Procedure : 2017/2593(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0243/2017

Ingediende teksten :

B8-0243/2017

Debatten :

PV 05/04/2017 - 6
CRE 05/04/2017 - 6

Stemmingen :

PV 05/04/2017 - 7.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 177kWORD 55k
31.3.2017
PE598.584v01-00
 
B8-0243/2017

naar aanleiding van het debat over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))


David Coburn, Beatrix von Storch namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken (2017/2593(RSP))  
B8-0243/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 3, lid 5, artikel 4, lid 3, en artikel 8 VEU,

–  gezien de artikelen 217 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de kennisgeving van de premier van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU,

–  gezien zijn resolutie van 28 juni 2016 over de beslissing om de EU te verlaten als gevolg van het referendum in het Verenigd Koninkrijk(1),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 23 juni 2016 51,8 % van de kiezers in het VK (17,4 miljoen mensen) voor vertrek uit de Europese Unie hebben gestemd; stelt vast dat de opkomst voor dit referendum hoger was dan voor de eerder gehouden algemene verkiezingen;

B.  overwegende dat met de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad het proces begint waarmee het Verenigd Koninkrijk ophoudt een lidstaat van de Europese Unie te zijn en de Verdragen niet langer op dat land van toepassing zullen zijn;

C.  overwegende dat de uittreding ordelijk moet worden geregeld;

D.  overwegende dat een lidstaat het soevereine recht heeft zich uit de Europese Unie terug te trekken;

E.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk in de kennisgeving van 29 maart 2017 zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt om niet meer onder de rechtsmacht van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vallen;

F.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk in dezelfde kennisgeving ook heeft aangegeven dat noch het lidmaatschap van de interne markt, noch het lidmaatschap van de douane-unie onderdeel van zijn toekomstige betrekkingen met de Europese Unie zal uitmaken;

G.  overwegende dat in 1985 Groenland de EEC verliet, en in 1962 Algerije;

H.  overwegende dat de "Leave"-campagne hoofdzakelijk heeft gewonnen op kwesties als beheersing van de immigratie, terughalen van bevoegdheden en beëindiging van budgettaire bijdragen aan de Europese Unie;

Het voeren van de onderhandelingen

1.  respecteert de democratische wens van de Britse bevolking die heeft gestemd voor uittreding uit de Europese Unie en terugnemen van de controle over hun land;

2.  verwelkomt de kennisgeving van de regering van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad, waarmee het besluit van dat land om zich terug te trekken uit de Europese Unie wordt geformaliseerd;

3.  dringt erop aan zo snel mogelijk te beginnen met de onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk zoals bedoeld in artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

4.  stelt vast dat de Europese Unie en haar lidstaten zijn verplicht om:

a) "met de naburige landen bijzondere betrekkingen ... die gebaseerd zijn op samenwerking" te ontwikkelen, ingevolge artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);

b) "belemmeringen voor de internationale handel" geleidelijk weg te werken, ingevolge artikel 21, lid 2, onder e), VEU;

c) elkaar "krachtens het beginsel van loyale samenwerking" te respecteren en elkaar "bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien" te steunen, ingevolge artikel 4, lid 3 VEU, waarin daarom het artikel 50-proces zelf ook moet worden begrepen;

d) "alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen" te verbieden, ingevolge artikel 63, lid 1 VWEU;

5.  wijst erop dat het in het belang is van alle partijen dat de onderhandelingen ingevolge artikel 50 VEU worden gevoerd overeenkomstig het rechtsstaatbeginsel, met zo weinig mogelijk economische onrust, zowel tijdens de onderhandelingen als daarna;

6.  meent dat uit bovenstaande voortvloeit dat de EU-instellingen, de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk de plicht hebben om te goeder trouw aan de onderhandelingen te beginnen;

Thematische prioriteiten

Vrij verkeer

7.  stelt vast dat het vrije personenverkeer heeft bijgedragen aan loonkrimping, onhoudbare druk op openbare diensten en huisvesting, grensoverschrijdende misdaad in de hand heeft gewerkt en de veiligheidssituatie in zowel het VK als in Europa heeft verslechterd;

8.  is van mening dat een toekomstige overeenstemming tussen EU en VK niet de voortzetting van het vrije personenverkeer dient te omvatten; stelt dat voortzetting van het vrije personenverkeer een verraad aan de wil van het Britse volk zou zijn;

Wederzijdse rechten

9.  merkt op dat naar schatting 2,9 miljoen EU-burgers in het VK wonen en ongeveer 1,2 miljoen Britse burgers in de EU-lidstaten;

10.  meent daarom dat er zo vroeg mogelijk een snelle oplossing moet worden overeengekomen voor de wederzijdse verblijfsrechten om deze burgers gerust te stellen en geen onnodige onrust of stress te veroorzaken; onderstreept dat deze kwestie niet als troef in de onderhandelingen mag worden ingezet;

11.  benadrukt dat Britse burgers die vijf jaar of langer legaal in een andere EU-lidstaat hebben gewoond recht hebben op de status van langdurig ingezetene als omschreven in artikel 4 van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad;

Begroting

12.  onderstreept dat het VK meer aan de EU-begroting bijdraagt dan het terugontvangt; merkt op dat de huidige MFK-begroting in huidige prijzen meer dan 1 triljoen EUR bedraagt; wijst erop dat volgens het verslag van de Rekenkamer over 2015 de EU-begroting een geschat foutenpercentage van 3,8 % vertoont;

