Procedure : 2016/2956(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1169/2016

Ingediende teksten :

B8-1169/2016

Debatten :

PV 26/10/2016 - 12
CRE 26/10/2016 - 12

Stemmingen :

PV 27/10/2016 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 183kWORD 78k
24.10.2016
PE593.595v01-00
 
B8-1169/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Mosul en Noord-Irak (2016/2956(RSP))


Bodil Valero, Barbara Lochbihler, Alyn Smith, Ernest Maragall, Jean Lambert, Rebecca Harms namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Mosul en Noord-Irak (2016/2956(RSP))  
B8-1169/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 12 februari 2015(1), 27 november 2014(2), 18 september 2014(3) en 17 juli 2014(4),

–  gezien de opmerkingen van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini tijdens de gezamenlijke persconferentie van 18 oktober 2016, na afloop van de tweede samenwerkingsraad EU-Irak in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de EU en Irak met de minister van Buitenlandse Zaken van Irak, İbrahim Al Jafaari,

–  gezien de verklaring van de speciale vertegenwoordiger van de VN voor de mensenrechten van binnenlands ontheemden, Chaloka Beyani, van 19 oktober 2016,

–  gezien het verslag van Amnesty International van 18 oktober 2016, getiteld "Punished for Daesh’s crimes: Displaced Iraqis abused by militias and government forces",

–  gezien de leidende beginselen van de VN van 1948 inzake ontheemding in eigen land,

–  gezien de internationale verdragen van de VN, met inbegrip van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd (tweede deel), het Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I), het Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (Protocol II) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de ministeriële bijeenkomst ter stabilisering van de situatie in Mosul, die op 20 oktober 2016 onder gezamenlijk voorzitterschap van Frankrijk en Irak werd gehouden in Parijs, waaraan werd deelgenomen door 22 landen, de VN, de EU en de Liga van Arabische Staten, en die erop gericht was een plan op te stellen ter bescherming van burgers, hulp te verstrekken en in te gaan op kwesties met betrekking tot het besturen van onlangs van het juk van de Islamitische Staat (IS/Da'esh) bevrijde gebieden;

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de militaire operatie om de stad Mosul te heroveren op de strijdkrachten van IS, die de stad sinds 2014 in handen hebben, op 17 oktober 2016 van start is gegaan en dat naar schatting een miljoen burgers nog altijd op geen enkele manier uit de belegerde stad kan ontsnappen; overwegende dat Mosul de laatste grote Iraakse stad is die onder het bewind van IS staat, dat de stad ongeveer vijfmaal groter is dan alle andere steden die IS in handen heeft gehad en dat de opmars richting Mosul naar verwachting zal uitmonden in het grootste gevecht sinds de invasie van het land in 2003 onder leiding van de VS;

B.  overwegende dat de bevrijding van Mosul een keerpunt zal vormen voor de toekomst van veel van de inheemse volkeren in de regio, met name de christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs), de jezidi's, Turkmenen, shabakken, kaka'i en sjiieten;

C.  overwegende dat de EU deel uitmaakt van de coalitie, humanitaire en stabilisatiehulp verstrekt en tot dusver een bedrag van 134 miljoen EUR ter beschikking heeft gesteld voor de humanitaire hulpverlening in Irak, waarvan 50 miljoen EUR voor Mosul;

D.  overwegende dat Mosul, de op één na grootste en ooit de meest diverse stad van Irak, van de buitenwereld is afgesneden, doordat IS de satelliettelevisie heeft afgesloten, een verbod heeft ingesteld op internet, muziek, films, boeken en al hetgeen in strijd is met de opvattingen van officiële militante beweging, heeft besloten dat het recht om gebruik te maken van een auto is voorbehouden aan de militieleden en onlangs de mobiele telefoons van burgers in beslag heeft proberen te nemen; overwegende dat inwoners die er onlangs in zijn geslaagd te ontsnappen, melding maken van de wanhoop van de bevolking, die aan het verhongeren is en ernaar snakt te worden bevrijd;

E.  overwegende dat de Verenigde Naties, opererend via het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA), tot dusver meer dan 5 000 binnenlands ontheemden heeft geregistreerd, maar ervoor heeft gewaarschuwd dat deze aantallen de komende dagen met maar liefst een miljoen zouden kunnen toenemen, hetgeen tot een ernstige humanitaire crisis zou leiden;

