Procedure : 2017/2636(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0396/2017

Ingediende teksten :

B8-0396/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/06/2017 - 8.11
CRE 14/06/2017 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0265

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 270kWORD 59k
7.6.2017
PE605.505v01-00
 
B8-0396/2017

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8‑0217/2017

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh (2017/2636(RSP))


Bernd Lange, Sajjad Karim namens de Commissie internationale handel
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de stand van de tenuitvoerlegging van het duurzaamheidspact in Bangladesh (2017/2636(RSP))  
B8‑0396/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over vrijheid van meningsuiting in Bangladesh(1),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh(2),

–  gezien zijn resolutie van 18 september 2014 over mensenrechtenschendingen in Bangladesh(3),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bangladesh, met name die van 16 januari 2014(5), 21 november 2013(6) en 14 maart 2013(7),

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(8) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(9),

–  gezien zijn resoluties van 6 februari 2013 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: verantwoordelijk en transparant zakelijk gedrag en duurzame groei(10), en over maatschappelijk verantwoord ondernemen: het bevorderen van de belangen in de samenleving en de weg naar duurzaam en inclusief herstel(11),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 april 2017 getiteld "Sustainable garment value chains through EU development action" (Duurzame waardeketens voor kleding via EU-ontwikkelingsactie) (SWD(2017)0147),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een vernieuwde EU-strategie 2011‑2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681) en de resultaten van de openbare raadpleging over de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de richting van haar beleid inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen na 2014,

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling,

–  gezien het Duurzaamheidspact ter continue verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–  gezien de technische statusverslagen van de Commissie over het Duurzaamheidspact Bangladesh van juli 2016 en 24 april 2015,

–  gezien het verslag van het werkbezoek van 23 januari 2017 van zijn Commissie internationale handel naar aanleiding van de ad‑hocdelegatie naar Bangladesh (Dhaka) van 15 tot en met 17 november 2016,

–  gezien het in oktober 2013 van start gegane programma "Better Work Bangladesh" van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien het verslag van de tripartite IAO-missie op hoog niveau en de opmerkingen van 2017 van de IAO-commissie van deskundigen voor de naleving van verdragen en aanbevelingen met betrekking tot verdragen 87 en 98,

–  gezien de speciale paragraaf in het verslag van de IAO-commissie over de toepassing van de normen van de IAO-Conferentie van 2016 en gezien de in 2017 bij het Comité voor vakbondsvrijheid van de IAO ingediende klacht over het hardhandige optreden van de regering tegen werknemers in de confectiesector in Ashulia in december 2016 en de bij de speciale gezanten van de VN ingediende klacht over het hardhandige optreden in Ashulia,

–  gezien de VN-Verklaring van Johannesburg over duurzame consumptie en productie ter bevordering van sociale en economische ontwikkeling,

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD,

–  gezien de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten, waarin voor zowel regeringen als bedrijven een kader is vastgelegd om mensenrechten te beschermen en te eerbiedigen, die in juni 2011 werden onderschreven door de Mensenrechtenraad,

–  gezien het Mondiaal Pact van de VN inzake mensenrechten, arbeid, milieu en corruptiebestrijding,

–  gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen,

–  gezien het gezamenlijk kwartaalverslag over het Akkoord van 31 oktober 2016 over de vorderingen bij de herstelmaatregelen in kledingfabrieken waarop het Akkoord van toepassing is,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de stand van zaken rond de uitvoering van het Duurzaamheidspact Bangladesh (O-000037/2017 – B8‑0217/2017),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Bangladesh de tweede kledingproducent ter wereld is geworden en dat de textielsector goed is voor bijna 81 % van de totale export van het land; overwegende dat 60 % van de kledingproductie van Bangladesh bestemd is voor de EU, de belangrijkste exportmarkt van het land;