13.  benadrukt dat overeenkomstig de MFK-verordening de Commissie tegen eind 2017 haar voorstellen voor het MFK na 2020 zal indienen, waarin rekening zal moeten worden gehouden met het besluit van het VK om uit de EU te stappen; benadrukt dat in dit toekomstige voorstel voor het MFK geen bijdrage van het VK moet zijn inbegrepen en dat het voorstel geen juridische betalingsverplichtingen voor het VK mag inhouden;

14.  beklemtoont voorts dat zodra de verdragen ophouden te gelden zoals geregeld in artikel 50, lid 3, de wetgeving krachtens die verdragen, waaronder de MFK-verordening en de rechtsmacht van het Hof van Justitie, eveneens ophouden te gelden; onderstreept daarom dat zodra het VK de Unie verlaat, er geen juridische verplichting meer op het VK rust om aan het huidige of toekomstige MFK te blijven bijdragen;

15.  is van mening dat de verschillende suggesties voor financiële afrekening zoals de nota van betalingsverplichtingen voor de Begrotingscommissie bedoeld lijken om die cijfers op te blazen om daarmee een niet-bestaande onderhandelingstroef te fabriceren; verwerpt daarom het idee van een "EU-boedelverdeling" of andere financiële regeling zoals dat in de pers de ronde doet;

16.  onderstreept dat als het VK aan enig EU-programma wil blijven deelnemen, dit de beslissing moet zijn van de regering die op dat moment aan de macht is, en dat eventuele financiële bijdragen van geval tot geval moeten worden bekeken zoals ook bij onderhandelingen met derde landen gebeurt; merkt op dat bijvoorbeeld Israël als derde land toegang heeft tot EU-programma's zonder aan het MFK bij te dragen;

Handel en de interne markt

17.  onderstreept dat de premier van het VK, de Chancellor of the Exchequer en prominente "Leave"-voorstanders gedurende de gehele referendumcampagne duidelijk hebben aangekondigd dat uittreding uit de EU ook afscheid van de interne markt zou betekenen;

18.  onderstreept dat een land geen lid van de EU hoeft te zijn of een handelsovereenkomst met de EU nodig heeft voor "toegang" tot de interne EU-markt; wijst erop dat China, de Verenigde Staten, Rusland, Japan, India en Brazilië in 2015 voor zo'n 864 miljard EUR aan goederen naar de EU hebben geëxporteerd; wijst erop dat geen van die landen een "vrij personenverkeer" met de Unie heeft, of zelfs maar een handelsverdrag;

19.  onderstreept dat artikel 50, lid 2, van het VEU bepaalt dat "de Unie na onderhandelingen met deze staat een akkoord over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie"; gelooft daarom dat nu handel zo'n belangrijk element in deze toekomstige betrekkingen zal zijn, een handelsregeling ook in het kader van de onderhandelingen moet worden overeengekomen;

20.  juicht toe dat het VK in de Wereldhandelsorganisatie weer zijn stem laat horen en zijn volle rechten laat gelden;

21.  juicht toe dat het VK zijn volledige rechten heeft herwonnen voor het aangaan van handelsovereenkomsten en het volgen van zijn eigen handels- en buitenlands beleid;

22.  constateert dat het VK een handelsdeficit heeft ten opzichte van de EU; wijst erop dat het VK de grootste importeur is van goederen uit de EU; dringt daarom aan op een redelijke en snelle handelsovereenkomst tussen de EU en het VK;

23.  ziet geen beletsel voor het VK om nu reeds te beginnen met handelsbesprekingen met derde landen, die juridisch gezien ook in een overeenkomst kunnen uitmonden, mits het vertrek van het VK uit de EU daarin als voorwaarde wordt opgenomen;

Slotbepalingen

24.  onderstreept dat de onderhandelingen moeten worden afgerond met beëindiging van de rechtsmacht van het HvJ-EU in het VK;

25.  meent dat een definitieve regeling van de visserijrechten alleen acceptabel zal zijn bij volledige terugkeer van het visserijbeleid naar het VK; onderstreept dat de EU het VK zijn volledig onafhankelijke rechten moet laten doen gelden op beheer en behoud van zijn wateren en zijn exclusieve economische zone zoals omschreven in het VN-zeerechtverdrag;

26.  stelt vast dat er onder de bevolking van Noord-Ierland en de Republiek Ierland grote bezorgdheid leeft over de mogelijkheid dat er een harde grens wordt ingesteld; onderstreept evenwel dat de Common Travel Area niet afhankelijk is van het lidmaatschap van de EU;

27.  stelt vast dat er onder de bevolking van Gibraltar grote bezorgdheid leeft over de grens tussen Gibraltar en Spanje; onderstreept daarom dat de uittredingsonderhandelingen niet mogen worden gebruikt als mandaat om de soevereiniteit van Gibraltar ter discussie te stellen en obstakels langs de grens tussen Gibraltar en Spanje op te richten;

28.  gelooft dat de uittreding van het VK andere landen kan aanmoedigen om ook de EU te verlaten; erkent dat verlaten van de EU veel economisch en democratisch potentieel biedt;

o

o    o

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0294.

Juridische mededeling