Procedure : 2017/2801(RPS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0542/2017

Ingediende teksten :

B8-0542/2017

Debatten :

PV 03/10/2017 - 15
CRE 03/10/2017 - 15

Stemmingen :

PV 04/10/2017 - 9.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0376

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 282kWORD 53k
28.9.2017
PE611.468v01-00
 
B8-0542/2017

ingediend overeenkomstig artikel 106, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van het Reglement


over het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06 – 2017/2872(RSP))


Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
Verantwoordelijke leden: Jytte Guteland, Bas Eickhout
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06 – 2017/2872(RSP))  
B8-0542/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van Verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de bepaling van hormoonontregelende eigenschappen (D048947/06) (de 'ontwerpverordening'),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1), en met name de artikelen 4, lid 1, en 78, lid 1, onder a), en de tweede alinea van de punten 3.6.5. en 3.8.2. van bijlage II daarbij,

–  gezien het arrest van het Gerecht, de rechtsprekende instantie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 16 december 2015(2), en met name de punten 71 en 72 daarvan,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2016 over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015(3),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 15 juni 2016 inzake hormoonontregelaars en de ontwerphandelingen van de Commissie tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de identificatie daarvan in het kader van de EU-wetgeving betreffende gewasbeschermingsmiddelen en biociden (COM)2016)0350),

–  gezien het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over bescherming van de volksgezondheid tegen hormoonontregelaars(4)4,

–  gezien de routekaart van de Commissie van juni 2014 getiteld "Het vaststellen van criteria voor de identificatie van hormoonontregelende stoffen in de context van de tenuitvoerlegging van de gewasbeschermingsmiddelenverordening en de biocidenverordening",

–  gezien het milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 getiteld "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (het 'zevende milieuactieprogramma'), en met name de derde alinea van artikel 50 daarvan(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten(7), en met name artikel 15 daarvan,

–  gezien het document met richtsnoeren getiteld "Submission of scientific peer-reviewed open literature for the approval of pesticide active substances under Regulation (EC) No 1107/2009" van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid(8),

–  gezien de toespraak van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, van 13 september 2017 over de Staat van de Unie,

–  gezien het tweede ontwerp van richtsnoeren van 17 juli 2012 voor de tenuitvoerlegging van de op gevaren gebaseerde criteria voor de identificatie van hormoonontregelende stoffen in de context van de Verordeningen (EG) nr. 1107/2009 en (EU) nr. 528/2012, zoals ontwikkeld door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (de 'ontwerprichtsnoeren'),

–  gezien artikel 5 bis, lid 3, onder b), van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(9),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

–  gezien artikel 106, leden 2 en 3 en lid 4, onder c), van zijn Reglement,

A.  overwegende dat, overeenkomstig punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, een werkzame stof slechts wordt goedgekeurd wanneer deze niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor niet-doelwit organismen, tenzij de blootstelling van niet-doelwit organismen aan die werkzame stof in realistisch voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is (het 'cut-off'-criterium voor het milieu);

B.  overwegende dat, overeenkomstig de tweede alinea van punt 3.6.5. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, de Commissie uiterlijk op 14 december 2013 een ontwerp van de maatregelen met betrekking tot specifieke wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen voorlegt aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid;

C.  overwegende dat het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders op 4 juli 2017 een positief advies over de ontwerpverordening heeft uitgebracht, met drie lidstaten tégen, en vier lidstaten die zich van stemming hebben onthouden;

D.  overwegende dat het laatste lid van de ontwerpverordening luidt "wanneer de beoogde gewasbeschermende werking van de onderzochte werkzame stof bestaat uit het beheersen van ongewervelde doelorganismen via hun hormoonsysteem worden de effecten op organismen van dezelfde taxonomische stam als de doelorganismen niet in aanmerking genomen bij de identificatie van de stof als een stof met hormoonontregelende eigenschappen met betrekking tot niet-doelorganismen";

E.  overwegende dat het Gerecht in zijn arrest in zaak T-521/14 duidelijk heeft aangegeven dat "la spécification des critères scientifiques pour la détermination des propriétés perturbant le système endocrinien ne peut se faire que de manière objective, au regard de données scientifiques relatives audit système, indépendamment de toute autre considération, en particulier économique"(10) (punt 71);