B.  overwegende dat de confectiekledingindustrie in Bangladesh werk biedt aan 4,2 miljoen mensen in 5 000 fabrieken en indirect voorziet in het levensonderhoud van wel 40 miljoen mensen, dat wil zeggen ongeveer een kwart van de bevolking van Bangladesh; overwegende dat de confectie-industrie belangrijk heeft bijgedragen aan armoedevermindering en aan de emancipatie van vrouwen; overwegende dat vrouwen, meestal uit meestal landelijke gebieden, 80 % van het personeel in de confectie-industrie in Bangladesh uitmaken; overwegende dat 80 % van de werkenden echter nog steeds in de informele sector werkzaam is; overwegende dat de complexe toeleveringsketens in de confectiesector en het lage niveau van transparantie mensenrechtenschendingen faciliteren en uitbuiting in de hand werken; overwegende dat het minimumloon in de confectiesector onder de armoedegrens van de Wereldbank is gebleven;

C.  overwegende dat gendergelijkheid een drijvende kracht voor ontwikkeling is; overwegende dat vrouwenrechten deel uitmaken van het mensenrechtenspectrum; overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en dat de EU derhalve de taak heeft gendergelijkheid in al haar beleid te integreren om ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen op voet van gelijkheid profiteren van sociale vooruitgang, economische groei en fatsoenlijke banen, een einde te maken aan discriminatie en de eerbiediging van de rechten van vrouwen in de wereld te bevorderen;

D.  overwegende dat ongeveer 10 % van de werknemers in de confectiesector in exportproductiezones (EPZ's) werkzaam is; overwegende dat de arbeidswetgeving in de EPZ's werknemers niet voldoende basisrechten garandeert in vergelijking met werknemers elders in Bangladesh; overwegende dat een grote uitbreiding van de EPZ's is gepland;

E.  overwegende dat de genereuze unilaterale EU-handelspreferenties uit hoofde van het "alles-behalve-wapens"-initiatief ten behoeve van de minst ontwikkelde landen (MOL's), waarin de SAP-verordening voorziet, die tariefvrije toegang biedt voor textiel uit Bangladesh op grond van flexibele oorsprongsregels, een beduidende bijdrage leveren aan dit succesverhaal van de omvangrijke Bengaalse kledingexport en banengroei;

F.  overwegende dat deze handelspreferenties voortspruiten uit het EU-beginsel van eerlijke en vrije handel en daarom de EU de mogelijkheid bieden om SAP-voordelen op te schorten in geval van ernstige mensenrechtenschendingen ingevolge het bepaalde in hoofdstuk V, artikel 19, punt 1, onder a), van de SAP-verordening, waarin staat dat preferentiële behandeling tijdelijk kan worden ingetrokken om een reeks redenen, waaronder ernstige en systematische schending van de beginselen van de in deel A van bijlage VIII genoemde verdragen, waaronder de acht fundamentele IAO-verdragen;

G.  overwegende dat de Commissie en de EDEO begin 2017 krachtens deze bepalingen een versterkte dialoog zijn aangegaan over arbeids- en mensenrechten met het oog op betere naleving van die beginselen;

H.  overwegende dat de IAO in het verslag van de Conferentie van 2016 van haar commissie voor de toepassing van de normen een speciale paragraaf aan Bangladesh wijdde en daarin stelde dat Bangladesh ernstig in gebreke blijft bij de nakoming van zijn verplichtingen op grond van Verdrag 87 (vrijheid van vereniging); overwegende dat de IAO in 2015 meldde dat 78 % van de aanvragen voor registratie van vakbonden werd afgewezen wegens vijandigheid van fabrieksmanagers en bepaalde politici jegens vakbonden en het administratieve onvermogen om hen te registreren;

I.  overwegende dat er volgens meerdere rapporten sinds 2006 honderden textielarbeiders bij branden in verschillende fabrieken in Bangladesh zijn omgekomen, waarvoor de talrijke schuldige fabriekseigenaren en ‑managers helaas nooit voor de rechter werden gebracht; overwegende dat elk jaar naar schatting 11 700 arbeiders uit alle bedrijfstakken dodelijk verongelukken en 24 500 anderen aan werkgerelateerde ziekten bezwijken;