F.  overwegende dat er tienduizenden strijdkrachten bij de opmars tegen IS zijn betrokken, terwijl zich in en rondom Mosul bijna 6 000 strijdkrachten van IS bevinden; overwegende dat het militaire bondgenootschap is samengesteld uit troepen van de Iraakse regering, Koerdische Peshmerga-troepen, soldaten van de internationale alliantie (voornamelijk Amerikanen en enkele Fransen) en sjiitische milities, alsmede uit lokale soennitische stamleden en tal van andere kleine milities wier militaire opleiding deels door Turkije is verzorgd; overwegende dat het naar verwachting enige weken zo geen maanden zal duren voordat de val van Mosul een feit is;

G.  overwegende dat de spanningen tussen de etnische en religieuze groepen in de regio nog verder zijn toegenomen vanwege de aanwezigheid van Turkse toepen in Noord-Irak en de eis van president Erdogan om Turkije een rol te laten spelen bij de herovering van Mosul;

H.  overwegende dat, hoewel de sjiitische Hashd al-Shaabi en de Koerdische Peshmerga zijn overeengekomen niet verder te zullen optrekken dan de buitenwijken van de stad, de werking van de commandostructuur en de uitvoering van plannen voor stabilisering na het conflict ernstig dreigen te worden bemoeilijkt door het grote aantal betrokken actoren; overwegende dat onmiddellijk na het conflict tussen de partijen een waar spanningsveld zou kunnen ontstaan doordat men het niet eens is over de manier van besturen na het conflict en over de wederopbouw van de stad; voorts overwegende dat de macht van de centrale regering van Irak hierdoor op de proef zal worden gesteld;

I.  overwegende dat het gewapende conflict in Irak rampzalige gevolgen heeft voor de burgerbevolking; overwegende dat IS zich in de bezette gebieden schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die in strijd zijn met het internationaal recht, waaronder oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, en elders in Irak bloedige bomaanslagen en andere aanslagen heeft gepleegd;

J.  overwegende dat sinds medio 2014 tienduizenden Irakezen van huis en haard zijn verdreven, zowel door de strijdkrachten van de Iraakse regering en de Peshmerga als door milities, en dat velen, naar men beweert uit veiligheidsoverwegingen, niet naar hun huis mogen terugkeren of worden geconfronteerd met willekeurige en discriminerende beperkingen van hun vrijheid van verkeer; overwegende dat deze binnenlands ontheemden dikwijls zijn veroordeeld tot de vluchtelingenkampen, waardoor de kans gering is dat ze in hun levensonderhoud kunnen voorzien of gebruik kunnen maken van essentiële diensten;

K.  overwegende dat in het verleden duizenden mannen en jongens die het grondgebied van IS wisten te ontvluchten, door veiligheidstroepen of milities werden opgepakt op verdenking van banden met IS, dat sommigen van hen standrechtelijk ter dood werden gebracht en dat eveneens voor het leven en de veiligheid wordt gevreesd van degenen wier lot nog altijd onbekend is;

L.  overwegende dat voornamelijk sjiitische, bij misstanden betrokken milities lange tijd steun hebben gekregen van de Iraakse autoriteiten, die de milities van financiële middelen en wapen voorzagen totdat ze in februari 2016 officieel werden ingelijfd bij de Iraakse troepen;

M.  overwegende dat niet kan worden genegeerd dat de regering een aandeel heeft gehad in deze misstanden; overwegende dat de Iraakse rechtbanken er bovendien om bekend staan dat ze gebruikmaken van afgedwongen bekentenissen om verdachten die terechtstaan voor ernstige aanklachten, tijdens overduidelijk oneerlijke processen te veroordelen, veelal tot de doodstraf; overwegende dat in 2016 tot dusver negentig terechtstellingen hebben plaatsgevonden, voornamelijk op grond van aanklachten in verband met terrorisme; overwegende dat er vele doodvonnissen zijn geveld en dat zo'n 3 000 personen de voltrekking van de doodstraf afwachten;

N.  overwegende dat IS, sinds de opmars richting Mosul van start is gegaan, naar verluidt 284 mannen en jongens heeft opgepakt en ter dood heeft gebracht; overwegende dat de VN onderzoekt of het waar is dat IS-strijdkrachten in één dorp veertig mensen hebben doodgeschoten;