F.  overwegende dat verhinderen dat een stof met een beoogde hormoonontregelende werking als een hormoonontregelende stof voor niet-doelwit organismen wordt geïdentificeerd niet wetenschappelijk is;

G.  overwegende dat de ontwerpverordening derhalve niet kan worden beschouwd als een tekst die stoelt op objectieve wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het hormoonstelsel zoals bedoeld door het Gerecht; overwegende dat de Commissie daarmee haar uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

H.  overwegende dat hetgeen met dit laatste lid wordt beoogd duidelijk wordt aangegeven in het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017, waarin staat "daarnaast werd de redenering achter de bepaling betreffende actieve stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking ('groeiregulatoren') uitgelegd. [...] De bepaling betreffende groeiregulatoren staat toe dat de 'cut-off'-criteria niet worden toegepast op stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking [...]";

I.  overwegende dat het derhalve duidelijk is dat met dit laatste lid wordt beoogd een afwijking te creëren van het 'cut-off'-criterium zoals bedoeld in punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009;

J.  overwegende dat uit de overwegingen 6 t/m 10 en artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 blijkt dat de wetgever bij de ingewikkelde kwestie van het vaststellen van regels voor de goedkeuring van actieve stoffen een wankel evenwicht heeft moeten vinden tussen meerdere, potentieel conflicterende doelstellingen, te weten de landbouwproductie en de interne markt enerzijds, en de bescherming van de gezondheid en het milieu anderzijds;

K.  overwegende dat het Gerecht in het hierboven reeds aangehaalde arrest het volgende heeft aangegeven: "Dans ce contexte, il importe de relever que, en adoptant le règlement n° 528/2012, le législateur a procédé à une mise en balance de l’objectif d’amélioration du marché intérieur et de celui de la préservation de la santé humaine, de la santé animale et de l’environnement, que la Commission se doit de respecter et ne saurait remettre en cause [...]. Or, dans le cadre de la mise en œuvre des pouvoirs qui lui sont délégués par le législateur, la Commission ne saurait remettre en cause cet équilibre, ce que cette institution a d’ailleurs en substance admis lors de l’audience"(11) (punt 72);

L.  overwegende dat dit wordt weerspiegeld in de resolutie van het Parlement van 8 juni 2016, waarin wordt beklemtoond dat "het Gerecht heeft bepaald dat de vaststelling van wetenschappelijke criteria uitsluitend op objectieve wijze kan worden gerealiseerd op basis van wetenschappelijke gegevens met betrekking tot het hormoonstelsel, onafhankelijk van andere overwegingen, in het bijzonder economische, en dat de Commissie niet bevoegd is het in een basishandeling vastgelegde regelgevende evenwicht te wijzigen via de toepassing van aan haar toegewezen bevoegdheden overeenkomstig artikel 290 [van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU)]";

M.  overwegende dat dezelfde beperking van bevoegdheden op de Commissie van toepassing is in de context van een uitvoeringshandeling in het kader van de regelgevingsprocedure met toetsing;

N.  overwegende dat het, volgens de Mededeling van de Commissie van 15 juni 2016, voor haar "de uitdaging is criteria vast te stellen om te bepalen welke stoffen al dan niet hormoonontregelaars zijn voor de toepassing van de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en niet hoe de stoffen worden gereguleerd. De wetgever heeft de regelgevingsimplicaties al vastgelegd in de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen (2009) en biociden (2012)";

O.  overwegende dat het 'cut-off'-criterium zoals bedoeld in punt 3.8.2. van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 een essentieel onderdeel van de verordening vormt;

P.  overwegende dat, overeenkomstig de vaste jurisprudentie, de vaststelling van regelgevingselementen die voor een bepaalde zaak essentieel zijn, is voorbehouden aan de wetgevingsautoriteit van de EU en niet aan de Commissie kan worden gedelegeerd;