J.  overwegende dat het huidige minimumloon van 5 300 BDT (67 USD) per maand sinds 2013 niet meer is verhoogd en de raad voor de minimumlonen niet werd bijeengeroepen;

K.  overwegende dat de Bengaalse autoriteiten naar aanleiding van stakingen en demonstraties voor hogere lonen door arbeiders in de confectiesector sinds 21 december 2016 tenminste 35 vakbondsleiders en voorvechters willekeurig hebben gearresteerd en vastgehouden, kantoren van vakbonden en ngo's hebben gesloten of onder politietoezicht hebben geplaatst en 1 600 werknemers hebben geschorst of ontslagen omdat zij protesteerden tegen de lage lonen in de kledingindustrie;

L.  overwegende dat Bangladesh de 145e plaats inneemt van de 177 landen op de Transparantie-index; overwegende dat corruptie in de mondiale textieltoeleveringsketen wijdverspreid is en dat hierbij ook de politiek en lokale overheden betrokken zijn;

M.  overwegende dat veelbelovende initiatieven van de particuliere sector zoals het akkoord inzake brandveiligheid en veiligheid van gebouwen (het akkoord) de afgelopen 20 jaar een bescheiden bijdrage hebben geleverd aan de verbetering van de normen en veiligheid op het werk binnen de toeleveringsketens, met name de versterking van werknemersrechten in de kledingsector;

N.  overwegende dat in de conclusies van de achtereenvolgende evaluaties van het duurzaamheidspact in 2014, 2015 en 2016 geconstateerd wordt dat de autoriteiten van Bangladesh op sommige vlakken aantoonbare vooruitgang boeken, en de bijdrage wordt erkend van het duurzaamheidspact aan een bescheiden verbetering van de gezondheid en veiligheid in fabrieken en de arbeidsomstandigheden in de confectiekledingsector; overwegende dat vooruitgang met betrekking tot de rechten van werkenden een grotere uitdaging vormt en dat er de laatste jaren geen wezenlijke vorderingen op dit gebied zijn waargenomen; overwegende dat het tekortschieten op het gebied van de wijziging en tenuitvoerlegging van de Bengaalse arbeidswet van 2013 volgens de IAO een ernstige belemmering vormt voor de uitoefening van het recht van vrijheid van vereniging en de registratie van vakbonden, vooral in de confectiesector in de EPZ's; overwegende dat werknemers in de EPZ's het recht op lidmaatschap van een vakbond werd ontzegd;

O.  overwegende dat de Europese consumenten na de ramp massaal hebben aangedrongen op meer informatie over de herkomst van producten en de omstandigheden waaronder ze worden vervaardigd; overwegende dat Europese burgers talloze verzoekschriften hebben ingediend en campagnes hebben georganiseerd om kledingmerken ertoe te bewegen meer verantwoording af te leggen en te waarborgen dat hun producten op een ethisch verantwoorde manier vervaardigd worden;

Verantwoord ondernemen in Bangladesh — in de eerste plaats een binnenlandse taak

1.  onderstreept dat Bangladesh, ondanks de indrukwekkende prestaties op het gebied van groei en ontwikkeling in de afgelopen jaren, nog grote inspanningen moet verrichten om tot duurzame en inclusievere economische groei te komen; onderstreept dat structurele hervormingen ter vergroting van de productiviteit, verdere diversificatie van de export, sociale rechtvaardigheid, werknemersrechten, bescherming van het milieu en bestrijding van corruptie in dit opzicht essentieel zijn;