O.  overwegende dat IS-strijdkrachten, in een overduidelijke poging om de aandacht af te leiden van Mosul, de aanval hebben geopend op regeringsgebouwen in de Iraakse stad Kirkuk, waarbij ze naar verluidt huizen en moskeeën binnenvallen en burgers in gijzeling nemen;

1.  erkent dat aan de herovering van Mosul een maandenlange zorgvuldige voorbereiding is voorafgegaan; benadrukt evenwel dat alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat zich soortgelijke ernstige misstanden voordoen als tijdens de gevechten tussen de strijdkrachten van de regering en IS in Fallujah en andere delen van Irak;

2.  verwacht dat de Iraakse autoriteiten op doeltreffende wijze het bevel zullen voeren over en controle zullen uitoefenen op de milities, dat soldaten die in het verleden bij misstanden waren betrokken niet zullen deelnemen aan de operatie Mosul en dat alle betrokken partijen, in de wetenschap dat burgers mogelijk door IS als menselijk schild zullen worden gebruikt, voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat er burgerslachtoffers vallen;

3.  wenst dat de bij de planning van de operatie betrokken Iraakse en Koerdische autoriteiten ervoor zorgen dat burgers die het gevecht ontvluchten, een veilige doortocht wordt geboden;

4.  neemt kennis van de waarschuwing van de VN-coördinator voor humanitaire hulp dat het ontbreekt aan financiële middelen, mocht het offensief van Mosul uitmonden in een ernstige humanitaire noodsituatie; is ingenomen met de betrokkenheid van Egypte in Irak, en is voornamelijk verheugd over de verstrekte humanitaire hulp en de geruimde geïmproviseerde explosieven, zaken die van essentieel belang zijn voor een snelle terugkeer van vluchtelingen en binnenlands ontheemden; roept de EU en de lidstaten niettemin op meer inspanningen te leveren met het oog op de bevordering van de stabiliteit in de bevrijde gebieden;

5.  geeft aan zich oprecht zorgen te maken over de onmiddellijke gevolgen van de strijd om Mosul voor de burgerbevolking, alsmede over de gevolgen op de langere termijn, dit gezien de blijvende onenigheden tussen de Iraakse regering, de regionale regering van Koerdistan en minderheden, waarbij sprake is van interne verdeeldheid binnen Iraakse regio's;

6.  verzoekt alle bij de strijd tegen IS betrokken actoren samen te werken met het oog op het behoud en de versterking van het vermogen van het land om de rechtsstaat en de openbare orde te handhaven, en om zich verre te houden van pogingen tot het vereffenen van oude rekeningen, het voeden van religieuze of etnische vetes en het tot stand brengen van geopolitieke verschuivingen;

7.  staat volledig achter de oproep van de conferentie van Parijs tot een omvattend politiek akkoord tussen de nationale Iraakse autoriteiten en lokale spelers, waarmee de versterking van het bestuur van Mosul en omstreken wordt gewaarborgd en het gebied wordt verzekerd van een inclusief bestuur, dat de diversiteit van zijn bevolking eerbiedigt en ervoor zorgt dat zij vreedzaam samenleeft; benadrukt in het bijzonder hoe belangrijk het is dat de etnische minderheden – die allemaal, ongeacht hun religieuze overtuigingen, met dezelfde uitdagingen op het gebied van de veiligheid worden geconfronteerd – deel uitmaken van de onderhandelingen en onderstreept dat er een nieuwe bestuursstructuur moet worden ingevoerd; meent dat zowel de toekomst van deze minderheden als de terugkeer van de vluchtelingen en binnenlands ontheemden zal afhangen van de stabiliteit van het nieuwe bestuur;

8.  roept de Iraakse regering op de terugkeer van vluchtelingen en binnenlands ontheemden te vergemakkelijken en ervoor te zorgen dat zij hun grondrechten weer kunnen genieten, met inbegrip van hun eigendomsrechten;

9.  neemt met tevredenheid kennis van de plannen van de Iraakse regering om bestuurshervormingen door te voeren en een proces van nationale verzoening in gang te zetten en stelt dat deze maatregelen essentieel zijn om gehoor te geven aan de verlangens van de Iraakse bevolking als geheel en om de eenheid binnen Irak te bewaren;

