Procedure : 2016/2993(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1281/2016

Ingediende teksten :

B8-1281/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0450

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 261kWORD 71k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1276/2016
22.11.2016
PE593.715v01-00
 
B8-1281/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de betrekkingen tussen de EU en Turkije  (2016/2993(RSP))


Charles Tannock, Angel Dzhambazki, Ruža Tomašić, Jan Zahradil namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de betrekkingen tussen de EU en Turkije  (2016/2993(RSP))  
B8-1281/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(1), die van 14 april 2016 over het verslag 2015 over Turkije(2) en die van 15 januari 2015 over de vrijheid van meningsuiting in Turkije: recente arrestaties van journalisten, mediadirecties en systematische druk op de media(3),

–  gezien het Commissieverslag van 2016 over Turkije,

–  gezien de eerdere toepasselijke conclusies van de Raad,

–  gezien de toepasselijke verklaringen van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini en commissaris Johannes Hahn,

–  gezien de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Turkije van 9 september 2016,

–  gezien de associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije van 12 september 1963,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie, haar lidstaten en Turkije op een groot aantal beleidsterreinen nauw samenwerken; overwegende dat Turkije een kandidaat-lidstaat en een cruciale partner voor de EU is; overwegende dat Turkije sinds 1950 lid van de Raad van Europa en sinds 1952 lid van de NAVO is;

B.  overwegende dat op 15 juli 2016 in Turkije een poging tot staatsgreep heeft plaatsgevonden; overwegende dat de poging tot staatsgreep mislukt is nadat deze door het leger en de veiligheidsdiensten van Turkije en door gewone burgers werd neergeslagen; overwegende dat alle politieke mainstreampartijen de gebeurtenissen scherp hebben veroordeeld; overwegende dat honderden mensen, onder wie veel burgers, om het leven zijn gekomen;

C.  overwegende dat de autoriteiten in de nasleep ervan de noodtoestand hebben afgekondigd, die vanaf 19 oktober met nog eens drie maanden is verlengd en de uitvoerende macht zeer ruime bevoegdheden verleent om per decreet te regeren;

D.  overwegende dat Turkije een formele kennisgeving heeft ingediend tot afwijking van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; overwegende dat niet kan worden afgeweken van de artikelen 2, 3, 4, lid 1, en 7; overwegende dat de Turkse regering ook te kennen heeft gegeven dat ze zal afwijken van 13 artikelen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR);

E.  overwegende dat de Turkse autoriteiten sinds de mislukte staatsgreep meer dan 40 000 soldaten, officieren, politieagenten, rechters, aanklagers, leerkrachten, journalisten en anderen geschorst, ontslagen en aangehouden hebben;

F.  overwegende dat Turkije op de wereldindex voor persvrijheid 2016 de 151e plaats inneemt; overwegende dat de reactie van de regering op de mislukte staatsgreep tot de arrestatie van tientallen journalisten en de opdoeking van talrijke media heeft geleid;

G.  overwegende dat de vijandelijkheden tussen de Turkse staat en PKK-strijdkrachten de jongste maanden aanzienlijk zijn toegenomen en aan vele honderden militairen en burgers het leven hebben gekost; overwegende dat het Turkse leger steeds meer betrokken is bij de conflicten in Syrië en Irak, waarbij een van de voornaamste doelstellingen erin bestaat te voorkomen dat er in het noorden van Syrië een door de Koerden gecontroleerd aangrenzend gebied ontstaat; overwegende dat het Turkse leger daartoe Koerdische milities in Syrië beschiet en bombardeert, met inbegrip van milities die tegen IS/Da'esh strijden;

H.  overwegende dat Turkije opvang biedt aan ongeveer drie miljoen mensen die de oorlog in Syrië ontvlucht zijn; overwegende dat Turkije een belangrijke regionale mogendheid en NAVO-bondgenoot is bij het aanpakken van de gevolgen van het conflict in Syrië, bij de internationale strijd tegen jihadistisch terrorisme in de regio, en bij het aanpakken van de migratiecrisis in het oostelijke Middellandse Zeegebied;

I.  overwegende dat de EU met Turkije een overeenkomst over het beheersen van de vluchtelingen- en migratiestromen heeft gesloten; overwegende dat deze overeenkomst verre van perfect is maar de ongecontroleerde migratiestromen naar de EU wel aanzienlijk heeft ingedamd; overwegende dat de "één-voor-één"-uitwisseling van migranten en vluchtelingen na een trage start begint te werken;