2.  vraagt de regering van Bangladesh om zich meer in te zetten voor meer veiligheid en betere arbeidsomstandigheden en ‑rechten in de kledingsector als eerste prioriteit, en voor krachtiger uitvoering van de veiligheidswetgeving voor gebouwen en fabrieken, om meer overheidsgeld te besteden aan de arbeidsinspectie, meer fabrieksinspecteurs aan te werven en op te leiden, voor omstandigheden te zorgen die het verloop onder arbeidsinspecteurs verminderen, jaarlijkse werkplannen op te stellen voor vervolginspecties in fabrieken waar corrigerende maatregelen moeten worden genomen, en de gebouwen- en fabrieksinspecties uit te breiden tot andere sectoren;

3.  verzoekt de regering van Bangladesh de arbeidswet van 2013 te wijzigen om de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen doeltreffend aan te pakken, de sociale dialoog te bevorderen, vlotte en willekeursvrije registratie van vakbonden te waarborgen, te zorgen voor effectieve opsporing en vervolging van verantwoordelijken voor vermeende vakbondsdiscriminatie en oneerlijke arbeidspraktijken, en een wetgevingskader voor arbeidszaken te waarborgen dat volledig conform is aan internationale normen, met name de IAO-conventies 87 en 98 inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandeling, en dat daadwerkelijk wordt toegepast; verzoekt de regering voorts te zorgen dat de wet op de EPZ's voorziet in volledige vrijheid van vereniging overeenkomstig diezelfde internationale normen, en voortvarend en actief onderzoek te doen naar alle uitingen van discriminatie van vakbondsleden;

4.  dringt er bij de regering van Bangladesh, de sectorale organisaties en de fabriekseigenaren op aan verbeteringswerkzaamheden aan alle exportgerichte kledingfabrieken ter hand te nemen en te zorgen dat reparaties en andere inspectie-aanwijzingen worden uitgevoerd onder transparant toezicht van de betreffende overheidsautoriteiten, en het nut van door donoren opgebrachte gelden en het belang van effectieve financiële steun te erkennen;

5.  vraagt de regering van Bangladesh de raad voor de minimumlonen onmiddellijk opnieuw bijeen te roepen en ervoor te zorgen dat de lonen vaker worden herzien;

Initiatieven van de particuliere sector — een doeltreffende en waardevolle bijdrage

6.  roept de internationale merken en retailbedrijven en de particuliere sector van Bangladesh op zich te blijven inzetten voor de naleving van de arbeidswetgeving en voor de uitvoering van maatregelen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en beter te presteren op het gebied van verantwoorde bedrijfspraktijken, waaronder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor arbeiders in de Bengaalse kledingindustrie, alsook om transparante berichtgeving met betrekking tot de fabrieken waar goederen geproduceerd worden, en coördinatiemechanismen tussen relevante initiatieven te faciliteren; spoort aan tot voortzetting van het werk van de mondiale retailers en merken aan een eenvormige gedragscode voor fabrieksinspecties in Bangladesh;

7.  wijst nadrukkelijk op wat er is bereikt dankzij de inzet van het particuliere bedrijfsleven in samenwerking met de regering van Bangladesh en internationale organisaties in dat land via het akkoord inzake brand- en bouwveiligheid; wijst er evenwel op dat de partijen bij het akkoord zich ondanks de duidelijke vooruitgang op het punt van brand- en bouwveiligheid zorgen maken over het trage tempo waarmee kritieke veiligheidskwesties worden aangepakt; vraagt die partijen hun verbintenis met nog eens vijf jaar te verlengen voordat het huidige akkoord op 12 mei 2018 afloopt; vraagt de regering en het bedrijfsleven van Bangladesh het nut in te zien van de verbintenis die de retailketens in Bangladesh via het akkoord zijn aangegaan en de verlenging van het mandaat dat bij het akkoord aan de partijen is gegeven, te steunen;

