Procedure : 2016/2747(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0736/2016

Ingediende teksten :

B8-0736/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/06/2016 - 12.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0270

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 261kWORD 68k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0733/2016
1.6.2016
PE596.902v01-00
 
B8-0736/2016

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 (2016/2747(RSP))


Piernicola Pedicini, Marco Affronte, Eleonora Evi, Marco Zullo, Fabio Massimo Castaldo, Marco Valli, Daniela Aiuto, Laura Agea, Dario Tamburrano, Laura Ferrara, Isabella Adinolfi, Tiziana Beghin, David Borrelli, Rosa D’Amato, Ignazio Corrao, Marco Zanni namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 (2016/2747(RSP))  
B8-0736/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (OJ L 167/1)(1);

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Derde kamer van het Gerecht) van 16 december 2015 in zaak T-521/14 Koninkrijk Zweden/ Commissie betreffende "Beroep wegens nalaten - Specificatie van de wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen - Verzuim van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen - Verplichting tot handelen", ingesteld door het Koninkrijk Zweden, met onder andere het Parlement als interveniërende partij , tegen de Commissie;

–  gezien de artikelen 168, 234, lid 265, en 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

–  gezien artikel 14 en artikel 17, lid 8, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de brief d.d. 22 maart 2016 van Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker aan de Voorzitter van het Europees Parlement ((2016)1416502),

–  gezien artikel 119, 123 en 169, lid 5, van zijn Reglement,

–  gezien de motie van afkeuring jegens de Commissie overeenkomstig artikel 119 van het Reglement (2016/1594(MOC))

–  gezien het juridisch advies D(2016)24155 van 23 mei 2016 van de Juridische Dienst van het Europees Parlement, met name paragrafen 17, 19, 20 en 21;

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Verordening (EU) nr. 528/2012 op het voorzorgsbeginsel berust en ertoe strekt te waarborgen dat het vervaardigen en op de markt aanbieden van werkzame stoffen en biociden niet resulteert in schadelijke effecten voor de gezondheid van mens en dier of in onaanvaardbare effecten voor het milieu;

B.  overwegende dat de Commissie volgens Verordening (EU) nr. 528/2012 uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen moest hebben vastgesteld ter specificatie van de wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden;

C.  overwegende dat de Commissie voornoemde gedelegeerde handelingen noch vóór noch na 13 december 2013 heeft vastgesteld;

D.  overwegende dat het Gerecht in zijn arrest van 16 december 2015 in zaak T-521/14 heeft geoordeeld dat de Commissie een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting had om uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen tot vaststelling van de voormelde wetenschappelijke criteria vast te stellen;

E.  overwegende dat het Gerecht een door de Commissie aangevoerd specifiek juridisch argument ter rechtvaardiging van haar nalatigheid heeft verworpen en ondubbelzinnig heeft gesteld (punt 74) dat geen enkele bepaling van Verordening nr. 528/2012 een effectbeoordeling van wetenschappelijke risicogebaseerde criteria voorschrijft;

F.  overwegende dat de Commissie meermaals kennis heeft gegeven van haar voornemen om een effectbeoordeling uit te voeren vooraleer de desbetreffende gedelegeerde handeling vast te stellen;

G.  overwegende dat deze verklaringen getuigen van een voortdurende, aanhoudende en herhaalde inbreuk op Verordening nr. 528/2012 en op het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 in zaak T-521/14;

H.  overwegende dat overeenkomstig artikel 266, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de instelling welker handeling nietig is verklaard of welker nalatigheid strijdig met de Verdragen is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

I.  overwegende dat deze herhaalde niet-naleving dus een duidelijke schending van de Verdragen vormt door de hoedster van het Verdrag zelf, de Commissie;

J.  overwegende dat volgens een uitvoerig en onbetwist rapport dat in mei 2015 door Corporate Europe Observatory (CEO) is gepubliceerd, DG ENVI van de Europese Commissie ruim de tijd had om de wetenschappelijke criteria voor de definitie van hormoonontregelaars vast te stellen;