J.  overwegende dat de rechtsstaat en de grondrechten tot de essentiële democratische waarden behoren, en dat Turkije in het kader van zijn kandidatuur voor EU-lidmaatschap alsook op grond van zijn lidmaatschap van de Raad van Europa formeel verplicht is deze waarden te eerbiedigen;

K.  overwegende dat president Recep Tayyip Erdoğan heeft geopperd om een nationaal referendum te houden over de toetredingsonderhandelingen van Turkije met de EU; overwegende dat president Erdoğan ook heeft geopperd dat Turkije de doodstraf weer zou kunnen invoeren;

1.  betreurt ten zeerste dat er doden zijn gevallen bij terroristische aanslagen in Turkije en zegt toe het land te zullen blijven steunen bij de bestrijding van terrorisme;

2.  steunt de Turkse bevolking in haar aspiraties om democratische structuren en vrijheden te behouden en in haar verzet tegen de krachten die deze bedreigen;

3.  veroordeelt de plegers van de couppoging tegen de democratisch verkozen regering van Turkije en erkent het recht en de verantwoordelijkheid van de Turkse regering om op de poging tot staatsgreep te reageren, mede door het uitroepen van de noodtoestand; benadrukt dat de autoriteiten inzake de eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat de hoogst mogelijke normen in acht moeten nemen, overeenkomstig de internationale verplichtingen van Turkije; benadrukt dat het noodzakelijk is dat Turkije mechanismen instelt die bescherming bieden tegen misbruik en de scheiding der machten en de rechtsstaat handhaven; spoort de Turkse regering ertoe aan gematigd en proportioneel op de coup van juli te reageren; wijst de Turkse regering voorts op haar verantwoordelijkheid, als lid van de Raad van Europa, om het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens te eerbiedigen;

4.  veroordeelt de grotere onderdrukking van de media, het maatschappelijk middenveld en de politieke oppositie na de mislukte staatsgreep; roept de Turkse regering ertoe op een einde te maken aan het toenemende gebruik van antiterreurwetgeving tegen journalisten en de oppositie;

5.  uit zijn grote bezorgdheid over het gebruik van de noodtoestand om kritiek op de Turkse regering te smoren door media op te doeken en journalisten te arresteren en op te sluiten; spreekt zijn volledige steun uit voor de campagne #journalismisnotacrime en is van mening dat vrije en pluriforme media de democratie en de vrijheden in Turkije en elders versterken;

6.  verzoekt Turkije de rechten van religieuze minderheden te eerbiedigen om de vrijheid van godsdienst of overtuiging en de daarmee gepaard gaande vrijheid van meningsuiting, van vereniging en van vreedzame vergadering uit te oefenen;

7.  betreurt dat het vredesproces tussen de Turkse autoriteiten en de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) mislukt is, en dringt sterk aan op nieuwe inspanningen voor een vreedzame oplossing van de aanslepende geschillen;

8.  is verheugd over de rol die Turkije speelt bij de aanpak van de humanitaire crisis vanwege het conflict in Syrië, en zegt de Turkse autoriteiten en hulporganisaties in Turkije aanhoudende steun toe;

9.  roept het Turkse leger ertoe op de Koerdische strijdkrachten in het noorden van Syrië die deelnemen aan de strijd tegen de terroristische organisatie IS/Da'esh, niet langer te bestoken;

10.  dringt aan op de ontwikkeling en verbetering van de betrekkingen tussen de Europese Unie, haar lidstaten en Turkije op een groot aantal beleidsterreinen van wederzijds belang, waaronder handel, veiligheid en interpersoonlijke contacten; vraagt president Erdoğan daarom met klem zijn anti-EU-retoriek te stoppen, bezoeken van (verkozen) EU‑ambtsdragers toe te staan en de democratie en de rechtsstaat in Turkije niet verder te ondermijnen;

11.  hoopt dat twee Tsjechische burgers, Markéta Všelichová en Miroslav Farkas, die door de Turkse autoriteiten zijn gearresteerd en ervan worden beschuldigd de Koerdische Volksbeschermingseenheden in Syrië te steunen, een eerlijk proces krijgen dat aan de hoogste internationale normen beantwoordt, en dat hun grondrechten worden gewaarborgd; verlangt dat de ambassade van de Tsjechische Republiek en de EU‑delegatie in Turkije volledig op de hoogte worden gehouden van de onderzoeken en gerechtelijke procedures in verband met deze zaak;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0133.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0014.

Juridische mededeling