Procedure : 2016/2959(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1226/2016

Ingediende teksten :

B8-1226/2016

Debatten :

PV 21/11/2016 - 14
CRE 21/11/2016 - 14

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0439

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 187kWORD 49k
16.11.2016
PE593.655v01-00
 
B8-1226/2016

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-001810/2016

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de afronding van Bazel III (2016/2959(RSP))


Roberto Gualtieri namens de Commissie economische en monetaire zaken
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de afronding van Bazel III (2016/2959(RSP))  
B8-1226/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de conclusies 'van na de crisis' van de topbijeenkomsten van de G20,

–  gezien de verklaring van de ministers van Financiën en de presidenten van de Centrale Banken van de G20 van 27 februari 2016,

–  gezien de verklaring van de ministers van Financiën en de presidenten van de Centrale Banken van de G20 van 14-15 april 2016,

–  gezien de verklaring van de ministers van Financiën en de presidenten van de Centrale Banken van de G20 van 23-24 juli 2016,

–  gezien de verklaring van de leiders van de G20 van 4-5 september 2016,

–  gezien de rapporten van het Bazels Comité van bankentoezichthouders (BCBS) voor de leiders van de G20 met updates over de tenuitvoerlegging van de overeengekomen agenda met hervormingen, en met name het BCBS-rapport voor de leiders van de G20 van november 2015 getiteld 'Finalising post-crisis reforms: an update'(1),

–  gezien de raadplegingsdocumenten van het BCBS van 6 april 2016, over herzieningen van het Bazel III-kader voor de hefboomratio, van 24 maart 2016 getiteld 'Reducing variation in credit risk-weighted assets - constraints on the use of internal model approaches', en van 10 december 2015 over herzieningen van de standaardbenadering voor kredietrisico,

–  gezien het BCBS-discussie- en raadplegingsdocument getiteld 'Regulatory treatment of accounting provisions' van oktober 2016,

–  gezien de BCBS-norm voor 'TLAC-holdings - Wijzigingen aan de Bazel III-norm betreffende de definitie van kapitaal' van oktober 2016(2),

–  gezien de EU Shadow Banking Monitor van het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) van juli 2016,

–  gezien de resultaten van de stresstests zoals gehouden door de Europese Bankenautoriteit (EBA) en gepubliceerd op 29 juli 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van12 juli 2016 over afronding van de hervormingen van Bazel 'van na de crisis'(3),

–  gezien het Global Financial Stability Report van het IMF van 2016,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2016 over de Bankenunie – jaarverslag 2015(4),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2016 over de inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie(5),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de rol van de EU in het kader van de internationale financiële, monetaire en regelgevende instellingen en organen(6),

–  gezien het studiedocument voor zijn commissie Economische en Monetaire Zaken getiteld 'De rol van de Europese Unie in internationale economische fora, nr. 5: het BCBS',

–  gezien de gedachtewisseling met de secretaris-generaal van het Bazels Comité van bankentoezichthouders (BCBS), de heer Bill Coen, met de voorzitter van de raad van toezicht van het SSM, mevrouw Danièle Nouy, met de voorzitter van de EBA, de heer Andrea Enria, en met ondervoorzitter Valdis Dombrovksis van de Commissie over de afronding van Bazel III/Bazel IV,

–  gezien de verklaring van de Commissie over de herziening van de standaardbenadering voor kredietrisico door het Bazels Comité en de gedachtewisseling die daarop volgde met ondervoorzitter Katainen op 6 juli 2016,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de afronding van Bazel III (O-000136/2016 – B8-1810/2016),

–  gezien de door de Commissie economische en monetaire zaken ingediende ontwerpresolutie,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een veerkrachtig en voldoende gekapitaliseerd bankenstelsel een voorwaarde is voor het handhaven van financiële stabiliteit, het verstrekken van passende leningen aan de reële economie gedurende de hele cyclus, en het bevorderen van economische groei;

