Procedure : 2017/2732(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0439/2017

Ingediende teksten :

B8-0439/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 05/07/2017 - 8.13
CRE 05/07/2017 - 8.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 168kWORD 50k
22.6.2017
PE605.557v01-00
 
B8-0439/2017

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8‑0319/2017

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over het werken aan een ambitieuze industriestrategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa (2017/2732(RSP))


Angelo Ciocca, Nicolas Bay, Jean-Luc Schaffhauser, Lorenzo Fontana namens de ENF-Fractie

Ontwerpresolutie van het Europees Parlement over het werken aan een ambitieuze industriestrategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa (2017/2732(RSP))  
B8‑0439/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 145 tot en met 150 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de vraag aan de Commissie over het werken aan een ambitieuze industriestrategie van de EU als strategische prioriteit voor groei, banen en innovatie in Europa (O-000047/2017 – B8-0319/2017)

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in alle geavanceerde economieën de werkgelegenheid in de industriesector sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw min of meer abrupt is gedaald; overwegende dat het verschijnsel van de de-industrialisering is voorafgegaan aan de golf van economische globalisering vanaf de jaren negentig, maar door de globalisering nog werd bespoedigd;

B.  overwegende dat de industriesector in verschillende geavanceerde economieën thans zelfs minder dan 10% van de arbeidskrachten tewerkstelt, een niveau dat weinig hoger ligt dan tijdens de beginfase van de industrialisering rond 1900; overwegende dat dit betekent dat de geavanceerde economieën in feite zijn gereduceerd tot louter importeurs van goedkope industriegoederen waarvan de productie naar ontwikkelingslanden is verplaatst;

C.  overwegende dat door de digitalisering de economische initiatieven, ook de succesvolle, worden gekenmerkt door een lage arbeidsintensiteit en een hoge mate van specialisatie; overwegende dat de digitalisering van de productieprocessen weldra een grote weerslag zal hebben op de huidige beroepsprofielen en niet uitsluitend hierop; overwegende dat dit zal leiden tot een verandering van de marktstructuur, hetgeen vooral tot uiting zal komen in een toenemende versnippering van en ongelijkheid tussen soorten arbeid en derhalve onder andere ten aanzien van beloning, sociale bescherming en loopbaanperspectieven;

D.  overwegende dat de macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie, die worden verergerd door de gevolgen van het lidmaatschap van de eurozone en het daaruit voortvloeiende bezuinigingsbeleid, hebben geleid tot kennisvlucht ("human capital flight" of "brain drain") ten koste van de zwakste landen, zodat hun economie structureel afhankelijk wordt van de economie van de sterkste landen;

E.  overwegende dat de EU op industriegebied slechts een ondersteunende bevoegdheid heeft; overwegende dat het optreden van EU op dit gebied alleen is gericht op het concurrentievermogen(1), zodat het mercantilisme wordt bevorderd dat is gebaseerd op het drukken van de productiekosten (lonen) en het vernietigen van de interne vraag; overwegende dat het duidelijk is dat dit mercantilistische model niet op dezelfde wijze bij de economieën van alle lidstaten past en in sommige gevallen in strijd is met de grondwet;

F.  overwegende dat de financiering door de Unie geen afdoende bescherming kan bieden tegen negatieve schokken, aangezien zij uitsluitend verbonden is met grootteparameters en niet met macro-economische basisgegevens en aangezien zij een structureel en geen conjunctureel karakter heeft;

G.  overwegende dat, in het licht van de huidige economische tendensen op de lange termijn en het door de EU gekozen procyclische beleid, de doelstelling die de EU zichzelf heeft gesteld om de industrie tegen 2020 op een niveau van ten minste 20% van het bbp van de EU te tillen, duidelijk onbereikbaar zal zijn, evenmin als de doelstelling van volledige werkgelegenheid en economische, sociale en territoriale samenhang;

H.  overwegende dat de Europese budgettaire beperkingen hebben geleid tot een achteruitgang van de infrastructuur in diverse lidstaten, met inbegrip van openbare basisinfrastructuur, zoals scholen, ziekenhuizen, politiebureaus en vervoersnetwerken;

I.  overwegende dat door het ontbreken van een duidelijke scheiding tussen traditionele bankactiviteiten en bancaire beleggingsactiviteiten, de banken gaandeweg de voorkeur hebben gegeven aan financiële en speculatieve activiteiten waardoor zij aan de economie de kredieten hebben onttrokken die nodig zijn voor het vrijmaken van toereikende particuliere beleggingen in de industriesector; overwegende dat het beleid inzake de bankenunie en het monetaire beleid van de ECB zelfs hebben bijgedragen tot een verslechtering van de situatie;

J.  overwegende dat, wil een industriestrategie doeltreffend zijn, zij vergezeld moet gaan van gecoördineerde beleidsmaatregelen op meerdere gebieden: infrastructuur, handel, energie, arbeid, onderzoek en ontwikkeling, alsmede particuliere en overheidsfinanciën;

1.  is van oordeel dat geen enkel vooruitzicht inzake de groei van de economie en de werkgelegenheid kan worden verwezenlijkt zonder een ingrijpende herindustrialisering, hetgeen betekent dat de productie weer ter plaatse moet geschieden;

2.  onderstreept dat de productie ter plaatse een sleutelfactor is, ook om ervoor te zorgen dat de huidige "digitale revolutie" duurzaam is en dat de voordelen ervan aan iedereen ten goede komen, opdat de arbeidsmarkt een tweede kans biedt aan degenen wier beroep langzamerhand obsoleet wordt; onderstreept bovendien dat het anderzijds onontbeerlijk is dat elke lidstaat andermaal in staat wordt gesteld toereikende sociale bescherming te bieden aan degenen die geen plaats op de arbeidsmarkt kunnen vinden;

3.  roept de Commissie ertoe op maatregelen inzake het handelsbeleid te nemen om de invoer van gedelokaliseerde industriegoederen en diensten te ontmoedigen; is van oordeel dat dergelijke maatregelen efficiënter kunnen zijn, indien zij vergezeld gaan van stimulansen door de lidstaten voor de herlokalisatie van de productie en de handhaving van de bestaande productie ter plaatse;

4.  is van mening dat de eerste stappen moeten bestaan in gedegen nationale beleidsmaatregelen inzake overheidsinvesteringen op de middellange en lange termijn in infrastructuur, herstructurering van bestaande particuliere en overheidsgebouwen (ook om het energierendement te vergroten), het restaureren en in stand houden van cultuur- en architectuurgoederen, infrastructuur voor de bescherming van het landschap (bijvoorbeeld tegen de risico's van natuurrampen en hydrogeologische destabilisatie) herstel en modernisering van basisinfrastructuur (scholen, ziekenhuizen, politiebureaus, wegen- en spoorwegennet, luchthavens, havens, enz.); acht ook soortgelijk beleid inzake investeringen in de luxegoederenindustrie van prioritair belang;

5.  merkt op dat de middelen van de Unie weliswaar zijn bedoeld als instrument om de onevenwichtigheden tussen de lidstaten te compenseren, maar dat zij in de praktijk de onevenwichtigheden vergroten, omdat een beroep wordt gedaan op de twee beginselen van medefinanciering en conditionaliteit; wijst erop dat als gevolg hiervan deze middelen een bijzonder slinks mechanisme zijn waarmee de EU het uitgavenbeleid van de lidstaten controleert; is derhalve van oordeel dat de middelen van de Unie niet de geschiktste instrumenten zijn voor een doeltreffende strategie van herindustrialisering, in tegenstelling tot particuliere en overheidsinvesteringen; dringt erop aan de investeringen van de lidstaten te verlossen van de Europese budgettaire beperkingen;

6.  acht het wenselijk andermaal voor optimale voorwaarden te zorgen, opdat naast overheidsinvesteringen toereikende particuliere investeringen kunnen worden ingezet; onderstreept dat hiertoe een duidelijke scheiding moet worden aangebracht tussen traditionele bankactiviteiten en bancaire beleggingsactiviteiten;

7.  herinnert de Commissie en de Raad eraan dat de Unie op industriegebied geen maatregelen mag vaststellen met het oog op "enige harmonisering van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten"(2);

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

Artikel 173, lid 1, VWEU.

(2)

Artikel 173, lid 3, VWEU.

Juridische mededeling