10.  roept de Iraakse autoriteiten op alle gevangenen, met inbegrip van personen die worden vastgehouden in verband met veiligheidscontroles naar aanleiding van hun ontsnapping uit door IS bezette gebieden, en personen van wie met reden wordt vermoed dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan duidelijk strafbare feiten, onmiddellijk te verwijzen naar de civielrechtelijke instanties, om overeenkomstig het internationaal recht en de internationale normen voor een eerlijk proces te worden verhoord en vervolgd, en hen anders vrij te laten;

11.  wenst dat de Iraanse autoriteiten gedwongen verdwijningen, foltering, standrechtelijke executies en willekeurige opsluiting een halt toeroepen, de schuldigen ter verantwoording roepen, doeltreffende mechanismen voor toezicht en verantwoording instellen, civiele instanties daarbij betrekkend, en maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de Iraakse gewapende strijdkrachten op doeltreffende wijze het bevel voeren over en controle uitoefenen op de paramilitaire milities;

12.  roept de Iraanse regering op tot openbaarmaking van de bevindingen van de commissie die op 5 juni 2016 door de premier van Irak is ingesteld om de misstanden te onderzoeken die tijdens de militaire operaties in het kader van de herovering van Fallujah en omstreken hebben plaatsgevonden; verzoekt de regering voorts om ervoor te zorgen dat deze en de commissie die door de gouverneur van Anbar is ingesteld en haar bevindingen op 11 juni 2016 heeft gepresenteerd, al het gevonden bewijs eveneens ter beschikking stellen van de rechterlijke instanties, zodat de daders voor de rechter kunnen worden gebracht;

13.  dringt er bij de Koerdische autoriteiten op aan een einde te maken aan de willekeurige detenties, alle gevangen die vastzitten wegens aanklachten in verband met terrorisme te verzekeren van een eerlijk proces, en de willekeurige en discriminerende beperkingen van de vrijheid van verkeer van soennitische Arabische binnenlands ontheemden op te heffen;

14.  verzoekt de Iraakse en Koerdische autoriteiten onafhankelijke internationale waarnemers toe te staan tijdelijke gevangenissen en provisorische detentievoorzieningen te bezoeken waar binnenlands ontheemden die de door IS bezette gebieden ontvlucht zijn, veiligheidscontroles ondergaan;

15.  roept de EU en de lidstaten op een doeltreffend toezichtsmechanisme in te stellen om toezicht uit te oefenen op en de tenuitvoerlegging en de gevolgen te beoordelen van huidige en toekomstige, op justitieel en beveiligingspersoneel gerichte programma's voor opleiding en capaciteitsopbouw, met als doel om ervoor te zorgen dat dergelijke programma's ter plaatse tot meetbare verbeteringen leiden en geen schendingen van de mensenrechten in de hand werken;

16.  verzoekt alle lidstaten die hetzij militaire ondersteuning bieden hetzij wapens of aanverwante zaken doorspelen of verkopen aan de centrale regering van Irak of de regionale regering van Koerdistan na te gaan of de ontvangende partij consequent op basis van volledige eerbiediging van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationale humanitair recht opereert, en daarnaast niet alleen de overdracht te staken van technologie, wapens, munitie en andere militaire uitrusting aan eenheden die betrokken zijn bij ernstige schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten of het internationale humanitair recht, maar ook de verlening van steun aan dergelijke eenheden;

17.  vraagt de EDEO, de lidstaten en de internationale gemeenschap om, op praktische en diplomatieke wijze en met bijzondere aandacht voor de mogelijkheid om een autonome provincie te stichten die onder meer Sinjar, Tel Afar en de vlakte van Nineve omvat, ertoe bij te dragen dat na het conflict een duurzame en inclusieve structuur tot stand wordt gebracht in de regio;

18.  wenst dat de EDEO na de bevrijding, en wel tijdens de onderhandelingen met de regionale regering van Koerdistan en de regering van Irak, zijn goede diensten aanbiedt, teneinde ervoor te zorgen dat de wettelijke rechten van de etnische minderheden in de regio, met name de christenen (Chaldeeërs/Syriërs/Assyriërs) en de jezidi's, Turkmenen, shabakken en kaka'i, worden erkend en dat deze minderheden worden opgenomen in de nieuwe bestuurlijke opzet, in de hoop hiermee te voorkomen dat er nieuwe interne conflicten uitbreken tussen deze groepen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, de regionale regering van Koerdistan, de regering van Turkije, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0066.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0011.

Juridische mededeling