8.  vraagt de regering van Bangladesh en de particuliere sector door te gaan met hun initiatieven voor financiële compensatie en rehabilitatie van slachtoffers, een effectieve strategie voor terugkeer op de arbeidsmarkt te ontwikkelen en het aanleren van bekwaamheden op het gebied van ondernemerschap en levensonderhoud te ondersteunen;

Gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en de internationale gemeenschap

9.  steunt de activiteiten waarmee vervolg wordt geven aan het Duurzaamheidspact Bangladesh en de versterkte dialoog die de Commissie en de EDEO met Bangladesh zijn aangegaan over arbeids- en mensenrechten met het oog op betere naleving van de beginselen van de in de SAP-verordening genoemde verdragen;

10.  steunt het onderzoek van de Commissie naar een mogelijk EU-breed initiatief in de kledingsector, met vrijwillige initiatieven en strikte gedragscodes als hoofdbeginselen; verwijst naar het EU-werkdocument van 24 april 2017 getiteld "Sustainable garment value chains through EU development action" (Duurzame waardeketens in de kledingsector door EU-ontwikkelingsoptreden) en herhaalt zijn dringende verzoek om zich niet te beperken tot een werkdocument maar de mogelijkheid van bindende wetgeving inzake zorgvuldigheidsverplichtingen te overwegen; onderstreept voorts dat coördinatie, uitwisseling van informatie en beste praktijken en het engagement van regeringen om de gepaste kadervoorwaarden te scheppen kunnen bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van particuliere en overheidsinitiatieven met betrekking tot de waardeketen en positieve resultaten kunnen opleveren wat betreft duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het bewustzijn van consumenten moet worden verhoogd om de transparantie te vergroten en betere arbeids- en milieunormen, productveiligheid en duurzame consumptie te ondersteunen;

11.  is van mening dat het Duurzaamheidspact Bangladesh, waarvan de EU een van voornaamste actoren is, als voorbeeld kan dienen voor de invoering van soortgelijke partnerschappen met derde landen; spoort de EU ertoe aan om haar internationale samenwerking met organisaties als de IAO, de OESO en de VN op het vlak van duurzame ontwikkeling en mvo voort te zetten en te verdiepen;

12.  steunt de inspanningen van de voor onbepaalde tijd ingestelde werkgroep van de VN om een bindend VN-verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten op te stellen; roept de Commissie en de lidstaten op actief deel te nemen aan de onderhandelingen daarover;

13.  benadrukt dat als de veiligheidssituatie niet verbetert en de dreigingen door extremisten in Bangladesh niet systematisch worden aangepakt, dit rechtstreekse gevolgen zal hebben voor de investeringen in het land, wat uiteindelijk ten koste zal gaan van de ontwikkeling op de lange termijn en van het leven van de gewone burger;

Conclusies

14.  onderstreept dat een hoogwaardige kledingsector essentieel is voor de economische en sociale ontwikkeling in Bangladesh en dat dankzij de expansie van deze industrie veel arbeiders, met name vrouwen, de overstap van de informele naar de formele economie hebben kunnen maken; waarschuwt voor initiatieven die ertoe leiden dat bedrijven uit de EU en andere landen zich uit Bangladesh terugtrekken, wat schadelijk zou zijn voor de reputatie, maar belangrijker nog, voor de ontwikkelingsperspectieven van het land;

15.  onderstreept dat het de gedeelde verantwoordelijkheid is van de regering van Bangladesh, de plaatselijke particuliere sector, de internationale gemeenschap en zakenpartners om bij te dragen aan het bereiken van verantwoorde bedrijfsvoering als overkoepelend doel;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, de regering en het parlement van Bangladesh en de directeur-generaal van de IAO.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0414.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0175.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0024.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0196.

(5)

PB C 482 van 23.12.2016, blz. 149.

(6)

PB C 436 van 24.11.2016, blz. 39.

(7)

PB C 482 van 23.12.2016, blz. 149.

(8)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.

(9)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.

(10)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 28.

(11)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 33.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0299.

Juridische mededeling