B.  overwegende dat de leiders van de G20 gedurende de nasleep van de financiële crisis overeenstemming hadden bereikt over een alomvattende hervormingsagenda gericht op aanscherping van de regelgevingsnormen voor internationale banken, inclusief aanscherping van de prudentiële vereisten;

C.  overwegende dat het BCBS bezig is met het uitwerken van internationaal overeengekomen minimumnormen voor prudentiële vereisten voor grote internationaal opererende banken; overwegende dat het BCBS toezicht uitoefent op de toepassing van deze mondiale normen en daarover verslag uitbrengt aan de G20; overwegende dat zijn adviezen een belangrijk instrument zijn voor het voorkomen van regelgevingsversnippering in de wereld;

D.  overwegende dat de Europese Unie de internationaal overeengekomen normen geïmplementeerd heeft in het kader van de kapitaalvereistenverordening (CRR) en de kapitaalvereistenrichtlijn (CRD IV), zij het in een aan de financieringsbehoeften in de EU aangepaste vorm, bijvoorbeeld wat de ondersteuningsfactor voor kmo's betreft, en met een bepaalde mate van flexibiliteit; overwegende dat in de EU besloten is dat deze normen van toepassing zijn op alle banken en niet slechts op de grootste internationaal opererende banken, terwijl sommige niet-Europese landen dat juist wel doen; overwegende dat het belangrijk is de randvoorwaarden op internationaal vlak steeds gelijker te maken; overwegende dat de Commissie verwacht wordt een wetgevingsvoorstel te presenteren voor de herziening van de CRR/CRD IV, gericht op de implementatie van de onlangs overeengekomen herzieningen van het kader van Bazel;

E.  overwegende dat er sprake is van onderlinge verwevenheid tussen en complementariteit van de prudentiële vereisten voor banken enerzijds en andere regelgevingsvereisten, zoals de totale verliesabsorptiecapaciteit (TLAC) en het verplichte gebruik van centrale afwikkeling voor derivaten, anderzijds; overwegende dat het regelgevingskader voor de bankensector in de EU de afgelopen jaren aanmerkelijk is verbeterd, met name middels de totstandbrenging van de Bankenunie;

F.  overwegende dat een goed kader voor financiële stabiliteit en groei alomvattend en evenwichtig moet zijn, en dynamische toezichtspraktijken moet omvatten en zich niet uitsluitend op statische regelgeving - aangaande voornamelijk kwantitatieve aspecten - moet concentreren;

G.  overwegende dat inmiddels vaststaat dat de excessieve variabiliteit in het verleden van risicowegingen en 'strategic risk modelling' gericht op het reduceren van de kapitaalvereisten voor banken, in combinatie met de problemen die de nationale toezichthouders ondervonden bij het beoordelen van de interne modellen, bijgedragen hebben tot de financiële crisis;

H.  overwegende dat de implementatie van de prudentiële vereisten voor verschillende bedrijfsmodellen in de bankensector qua toepassingsgebied en complexiteit aanzienlijk kan verschillen, waarmee een 'unisex'-benadering ondoeltreffend en een onevenredig zware last wordt, met name voor veel kleine, vooral nationaal opererende, minder ingewikkelde en veel zelfstandiger werkende banken, alsook voor hun regelgevers en toezichthouders; overwegende dat dit betekent dat een bepaalde mate van proportionaliteit en flexibiliteit een 'must' is;

I.  overwegende dat het BCBS op dit moment kijkt naar aanvullende wijzigingen van het prudentieel kader voor banken, met name wat betreft het krediet- en het operationeel risico; overwegende dat deze hervormingen voornamelijk gericht zijn op verhoging van de risicogevoeligheid en de robuustheid van de standaardbenadering voor kredietrisico, op verdere aanscherpingen met betrekking tot het gebruik van interne modellen en op afronding van de opzet van de hefboomratio, alsmede op invoering van een potentiële ondergrens voor kapitaal op basis van de standaardbenadering;

