Procedure : 2016/2993(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1280/2016

Ingediende teksten :

B8-1280/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 168kWORD 69k
22.11.2016
PE593.714v01-00
 
B8-1280/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Turkije (2016/2993(RSP))


Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Isabella Adinolfi, Rolandas Paksas, Beatrix von Storch namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Turkije (2016/2993(RSP))  
B8-1280/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de jongste ontwikkelingen in Turkije,

–  gezien het voortgangsverslag 2016 over Turkije, dat de Commissie op 9 november 2016 heeft gepubliceerd (SWD(2016)0366),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Turkse autoriteiten op 4 november 2016 12 afgevaardigden van de Koerdische Democratische Volkspartij (HDP), waaronder de partijleiders Selahattin Demirtas en Figen Yuksekdag, hebben gearresteerd op grond van een reeks met terrorisme verband houdende beschuldigingen die volgden op het besluit van het Turkse Parlement van mei 2016 om parlementsleden hun immuniteit te ontnemen; overwegende dat deze arrestaties slechts de meest recente escalatie vormen van de onderdrukking van de Koerdische oppositie door de regering na de massale sluiting van mediakanalen, de afzetting van pro-Koerdische burgemeesters en de opeenvolgende onderbrekingen van de internettoegang waarmee belemmering van de communicatie wordt beoogd;

B.  overwegende dat de Turkse autoriteiten op 11 november 2016 de voorzitter van het oppositiedagblad Cumhuriyet hebben gearresteerd, een week nadat diverse hogere personeelsleden, waaronder hoofdredacteur Murat Sabuncu, waren gearresteerd wegens vermeende banden met Fethullan Gülen en de Koerdische Arbeiderspartij, een verboden gewapende groepering;

C.  overwegende dat president Erdoğan zijn zuivering steeds verder doorvoert nu 370 niet‑gouvernementele organisaties, waaronder mensenrechtenorganisaties en op kinderen gerichte organisaties, gesloten zijn vanwege vermeende terroristische banden, en de afgelopen weken meer dan 300 mensen zijn gearresteerd of gevangengenomen zijn; overwegende dat de onderdrukking op bijzonder grote schaal plaatsvindt, aangezien meer dan 110 000 mensen ontslagen of geschorst zijn, en meer dan 35 000 mensen zijn gearresteerd;

D.  overwegende dat president Erdoğan naar verluidt een voorstel wil indienen bij het Parlement dat gevolgd zal worden door een referendum, waarbij dit voorstel het doorvoeren van grondwettelijke wijzigingen betreft die hem in staat zullen stellen als verpersoonlijking van de uitvoerende macht op te treden en presidentiële decreten kan uitvaardigen zonder dat het parlement daarover geraadpleegd hoeft te worden, en aan de macht kan blijven tot 2029;

E.  overwegende dat de herinvoering van de doodstraf tevens op de agenda van de regering staat en dat president Erdoğan heeft gezegd deze maatregel te zullen goedkeuren wanneer het parlement zijn steun ervoor uitspreekt;

F.  overwegende dat een bezoek van een delegatie van het Europees Parlement aan Turkije geannuleerd is nadat de Turkse autoriteiten hadden geweigerd een lid van het Europees Parlement te ontmoeten dat deel uitmaakte van de delegatie en zich kritisch had uitgelaten over de onderdrukking die volgde op de mislukte staatsgreep;

G.  overwegende dat Turkije weliswaar een belangrijke partner is, maar dat het land als kandidaat-lidstaat de strengste democratische normen dient na te leven, met inbegrip van de eerbiediging van de mensenrechten, de rechtsstaat, fundamentele vrijheden en het universele recht op een eerlijk proces;

H.  overwegende dat de toetredingscriteria van Kopenhagen de essentiële voorwaarden zijn waaraan alle kandidaat-lidstaten moeten voldoen om te kunnen toetreden; overwegende dat op grond van de politieke criteria stabiele instellingen vereist zijn die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen;

1.  onderkent dat Turkije weliswaar een belangrijke partner van de EU is, maar is van mening dat beide partners de politieke wil tot samenwerking moeten tonen; meent dat Turkije deze politieke wil niet toont, aangezien het handelen van de regering Turkije verder van het Europese pad af brengt;

2.  is uitermate bezorgd over een verder verval van de grondrechten en de rechtsstaat in Turkije; is van mening dat, na de arrestatie van de covoorzitters van de op één na grootste oppositiepartij in het land, de HDP, en de gevangenneming van verscheidene partijleden, het niet veel meer scheelt of de democratie in het land loopt gevaar;

3.  bevestigt dat voortdurende inperkingen van de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de sluiting van mediakanalen en de arrestatie van journalisten, alsook de voortdurende aanval op de Koerdische minderheid en vrijwel alle mogelijke tegenstanders van president Erdoğan, duidelijk in tegenspraak zijn met de door Turkije gedane toezeggingen bij zijn pogingen tot toetreding tot de EU, en met de internationale verplichting van het land tot eerbiediging van de mensenrechten;

4.  is ongerust over de mogelijkheid dat president Erdoğan constitutionele wijzigingen door weet te voeren om zijn mandaat uit te breiden tot 2029, lang nadat zijn huidige ambtstermijn afloopt;

5.  herinnert eraan dat de EU een fervent en principieel tegenstander van de doodstraf is en dat één van haar belangrijkste doelstellingen de afschaffing van de doodstraf overal ter wereld is; is uitermate bezorgd over de mogelijkheid dat Turkije de doodstraf opnieuw invoert en over de verklaringen van president Erdoğan over dit onderwerp;

6.  onderstreept hoe belangrijk Turkije is voor de EU en haar lidstaten, maar meent dat het pijnlijk duidelijk is dat de politieke criteria van Kopenhagen niet langer door Turkije worden nageleefd; verzoekt de Raad dan ook de toetredingsonderhandelingen onmiddellijk een halt toe te roepen en het betalen van middelen aan Turkije te staken;

7.  is van mening dat onder deze omstandigheden de tenuitvoerlegging van de EU‑Turkijeverklaring van 18 maart 2016, het zogeheten migratieakkoord tussen de EU en Turkije, tevens opgeschort moet worden;

8.  verzoekt de lidstaten een gemeenschappelijk en eensgezind standpunt in te nemen ten aanzien van de ontwikkelingen in Turkije, en verzoekt de Commissie en de EDEO om de situatie in het land te blijven onderzoeken en daarbij alle communicatiekanalen open te houden;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het parlement en de regering van Turkije.

Juridische mededeling