Procedure : 2016/2993(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1276/2016

Ingediende teksten :

B8-1276/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0450

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 255kWORD 62k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1276/2016
22.11.2016
PE593.710v01-00
 
B8-1276/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de betrekkingen tussen de EU en Turkije (2016/2993(RSP))


Rebecca Harms, Ska Keller, Bodil Valero, Ernest Maragall, Ulrike Lunacek, Barbara Lochbihler, Josep-Maria Terricabras, Helga Trüpel, Pascal Durand, Igor Šoltes, Heidi Hautala, Eva Joly, Bart Staes, Molly Scott Cato, Judith Sargentini, Klaus Buchner, Jean Lambert, Michèle Rivasi namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de betrekkingen tussen de EU en Turkije (2016/2993(RSP))  
B8-1276

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(1) en die van 14 april 2016 over het verslag 2015 over Turkije(2),

–  gezien het EU-onderhandelingskader voor Turkije van 3 oktober 2005,

–  gezien het jaarlijkse voortgangsverslag over Turkije voor 2016 dat de Commissie op 9 november 2016 heeft gepubliceerd (SWD(2016)0366),

–  gezien de opmerkingen van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini van 18 juli 2016 tijdens de gezamenlijke persconferentie met de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry,

–  gezien Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)(3),

–  gezien het recht van vrije meningsuiting, dat is neergelegd in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie en het Europees Parlement de mislukte militaire staatsgreep in Turkije sterk hebben veroordeeld en de legitieme bevoegdheid van de Turkse autoriteiten hebben erkend om degenen die voor deze poging verantwoordelijk zijn en erbij betrokken waren te vervolgen;

B.  overwegende dat Turkije een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie is; overwegende dat de repressieve maatregelen van de Turkse regering in het kader van de noodtoestand disproportioneel zijn, een inbreuk vormen op de democratische waarden waarop de Europese Unie is gegrondvest en in strijd zijn met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; overwegende dat de autoriteiten sinds de staatsgreep tien leden van de Turkse Grote Nationale Vergadering die behoren tot de oppositiepartij HDP en zo'n 150 journalisten hebben gearresteerd (het grootste aantal van dergelijke arrestaties wereldwijd), en overwegende dat 40 000 mensen zijn aangehouden, waarvan er meer dan 31 000 zich nog in hechtenis bevinden, en dat 129 000 ambtenaren ofwel geschorst blijven (66 000) ofwel zijn ontslagen (63 000), in de meeste gevallen tot dusver zonder aanklacht;

C.  overwegende dat president Erdoğan en de Turkse regering herhaaldelijk verklaringen over de herinvoering van de doodstraf hebben afgelegd; overwegende dat vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini heeft herhaald dat "geen enkel land lid van de EU kan worden als het de doodstraf invoert";

D.  overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat over de omstandigheden waarin personen die na de coup zijn gearresteerd en opgesloten, worden vastgehouden, met meldingen van vermeende foltering, mishandeling en gedwongen verdwijningen, en over de ernstige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en de beperkingen in Turkije voor de pers en de media, gezien het feit dat er amper onafhankelijke media overblijven; overwegende dat in bepaalde lidstaten sprake is van een toenemend aantal asielzoekers uit Turkije als gevolg van politieke repressie;

E.  overwegende dat in paragraaf 5 van het onderhandelingskader voor toetredingsonderhandelingen met Turkije wordt bepaald dat de Commissie in geval van een ernstige en voortdurende schending van de principes van vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden en de rechtsstaat zal aanbevelen dat de onderhandelingen worden opgeschort en de voorwaarden zal aangeven waaronder zij kunnen worden hervat; overwegende dat Turkije de criteria van Kopenhagen niet langer voldoende naleeft, aangezien het land de waarden van artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet eerbiedigt; overwegende dat een tijdelijke stopzetting van de onderhandelingen zou betekenen dat de huidige gesprekken worden bevroren, dat er geen nieuwe hoofdstukken worden geopend en dat er geen nieuwe initiatieven worden genomen met betrekking tot de toetreding van Turkije tot de EU, dus ook geen versterking van de douane-unie;

1.  veroordeelt met klem de disproportionele repressieve maatregelen die in Turkije worden doorgevoerd sinds de mislukte militaire machtsovername in juli; verzoekt de Commissie en de lidstaten het initiatief te nemen tot een tijdelijke bevriezing van de lopende toetredingsonderhandelingen, totdat de Turkse regering opnieuw de weg van eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten inslaat;

2.  draagt de Commissie op om voor de hervatting van de toetredingsonderhandelingen duidelijke benchmarks vast te stellen, naast de bepalingen in de criteria van Kopenhagen; benadrukt nogmaals dat de herinvoering van de doodstraf door de Turkse regering zou leiden tot een formele opschorting van de onderhandelingen;

3.  onderstreept dat er pas weer werk zal worden gemaakt van visumliberalisering wanneer Turkije op adequate wijze voldoet aan de in de agenda voor visumliberalisering vastgestelde voorwaarden en er in het land geen misbruik meer wordt gemaakt van de noodtoestand; staat erop dat de lidstaten overeenstemming bereiken over een ambitieus hervestigingsplan voor vluchtelingen en dat de EU ermee stopt vluchtelingen terug te sturen naar Turkije in het kader van de verklaring van de EU en Turkije over migratie;

4.  verzoekt de Commissie stil te staan bij de gevolgen die zouden voortvloeien uit de opschorting van de financiering aan Turkije in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), waarbij rekening wordt gehouden met de invloed van dit besluit op het maatschappelijk middenveld van het land; blijft er echter voor pleiten dat Turkije hecht verbonden blijft met de EU en steunt alle democratische actoren in het land;

5.  is van mening dat momenteel niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad om wapens uit te voeren naar Turkije en verzoekt de lidstaten hun wapenuitvoer naar het land te bevriezen; dringt er bij alle betrokken lidstaten tevens op aan hun strijdkrachten en uitrusting terug te trekken uit Turkije;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regering en het parlement van Turkije, de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0133.

(3)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11.

Juridische mededeling