J.  overwegende dat de meeste Amerikaanse financiële instellingen de standaardbenadering gebruiken voor het beoordelen van het kredietrisico, terwijl veel grote en middelgrote banken in de EU internationale modellen gebruiken;

K.  overwegende dat een geëigende herziening van de standaardbenadering en eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel een 'conditio sine qua non' zijn om de BCBS-norm aantrekkelijk te maken voor de kleine banken die er voornamelijk gebruik van maken;

L.  overwegende dat de G20 heeft aangegeven dat de huidige herziening niet tot een aanzienlijke verhoging van de algemene kapitaalvereisten moet leiden en dat de lidstaten zich hier tijdens de Ecofin-Raad in juli 2016 bij hebben aangesloten;

M.  overwegende dat de Europese banken nu aan periodieke stresstests van de regelgevende autoriteiten worden onderworpen en dat de resultaten van deze tests openbaar worden gemaakt;

N.  overwegende dat de vertegenwoordigers van niet-EU-landen, zoals Japan, zich ongerust hebben getoond over de toenemende druk op het aantrekken van kapitaal en de hogere kosten voor het in acht nemen van de nieuwe normen;

O.  overwegende dat de BCBS-besluiten geen rechtskracht hebben en in de EU alleen werking hebben na middels de gewone wetgevingsprocedure te zijn omgezet; overwegende dat niet alle nationale bevoegde autoriteiten in het BCBS vertegenwoordigd zijn, en dat de ECB en het SSM volwaardig lid zijn, en dat de Commissie en de EBA de status van waarnemer hebben;

1.  beklemtoont het belang van goede mondiale normen en beginselen voor prudentiële regelgeving voor banken, en verwelkomt het werk dat het BCBS na de crisis op dit vlak heeft verricht;

2.  herhaalt eens te meer dat banken voldoende gekapitaliseerd moeten zijn om de reële economie te ondersteunen, systeemrisico's te reduceren en te vermijden dat banken opnieuw op grote schaal moeten worden geholpen, zoals tijdens de crisis; beklemtoont de noodzaak van passende regelgeving voor de schaduwbankensector, teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie en financiële stabiliteit;

3.  wijst erop dat, anders als in andere landen, banken in Europa een sleutelrol vervullen bij het financieren van de economie en waarschijnlijk de belangrijkste bron van financiering zullen blijven voor huishoudens en ondernemingen, met name kmo's; onderstreept dat er altijd naar is gestreefd dit in de EU-wetgeving tot uitdrukking te laten komen (bijv. middels het gebruik van de ondersteuningsfactor voor kmo's) en dat dit ook zo moet blijven (bijv. door de ondersteuningsfactor te verlengen en uit te breiden); onderkent overigens het belang van het diversifiëren van de bronnen van financiering van de Europese economie, en verwelkomt in dit verband de lopende werkzaamheden in het kader van de kapitaalmarktenunie;

4.  neemt nota van het werk van het BCBS voor de afronding van Bazel III, gericht op grotere eenvoud, vergelijkbaarheid en convergentie van het kader voor risicogewogen kapitaal, teneinde iets te doen aan de excessieve variabiliteit van risicogewogen activa en te komen tot een situatie waarin voor dezelfde risico's ook dezelfde regels gelden; onderstreept de noodzaak van meer transparantie en strengere regels inzake het afleggen van verantwoording, ter vergroting van de legitimiteit van en de betrokkenheid bij de discussies in BCBS-kader; juicht het toe dat de secretaris-generaal van het BCBS in de ECON-commissie is verschenen en hoopt op voortzetting van de dialoog;

5.  beklemtoont dat bij de lopende herziening het door de Groep van gouverneurs en hoofden van toezicht (GHOS) geformuleerde beginsel dat de kapitaalvereisten over de hele linie niet aanzienlijk zullen worden aangescherpt, in acht moet worden genomen, én - tegelijkertijd - de financiële positie van de Europese banken in het algemeen moet worden versterkt;

