Procedure : 2017/2656(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0296/2017

Ingediende teksten :

B8-0296/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/05/2017 - 10.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 169kWORD 46k
10.5.2017
PE603.751v01-00
 
B8-0296/2017

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Hongarije (2017/2656(RSP))


Manfred Weber namens de PPE-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2017/2656(RSP))  
B8‑0296/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de artikelen 2 en 6,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,

–  gezien de Algemene Verklaring van de rechten van de mens en de vele verdragen van de Verenigde Naties over de mensenrechten, die bindend zijn voor alle lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien zijn resoluties van 16 december(1) en 10 juni 2015(2) over de situatie in Hongarije, zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(3), van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(4) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(5),

–  gezien de hoorzitting over de situatie in Hongarije die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 27 februari 2017 heeft gehouden,

–  gezien het plenaire debat van 26 april 2017 over de situatie in Hongarije,

–  gezien de Verklaring van Rome van de leiders van 27 lidstaten en de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie, aangenomen op 25 maart 2017,

–  gezien Wet CLXVIII van 2007 over de afkondiging van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, die op 17 december 2007 door de Nationale Vergadering werd aangenomen,

–  gezien resolutie 2162 (2017) van 27 april 2017 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa met als titel "Alarming developments in Hungary: draft NGO law restricting civil society and possible closure of the European Central University" (Alarmerende ontwikkelingen in Hongarije: ontwerpwet inzake ngo's waardoor het maatschappelijk middenveld wordt beperkt en de mogelijke sluiting van de Central European University),

–  gezien de verklaring van 8 maart 2017 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de nieuwe Hongaarse wet waardoor asielzoekers automatisch kunnen worden vastgehouden, en zijn brief van 27 april 2017 aan de voorzitter van de Nationale Vergadering van Hongarije met een oproep om de voorgestelde ontwerpwet over met buitenlands kapitaal gefinancierde ngo's te verwerpen,

–  gezien het besluit van de Commissie om een inbreukprocedure tegen Hongarije te starten met betrekking tot de wet tot wijziging van de wet op het hoger onderwijs alsook andere inbreukprocedures in het pakket van april,

–  gezien de reactie van de Commissie op de Hongaarse nationale raadpleging "Stop Brussel",

–  gezien het bezoek van commissaris Avramopoulos aan Hongarije op 28 maart 2017,

–  gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan vicevoorzitter Frans Timmermans met een verzoek om het standpunt van de Commissie over de vraag of de wet tot wijziging van bepaalde wetten met betrekking tot de versterking van de procedure in het bewaakte grensgebied strookt met de bepalingen van het asielacquis van de Unie, alsook met het Handvest van de grondrechten bij de uitvoering van de in deze wet vermelde maatregelen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie gestoeld is op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben (artikel 2 Verdrag betreffende de Europese Unie, VEU);

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie deel uitmaakt van het primaire recht van de EU dat alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van onder meer geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat in het Handvest is bepaald dat de kunsten en het wetenschappelijk onderzoek vrij zijn en dat de academische vrijheid moet worden geëerbiedigd; overwegende dat het Handvest ook de vrijheid waarborgt om instellingen voor onderwijs op te richten met inachtneming van de democratische beginselen;

D.  overwegende dat de vrijheid van vereniging moet worden beschermd; voorts overwegende dat een dynamisch maatschappelijk middenveld een essentiële rol speelt bij de bevordering van de participatie van het publiek in het democratische proces en de verantwoordelijkheid van regeringen ten opzichte van hun juridische verplichtingen, waaronder de bescherming van de grondrechten en het milieu en de bestrijding van corruptie;

E.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

F.  overwegende dat Hongarije sinds 2004 lid is van de Europese Unie; voorts overwegende dat een groot deel van de Hongaarse bevolking, volgens opiniepeilingen, voorstander is van het EU-lidmaatschap van het land;

G.  overwegende dat de recentste ontwikkelingen in Hongarije, in het bijzonder de wet tot wijziging van bepaalde wetten met betrekking tot strengere procedures op het vlak van grensbeheer en asiel, de wet tot wijziging van de wet op het hoger onderwijs en de voorgestelde wet inzake de transparantie van organisaties die vanuit het buitenland gefinancierd worden (Wet T/14967), aanleiding hebben geven tot bezorgdheden over de vraag of zij stroken met de EU-wetgeving en het Handvest van de grondrechten;

1.  herinnert eraan dat de in artikel 2 VEU verankerde waarden door alle EU-lidstaten moeten worden gehandhaafd;

2.  vraagt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, de situatie in Hongarije grondig te beoordelen en de Hongaarse regering volledig te steunen in haar inspanningen om gepaste oplossingen te zoeken voor de geformuleerde bezwaren;

3.  vraagt de Hongaarse regering een dialoog aan te gaan met de Commissie; herhaalt dat beide zijden dergelijke dialoog moeten aangaan op een onpartijdige, op feitelijke gegevens gebaseerde en coöperatieve manier;

4.  vraagt de Hongaarse regering ondertussen gevolg te geven aan de aanbevelingen in resolutie 2162 (2017) van 27 april 2017 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa;

5.  verzoekt de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken het debat te hernemen en de noodzakelijke maatregelen te nemen als de Hongaarse regering niet de gepaste maatregelen heeft getroffen om de situatie binnen de door de Commissie bepaalde deadline aan te pakken en als een duidelijk risico op ernstige schending van de in artikel 2 VEU verankerde waarden werd vastgesteld;

6.  wenst dat de Commissie het Parlement op de hoogte houdt van haar bevindingen;

7.  herhaalt dat een regelmatig monitoringproces en een regelmatige dialoog noodzakelijk zijn, waarbij alle lidstaten, de Raad, de Commissie en het Parlement worden betrokken, om de fundamentele waarden van de EU als democratie, de grondrechten en de rechtsstaat te vrijwaren en niet met twee maten te meten, zoals vooropgesteld in de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016 betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6);

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, aan de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0461.

(2)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46.

(3)

PB C 75 van 26.2.2016, blz. 52.

(4)

PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 27.

(5)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.

Juridische mededeling