Procedure : 2016/2600(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0863/2016

Ingediende teksten :

B8-0863/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/07/2016 - 6.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0313

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 164kWORD 61k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0853/2016
29.6.2016
PE585.300v01-00
 
B8-0863/2016

naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B8-0702/2016 en B8-0703/2016

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten (2016/2600(RSP))


Linnéa Engström, Benedek Jávor, Bart Staes namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten (2016/2600(RSP))  
B8-0863/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien het internationale moratorium voor de commerciële walvisvangst, ingesteld door de Internationale Walvisvaartcommissie,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2012 over de handelsbesprekingen tussen de EU en Japan(1),

–  gezien Resolutie 2014-5 over walvisvangst met een speciale vergunning (ook "wetenschappelijke walvisvangst" genoemd), aangenomen door de Internationale Walvisvaartcommissie tijdens haar 65e jaarvergadering in Slovenië in 2014,

–  gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 31 maart 2014 in de zaak betreffende walvisvangst in de Antarctische Oceaan (Australië vs. Japan: interventie door Nieuw-Zeeland), waarin is besloten dat de Japanse walvisvangst geen doel diende op het gebied van wetenschappelijk onderzoek,

–  gezien het nieuwe Japanse programma voor walvisvangst in de Antarctische Oceaan (NEWREP-A),

–  gezien de vragen aan de Raad en aan de Commissie over het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten (O-000058/2016 – B8-0702/2016 en O‑000059/2016 – B8-0703/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) in 1982 een verbod heeft uitgevaardigd op commerciële walvisvangst van alle grote walvissoorten, dat in 1986 in werking trad;

B.  overwegende dat Japan ondanks dit internationale verbod de walvisvangst heeft voortgezet, zogenaamd voor wetenschappelijke doeleinden, en meer dan 17 000 walvissen heeft gedood(2) in de periode van 1986, toen het verbod inging, tot 2008/2009;

C.  overwegende dat de Japanse walvisvangst ernstig en verlengd lijden van individuele dieren veroorzaakt en gevaarlijk is voor de instandhouding van de walvispopulatie in haar geheel;

D.  overwegende dat alle grote walvissoorten op de lijst staan van aanhangsel I van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES);

E.  overwegende dat het Internationale Gerechtshof in zijn uitspraak van 31 december 2014 het Japanse programma voor wetenschappelijke walvisvangst afwees en oordeelde dat de speciale vergunningen die door Japan waren toegekend voor het doden, vangen en verwerken van gewone vinvissen, bultruggen en dwergvinvissen, niet binnen het toepassingsgebied van artikel VIII, lid 1, van het Internationale Verdrag tot Regeling van de Walvisvangst vielen, en niet in overeenstemming waren met de verplichtingen van Japan op grond van verschillende paragrafen van het "reglement" bij het Internationale Verdrag tot Regeling van de Walvisvangst;

F.  overwegende dat Japan, ondanks de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, na een onderbreking in 2014 weer doorging met de walvisvangst in 2015 in het kader van NEWREP-A;

G.  overwegende dat Japan sinds vele jaren actief is in de commerciële handel van walvisvlees- en producten, ondanks het feit dat deze op de lijst staan van aanhangsel I van de CITES;

H.  overwegende dat Japan in het kader van het NEWREP-A-programma voornemens is om in een periode van 12 jaar in totaal 3 996 dwergvinvissen te vangen;

I.  overwegende dat het deskundigenpanel, dat samengesteld was uit wetenschappers van de Internationale Walvisvaartcommissie en dat NEWREP-A onderzocht en geëvalueerd heeft, concludeerde dat in het voorstel niet voldoende was aangetoond dat het uitvoeren van bemonstering met fatale afloop noodzakelijk was om de genoemde doelstellingen te halen;

J.  overwegende dat Commissie, Raad en Parlement voorstander zijn van handhaving van het mondiale moratorium op de commerciële walvisvangst en een verbod op de internationale handel in walvisproducten, een eind wensen te maken aan de zogenaamde wetenschappelijke walvisvangst en instemmen met de aanwijzing van aanzienlijke delen van de zeeën en oceanen tot beschermde gebieden waar alle walvisvangst voor onbepaalde tijd verboden is;

K.  overwegende dat de EU en haar lidstaten Japan bekritiseerd hebben omdat het land de activiteiten hervatte en het de richtsnoeren uit het advies van het Internationaal Gerechtshof van 2014 niet voldoende in acht nam; overwegende dat zij in 2015 Nieuw-Zeeland zijn bijgetreden in een demarche ten aanzien van de Japanse regering;

L.  overwegende dat de onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan op 25 maart 2013 officieel werden geopend;

M.  overwegende dat het handelsbeleid onder andere een instrument moet zijn om de eerbiediging van de mensenrechten, het dierenwelzijn en de milieubescherming, met inbegrip van zeezoogdieren, te verbeteren;

1.  verzoekt Japan de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof na te leven en zijn walvisvangst volledig te stoppen;

2.  roept de Commissie en de Raad op om er, in het kader van de lopende onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan, bij Japan op aan te dringen dat het de internationale wettelijke verplichtingen inzake de bescherming van zeezoogdieren respecteert;

3.  verklaart dat de voortdurende walvisvangst van Japan een belemmering vormt voor het sluiten van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan;

4.  verzoekt de Commissie en de Raad het feit dat Japan het besluit van het Internationaal Gerechtshof niet naleeft, ter sprake te brengen op alle vergaderingen met vertegenwoordigers van de Japanse regering en er bij het land op aan te dringen zijn standpunt te herzien;

5.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om bij het opstellen van een geactualiseerd gezamenlijk EU-standpunt over walvisvangst na de 66e vergadering van het IWC in oktober 2016 minstens even behoedzaam te werk te gaan als bij het huidige gezamenlijke standpunt (voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het namens de Europese Unie op de volgende vijf vergaderingen van de Internationale Walvisvaartcommissie, met inbegrip van de bijbehorende intersessionele vergaderingen, in te nemen standpunt over voorstellen voor wijzigingen van het Internationale Verdrag tot regeling van de walvisvangst en het reglement daarvan (COM(2011)0495));

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Japan.

(1)

PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 16.

(2)

http://d2ouvy59p0dg6k.cloudfront.net/downloads/iwc61_whales_killed_final.pdf

Juridische mededeling