Procedure : 2016/2993(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1283/2016

Ingediende teksten :

B8-1283/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0450

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 260kWORD 61k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1276/2016
22.11.2016
PE593.717v01-00
 
B8-1283/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de betrekkingen tussen de EU en Turkije (2016/2993(RSP))


Gianni Pittella, Kati Piri, Knut Fleckenstein, Nikos Androulakis, Zigmantas Balčytis, Brando Benifei, José Blanco López, Vilija Blinkevičiūtė, Nicola Caputo, Nicola Danti, Isabella De Monte, Jean-Paul Denanot, Doru-Claudian Frunzulică, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Sylvie Guillaume, Liisa Jaakonsaari, Agnes Jongerius, Eva Kaili, Miapetra Kumpula-Natri, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Krystyna Łybacka, Costas Mavrides, Alessia Maria Mosca, Demetris Papadakis, Emilian Pavel, Pina Picierno, Miroslav Poche, Gabriele Preuß, Monika Smolková, Tibor Szanyi, Paul Tang, Marc Tarabella, Elena Valenciano namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de betrekkingen tussen de EU en Turkije (2016/2993(RSP))  
B8-1283/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(1) en die van 14 april 2016 over het verslag 2015 inzake Turkije(2),

–  gezien het EU-onderhandelingskader voor Turkije van 3 oktober 2005,

–  gezien het jaarlijkse voortgangsverslag 2016 over Turkije, dat de Commissie op 9 november 2016 heeft gepubliceerd (SWD(2016)0366),

–  gezien de conclusies van de Raad over Turkije van 18 juli 2016,

–  gezien Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)(3),

–  gezien het recht van vrije meningsuiting, dat is neergelegd in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), waarbij Turkije partij is,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie en het Europees Parlement de mislukte militaire staatsgreep in Turkije sterk hebben veroordeeld en de legitieme bevoegdheid van de Turkse autoriteiten hebben erkend om degenen die voor deze poging verantwoordelijk zijn en erbij betrokken waren, te vervolgen;

B.  overwegende dat Turkije een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie is; overwegende dat de repressieve maatregelen van de Turkse regering in het kader van de noodtoestand disproportioneel zijn en in strijd zijn met de fundamentele rechten en vrijheden die in de Turkse grondwet zijn verankerd, de democratische waarden waarop de Europese Unie is gegrondvest en het IVBPR; overwegende dat de autoriteiten sinds de staatsgreep tien leden van de Turkse Grote Nationale Vergadering hebben gearresteerd, alsook circa 150 journalisten – het hoogste cijfer ter wereld; overwegende dat er 2 386 rechters en openbare aanklagers en 40 000 andere mensen zijn aangehouden, waarvan er meer dan 31 000 zich nog in hechtenis bevinden; overwegende dat 129 000 ambtenaren ofwel geschorst blijven (66 000) ofwel zijn ontslagen (63 000), in de meeste gevallen tot dusver zonder aanklacht;

C.  overwegende dat president Erdoğan en de Turkse regering herhaaldelijk verklaringen over de herinvoering van de doodstraf hebben afgelegd; overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 18 juli 2016 over Turkije nogmaals heeft benadrukt dat de ondubbelzinnige verwerping van de doodstraf een essentieel onderdeel is van het acquis van de Unie;

D.  overwegende dat er ernstige bezorgdheid is uitgesproken over de omstandigheden van degenen die na de staatsgreep zijn gearresteerd en opgesloten, met meldingen van vermeende foltering en mishandeling, over het ontslag op grote schaal van overheidsambtenaren, die nog altijd wachten op een eerlijk proces, en over de ernstige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en voor de pers en de media in Turkije, als gevolg waarvan er amper onafhankelijke media overblijven;

E.  overwegende dat in paragraaf 5 van het onderhandelingskader voor toetredingsonderhandelingen met Turkije wordt bepaald dat de Commissie in geval van een ernstige en voortdurende schending van de principes van vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden en de rechtsstaat zal aanbevelen dat de onderhandelingen worden opgeschort en de voorwaarden zal voorstellen waaronder zij kunnen worden hervat; overwegende dat Turkije niet meer voldoet aan de criteria van Kopenhagen, aangezien het land de waarden van artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet eerbiedigt; overwegende dat een tijdelijke stopzetting van de onderhandelingen zou betekenen dat de huidige gesprekken worden bevroren, dat er geen nieuwe hoofdstukken worden geopend en dat er geen nieuwe initiatieven worden genomen met betrekking tot de toetreding van Turkije tot de EU;

1.  veroordeelt met klem de disproportionele repressieve maatregelen die in Turkije zijn ingevoerd sinds de mislukte militaire machtsovername in juli; verzoekt de Commissie en de lidstaten de lopende toetredingsonderhandelingen tijdelijk te bevriezen, totdat de Turkse regering terugkeert op de weg naar eerbiediging van de rechtsstaat en de mensenrechten; blijft er echter voor pleiten dat Turkije geassocieerd blijft met de EU, en is ervan overtuigd dat de EU de aangewezen plaats is voor een democratisch Turkije; wijst nogmaals op de inspanningen van de EU met het oog op positieve en strategische samenwerking met Turkije;

2.  belooft zijn standpunt over de tijdelijke bevriezing van de toetredingsgesprekken te herzien zodra de noodtoestand in Turkije wordt opgeheven;

3.  benadrukt nogmaals dat de herinvoering van de doodstraf door de Turkse regering zou leiden tot een formele opschorting van het toetredingsproces;

4.  benadrukt dat er pas werk zal worden gemaakt van visumliberalisering wanneer Turkije op adequate wijze voldoet aan de in de agenda voor visumliberalisering uiteengezette voorwaarden;

5.  verzoekt de Commissie stil te staan bij de gevolgen die zouden voortvloeien uit de opschorting van de financiering aan Turkije in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), waarbij rekening wordt gehouden met de invloed van dit besluit op het maatschappelijk middenveld van het land; verzoekt de Commissie in het voor 2017 geplande tussentijdse evaluatieverslag over het IPA ook in te gaan op de jongste ontwikkelingen in Turkije;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regering en het parlement van Turkije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0133.

(3)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11.

Juridische mededeling