K.  overwegende dat volgens ditzelfde rapport de vertragingen bij de vaststelling van de gedelegeerde handelingen door aan te dringen op een onrechtmatige effectbeoordeling, deel uitmaakten van een bewuste strategie van topambtenaren binnen de Commissie, die verkozen de particuliere industriële belangen te beschermen ten nadele van de bescherming van de gezondheid van mens en milieu;

L.  overwegende dat een door de heer Pedicini en anderen ingediende motie van afkeuring jegens de Commissie eerst bekend werd gemaakt in de plenaire vergadering van 12 mei 2016 en dat vervolgens in een brief van Voorzitter Schulz aan alle leden van het Europees Parlement werd medegedeeld dat deze als vervallen werd beschouwd; overwegende dat de redenen voor dit besluit gebaseerd waren op een foutieve extensieve interpretatie van artikel 169, lid 5, van het Reglement;

M.  overwegende dat in het advies van de Juridische Dienst van het Europees Parlement, waarom werd verzocht door de Commissie ENVI op 10 mei 2016, duidelijk wordt gesteld dat het enige rechtsmiddel waarover het Europees Parlement nog beschikt een twee jaar durende procedure is, die bij eventueel succes enkel ertoe kan leiden dat het Gerecht nogmaals verklaart dat het verzuim van de Commissie onrechtmatig is geweest, maar de Commissie niet kan dwingen tot vaststelling van de gedelegeerde handelingen zoals vereist door de Verordening nr. 528/2012 (de biocidenverordening);

N.  overwegende dat de Juridische Dienst hieraan toevoegt dat het Parlement uiteraard het recht heeft om te reageren op de houding van de Commissie in het kader van de politieke controle die het overeenkomstig artikel 14 VEU over de Commissie uitoefent;

1.  betreurt dat de Commissie heeft verzaakt aan haar verplichting om gedelegeerde handelingen vast te stellen, zoals vastgelegd in Verordening (EU) nr. 528/2012;

2.  wijst erop dat de Commissie de plicht had wetenschappelijke criteria voor het bepalen van de hormoonontregelende eigenschappen vast te stellen, terwijl effectbeoordelingen, volgens de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie bedoeld zijn om gegevens te verzamelen om te beoordelen of toekomstige nieuwe wetgeving of andere maatregelen van de Unie gerechtvaardigd zijn en hoe dergelijke wetgeving of maatregelen het best kunnen worden ontworpen om gewenste beleidsdoelstellingen tot stand te brengen;

3.  acht het onaanvaardbaar dat de Commissie, zelfs na de veroordeling door het Gerecht van december 2015, heeft nagelaten de gedelegeerde handelingen inzake de vaststelling van specifieke wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden, vast te stellen;

4.  is van mening dat middels effectbeoordelingen in kaart gebrachte beleidsopties in geen geval mogen meespelen bij de vaststelling van wetenschappelijke criteria betreffende hormoonontregelende eigenschappen of de gevolgen van bepaalde stoffen voor de gezondheid;

5.  wijst erop dat de Commissie het Verdrag andermaal schendt doordat zij niet alle nodige maatregelen heeft genomen om te voldoen aan het arrest van het Gerecht;

6.  betreurt dat de Voorzitter van het Europees Parlement de motie van afkeuring eerst ter plenaire vergadering heeft bekendgemaakt en deze vervolgens als vervallen heeft beschouwd overeenkomstig artikel 119 van het Reglement (2016/1594(MOC));

7.  verzoekt de Commissie in het kader van Verordening (EU) nr. 528/2012 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter specificatie van de wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden; verzoekt de Commissie onverwijld te handelen en ten laatste binnen twee maanden, waarna deze handeling overeenkomstig artikel 265 VWEU als een officiële ingebrekestelling zal worden beschouwd;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie en hen in kennis te stellen van de uitslag van de stemming over deze resolutie in de plenaire vergadering.

(1)

PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid