdracht vanuit de EU, en overwegende dat op grond van dit veiligehavenbesluit is toegestaan dat persoonsgegevens worden overgedragen vanuit de EU naar bedrijven in de VS die de veiligehavenbeginselen hebben ondertekend;

K.  overwegende dat het Europees Hof van Justitie in zaak C-362/14, Maximillian Schrems tegen Data Protection Commissioner, heeft geconcludeerd dat de vaststelling van de Commissie in het kader van het veiligehavenkader dat de VS een passend niveau van bescherming biedt van persoonlijke informatie uit de EU, ongeldig is, zodat de onderhandelingen over het Europees-Amerikaanse privacyschild dringend moeten worden afgesloten, om rechtszekerheid te bieden over de manier waarop persoonsgegevens van de EU naar de VS moeten worden overgedragen;

L.  overwegende dat de Commissie na de uitspraak in de zaak-Schrems opnieuw gestart is met de onderhandelingen met de VS met het oog op een hernieuwd kader, om de elementen waarover het Hof van Justitie zijn bezorgdheid had geformuleerd, aan te pakken, en overwegende dat de Commissie en de VS op 2 februari 2016 overeenstemming hebben bereikt over een nieuw kader voor trans-Atlantische gegevensstromen, het Europees-Amerikaanse privacyschild;

M.  overwegende dat de Groep artikel 29 in zijn Advies 01/2016 zijn tevredenheid heeft uitgesproken met de aanzienlijke verbeteringen als gevolg van het privacyschild in vergelijking met het veiligehavenbesluit;

N.  overwegende dat de Amerikaans, e Judicial Redress Act, waarmee Europese burgers en burgers van bondgenoten van de VS het recht wordt verleend onjuiste informatie over hen waarover de federale agentschappen van de VS op grond van de Amerikaanse privacywet beschikken, te wijzigen en te corrigeren, door de tweede kamer van het Congres is goedgekeurd op 20 oktober 2015, door de Commissie juridische zaken van de Senaat is gegaan op 28 januari 2016 en ondertekend is door de Amerikaanse president, Barack Obama, op 24 februari 2016;

O.  overwegende dat de goedkeuring van de Judicial Redress Act de belangrijkste voorwaarde was van het Europees Parlement om in te stemmen met de raamovereenkomst tussen de EU en de VS, en een belangrijk aspect van de onderhandelingen over het Europees-Amerikaanse privacyschild;

1.  benadrukt het feit dat de Verenigde Staten een van de belangrijkste partners van de EU zijn met betrekking tot veiligheid, de economie en gedeelde waarden;

2.  benadrukt het feit dat een overeengekomen rechtskader als het privacyschild en de raamovereenkomst tussen de EU en de VS over gegevensbescherming essentieel zijn om de grondrechten en de persoonlijke levenssfeer van de burgers te beschermen en het vertrouwen van de burgers in de trans-Atlantische veiligheids- en economische samenwerking tussen de EU en de VS te garanderen;

3.  merkt op dat de EU en de VS al vitale overeenkomsten hebben gesloten over gegevensstromen in verband met veiligheid en de strijd tegen terrorisme, met name het Europees-Amerikaanse programma voor het traceren van terrorismefinanciering en de overeenkomst tussen de EU en de VS inzake persoonsgegevens van passagiers; merkt op dat deze overeenkomsten essentieel waren voor het onderzoek en de vervolging van misdrijven en voor het garanderen van de veiligheid van de VS- en de EU-burgers;

4.  is tevreden met de afsluiting van de onderhandelingen tussen de EU en de VS over het privacyschild, na onderhandelingen van meer dan twee jaar tussen de Commissie en de het Amerikaanse ministerie van Handel; benadrukt het feit dat het absoluut noodzakelijk is het nieuwe, verbeterde privacyschild in te voeren, om te zorgen voor een duidelijk rechtskader, juridische duidelijkheid en een vaste reeks regels en rechten voor de verrichtingen; acht deze stap bijzonder belangrijk voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor consumenten;

5.  benadrukt het feit dat het recht op een persoonlijke levenssfeer zowel is vastgesteld in het rechtsstelsel van de VS als in dat van de EU, respectievelijk via de Amerikaanse grondwet en de Bill of Rights en via het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het feit dat het essentieel is de verenigbaarheid van de twee verschillende stelsels te eerbiedigen, zonder totale equivalentie te eisen;

6.  is tevreden met het feit dat de EU en de VS de afgelopen 12 maanden via onderhandelingen zijn gekomen tot het nieuwe privacyschild en de raamovereenkomst tussen de EU en de VS over gegevensbescherming, die beide het hoogste niveau inhouden van privacy van gegevens en digitale en wettelijke bescherming die ooit aan de EU-burgers ie geboden;

7.  erkent dat het privacyschild substantieel verschilt van het veiligehavenkader, doordat erin is voorzien in aanzienlijk meer gedetailleerde documentatie, die meer specifieke verplichtingen oplegt aan bedrijven die zich bij het kader willen aansluiten, inclusief nieuwe controlemechanismen om ervoor te zorgen dat de rechten van Europese betrokkenen kunnen worden uitgeoefend, wanneer hun gegevens worden verwerkt in de VS;

8.  is tevreden met de erkenning door de Groep artikel 29 van het feit dat het privacyschild aanzienlijke verbeteringen inhoudt in vergelijking met het veiligehavenkader;

9.  neemt kennis van de elementen waarover de Groep artikel 29 zijn bezorgdheid uitspreekt en met de constructieve aanpak van de Groep en benadrukt voorts het feit dat he principe van beperking van de bewaartermijn van gegevens, waarnaar wordt verwezen in het advies, eerst verduidelijkt moet worden in de Europese Unie, aangezien de situatie en de normen in de EU nog onduidelijk zijn, als gevolg van de uitspraak van het Hof van Justitie van 2014;

10.  verneemt met instemming dat het Congres in de VS de Judicial Redress Act heeft goedgekeurd, en wijst erop dat het reeds lang een dergelijke wet eiste als voorwaarde voor de voltooiing van de raamovereenkomst tussen de EU en de VS en voor de afsluiting van de onderhandelingen over het privacyschild;

11.  benadrukt het feit dat het nieuwe privacyschild en de nieuwe raamovereenkomst tussen de EU en de VS over gegevensbescherming belangrijk zijn, omdat zij consumenten, bedrijven en burgers een duidelijk wettelijk kader bieden voor hun verrichtingen en omdat zij een duidelijke reeks regels en beroepsmechanismen bieden;

12.  merkt op dat, terwijl in het veiligehavenkader niet werd verwezen naar specifieke beperkingen van de toegang van de Amerikaanse overheid tot naar de VS overgedragen gegevens, de documentatie in het kader van het nieuwe privacyschild bindende toezeggingen omvat van de Amerikaanse regering in de vorm van brieven van de directeur van de nationale inlichtingen, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken en het Amerikaanse ministerie van Justitie;

13.  benadrukt het feit dat het Amerikaanse Congres en de Amerikaanse regering sinds 2013 ruim twintig hervormingen hebben uitgevoerd van toezichtswetten en -programma's, inclusief de USA Freedom Act, met zijn verbod op massale gegevensverzameling, presidentiële richtlijn 28, waarmee de bescherming van de privacyrechten en de burgerlijke vrijheden van individuen buiten de VS tot een integrerend onderdeel van het Amerikaanse toezichtbeleid wordt gemaakt, de wijzigingen in de US Foreign Intelligence Act, en de Judicial Redress Act, waarmee de maatregelen op het gebied van gegevensbescherming worden uitgebreid naar burgers van de EU; benadruk het feit dat met deze hervormingen de rechten en de privacy van de VS- en de EU-burgers zijn uitgebreid, om te komen tot het peil dat werd geëist door de EU;

14.  is tevreden met de recente initiatieven van de Amerikaanse regering en het Amerikaanse Congres, bijvoorbeeld de Email Privacy Bill, die unaniem is goedgekeurd door de tweede kamer in april 2016 en waarmee wijzigingen zijn aangebracht in de Electronic Communications Privacy Act van 1986, en de goedkeuring door de tweede kamer in januari 2016 en door de Senaat in maart 2016 van de Freedom of Information Improvement Act;

15.  is tevreden met de creatie van het ombudsmanmechanisme binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat onafhankelijk zal zijn van de nationale veiligheidsdiensten en zal helpen om te zorgen voor individueel beroep en onafhankelijk toezicht;

16.  is tevreden met het feit dat betrokkenen uit de EU in het kader van het nieuwe privacyschild diverse paden kunnen bewandelen voor de instelling van een wettelijk beroep tegen het gebruik van hun gegevens;

17.  benadrukt het feit dat een rechtsvacuüm als hetgene dat ontstond na de uitspraak in de zaak-Schrems, niet opnieuw mag worden gecreëerd en benadrukt daarom dat de Commissie verantwoordelijk is voor de uitvoering van een grondige evaluatie van alle aspecten van de wettelijke regeling, met name de impact op de grondrechten en de persoonlijke levenssfeer;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten, en aan het Congres en de regering van de VS.

(1)

PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(2)

PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60.

(3)

PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.

(4)

PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.

Juridische mededeling