6.  beklemtoont dat het bevorderen van gelijke randvoorwaarden op mondiaal niveau, middels het verkleinen (in plaats van vergroten) van de verschillen tussen landen en bankmodellen, en onder vermijding van buitensporige lasten voor het Europese bankenmodel, een tweede belangrijk beginsel is, dat evenzeer in acht moet worden genomen;

7.  vindt het zorgwekkend dat een eerste analyse van de onlangs door het BCBS voorgelegde ontwerpteksten erop lijkt te wijzen dat het pakket hervormingen zoals nu geformuleerd de twee hierboven bedoelde beginselen niet in acht lijkt te nemen; vraagt het BCBS zijn voorstellen in de bedoelde richting aan te passen, en de ECB en het SSM de beginselen in kwestie in acht te nemen bij de afronding van en het toezicht op de nieuwe norm;

8.  onderstreept dat deze benadering zou bijdragen tot een consistente toepassing van de nieuwe norm door het Europees Parlement in zijn hoedanigheid als medewetgever;

9.  herinnert aan het belang van het beginsel van proportionaliteit, en dat niet uitsluitend aangaande de omvang van de instellingen waarvoor regelgeving wordt ontwikkeld, maar ook daar waar het gaat om een billijk evenwicht tussen de kosten enerzijds en de baten anderzijds van de regelgeving voor elk van de betrokken partijen;

10.  dringt aan op dialoog en de uitwisseling van goede praktijken tussen de regelgevende instanties betreffende de toepassing van het op EU- en mondiaal niveau overeen te komen beginsel van proportionaliteit;

11.  vraagt het BCBS zowel de kwalitatieve, als de kwantitatieve impact van de nieuwe hervormingen zorgvuldig en volledig in kaart te brengen, en deze impact - vóór de vaststelling van de norm door het Comité - uit te splitsen naar landen en bankmodellen; vindt dat hierbij ook rekening moet worden gehouden met de eerdere hervormingsvoorstellen van het Comité; vraagt het BCBS de nodige aanpassingen door te voeren, mochten er onevenwichtigheden aan het licht komen;

12.  herinnert eraan dat het belangrijk is bij regelgeving voor een risicogebaseerde benadering te kiezen, met toepassing van dezelfde regels voor dezelfde risico's, en vindt dat de kans op regelgevingswillekeur moet worden verkleind en dat de excessieve variabiliteit van risicogewogen activa moet worden gereduceerd; vraagt het BCBS de risicogevoeligheid van de prudentiële regelgeving te handhaven, door er - onder meer - voor te zorgen dat de herziening van de standaardbenadering en de mogelijkheid voor het toepassen van de IRBA niet tot regelgevingswillekeur leiden en in voldoende mate rekening houden met de specifieke kenmerken van de verschillende vormen van financiering, zoals leningen voor onroerend goed, financiering van infrastructuur en gespecialiseerde leningen, en door onevenredige gevolgen voor de reële economie te vermijden; maakt zich in dit verband zorgen over de mogelijke gevolgen voor de reële economie van de voorgestelde introductie van outputminima;

13.  vraagt de Commissie de kwalitatieve en kwantitatieve gevolgen van de recente en de nieuwe hervormingen voor onder andere de financiering van de reële economie in Europa en voor op stapel staande Europese wetgevingsprojecten, zoals de kapitaalmarktenunie, zorgvuldig en volledig in kaart te brengen; vraagt de Commissie rekening te houden met de resultaten van de enquête en de eerste inventarisatie van de werking van de verordening financiële diensten, die eind 2016 wordt verwacht; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de nieuwe BCBS-voorstellen en/of de tenuitvoerlegging daarvan deze initiatieven niet dwarsbomen; beklemtoont dat deze inventarisatie hetgeen tot nu toe op wetgevingsgebied is bereikt niet mag ondermijnen en niet mag worden opgevat als een oproep tot deregulering;

14.  dringt erop aan bij het vaststellen van de hefboomratio volledig rekening te houden met de vereisten voor het verplicht stellen van centrale afwikkeling van derivaten, teneinde de praktijk van het centraal afwikkelen te bevorderen;

15.  herinnert eraan dat zowel bij de effectbeoordelingen, als de kalibratie van de normen terdege rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de Europese bankmodellen, de markten waarop Europese banken opereren, de omvang van de verschillende instellingen en de verschillende risicoprofielen, teneinde de noodzakelijke diversiteit van de Europese bankensector te handhaven en voor proportionaliteit te zorgen; vraagt de Commissie bij het vaststellen van het toepassingsgebied en bij het in EU-wetgeving omzetten van de BCBS-voorstellen rekening te houden met al deze beginselen;

16.  beklemtoont dat de Europese en de nationale banktoezichthouders een fundamentele rol spelen bij het waarborgen van convergentie op het gebied van toezicht in de EU, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en de geschiktheid van de regels voor de verschillende bankmodellen; onderstreept het belang van betrouwbare en vergelijkbare informatie over de situatie van de instellingen waar toezicht op wordt uitgeoefend, met het oog op de doeltreffendheid en betrouwbaarheid daarvan; beklemtoont dat het recht om interne modellen te gebruiken, gehandhaafd moet worden; vraagt het SSM en de EBA hun toezichtstaken voort te zetten, teneinde te garanderen dat de interne modellen op consistente wijze worden toegepast en een weerspiegeling vormen van de risico's van de bedrijfsmodellen van banken, ervoor te zorgen dat hun tekortkomingen op meer uniforme wijze worden aangepakt, en - in voorkomend geval - wijzigingen voor te stellen;

17.  herinnert aan de interactie tussen de prudentiële vereisten voor banken enerzijds en andere belangrijke banknormen anderzijds, zoals de introductie van de TLAC-norm in de EU en de harmonisatie daarvan met het MREL-vereiste in het kader van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD), alsook tussen de prudentiële vereisten in kwestie en de toepassing van de boekhoudnorm IFRS 9 in de nabije toekomst en de Bankenunie; beklemtoont derhalve dat de reflectie over de hervorming van de prudentiële regelgeving rekening moet houden met al deze verschillende elementen, alsmede hun respectieve gevolgen en combinaties van gevolgen;

18.  herinnert eraan dat meerdere grote Europese banken dividend aan aandeelhouders hebben uitgekeerd terwijl ze flink ondergekapitaliseerd waren en ook hun balans niet op consistente wijze hadden opgeschoond;

19.  vraagt de Commissie zich bij haar werkzaamheden te concentreren op een 'small banking box' voor de bankmodellen met het geringste risico en dit geleidelijk uit te breiden tot een beoordeling van de haalbaarheid van een toekomstig regelgevingskader met minder ingewikkelde, beter geëigende en evenredige, speciaal op de verschillende soorten bankmodellen toegesneden prudentiële regels;

20.  beklemtoont het belang van de rol van de Commissie, de Europese Centrale Bank en de Europese Bankenautoriteit bij het werk van het BCBS en bij het verstrekken van transparante en alomvattende updates van de ontwikkelingen in BCBS-kader; dringt erop aan deze rol tijdens bijeenkomsten van Ecofin meer zichtbaarheid te geven en ervoor te zorgen dat beter verantwoording wordt afgelegd aan de ECON-commissie van het Parlement, in concreto in de vorm van regelmatige debriefings door de vertegenwoordigers van de EU in het BCBS;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie.

(1)

http://www.bis.org/bcbs/publ/d344.pdf

(2)

https://www.bis.org/bcbs/publ/d387.htm

(3)

http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2016/07/12-conclusions-banking-reform/

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0093.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0006.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0108.

Juridische mededeling