Q.  overwegende dat Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Commissie, in zijn toespraak over de Staat van de Unie 2017 heeft verklaard dat de rechtsstaat te allen tijde één van de drie leidende beginselen van onze Unie moet zijn; overwegende dat hij in dit verband daarnaast heeft aangegeven dat "het aanvaarden en eerbiedigen van een definitieve uitspraak de kern uitmaakt van het lidmaatschap van een Unie die stoelt op het recht. De lidstaten hebben de definitieve jurisdictie aan het Europees Hof van Justitie gegeven. De uitspraken van het Hof moeten door alle partijen worden geëerbiedigd. Het ondermijnen van die uitspraken, of het ondermijnen van de onafhankelijkheid van de nationale rechtbanken staat gelijk met het afpakken van de grondrechten van de burgers. De rechtsstaat is niet optioneel voor de Europese Unie. Zonder de rechtsstaat geen Europese Unie.";

R.  overwegende dat de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden dan ook heeft overschreden door een essentieel regelgevingselement van Verordening (EG) nr. 1007/2009 te wijzigen, in weerwil van de erkenning van de beperking van haar bevoegdheden tijdens de behandeling van zaak T-521/14, in weerwil van hetgeen zij verklaart in haar mededeling van 15 juni 2016, en in weerwil van het door Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Commissie, geciteerde fundamentele Uniebeginsel van de rechtsstaat;

S.  overwegende dat het feit dat de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden heeft overschreden verder blijkt uit het samenvattend verslag van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 28 februari 2017, waarin staat dat de nieuwe clausule zal worden toegevoegd in een nieuw lid, afzonderlijk van de 'vereisten' en van de beoordelingsbeginselen, zodat het niet langer deel uitmaakt van de criteria;

T.  overwegende dat, zelfs indien de ontwikkelingen op het gebied van de wetenschappelijke en technische kennis steekhoudende gronden zouden zijn voor de introductie van een afwijking met betrekking tot de voorwaarden voor de goedkeuring van stoffen met een beoogde hormoonontregelende werking, een dergelijke afwijking uitsluitend mogelijk is middels een wetgevingsprocedure tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zoals bedoeld in artikel 294 VWEU;

U.  overwegende dat, overeenkomstig het zevende milieuactieprogramma, "de EU in alle relevante Uniewetgeving benaderingen zal ontwikkelen en implementeren voor het wegnemen van de bezorgdheid in verband met hormoonontregelaars. De EU zal in het bijzonder geharmoniseerde op gevaren gebaseerde criteria voor de identificatie van hormoonontregelaars ontwikkelen.";

V.  overwegende dat, volgens de routekaart van de Commissie, en naar aanleiding van oproepen van het Europees Parlement en de Raad, en zoals bevestigd door beide takken van de wetgevingsautoriteit in het zevende milieuactieprogramma, de Commissie horizontale, op gevaren gebaseerde wetenschappelijke criteria moet vaststellen voor de identificatie van hormoonontregelaars, voor toepassing in de bredere wetgeving voor hormoonontregelaars in verschillende regelgevingsomgevingen;

W.  overwegende dat de criteria in de ontwerpverordening evenwel niet geschikt zijn voor horizontale toepassing in alle relevante Uniewetgeving, en dat vanwege ten minste twee tekortkomingen:

a.  het feit dat geen categorie van stoffen is opgenomen waarbij het vermoeden bestaat dat ze hormoonontregelaars zijn;

b.  het feit dat in het operatieve gedeelte van de in acht te nemen gegevens geen 'read-across' is opgenomen(12);

  overwegende dat ze derhalve niet verenigbaar zijn met het doel en de inhoud van het zevende milieuactieprogramma;

X.  overwegende dat het feit dat geen categorie van stoffen is opgenomen waarbij het vermoeden bestaat dat ze hormoonontregelaars zijn, betekent dat geen actie kan worden ondernomen om dergelijke stoffen aan te pakken, tenzij een aanvullende voorstel met criteria voor deze groep stoffen wordt voorgelegd;

Y.  overwegende dat de opname van een dergelijke categorie uitermate relevant zou zijn geweest en passende bescherming zou hebben geboden tegen dergelijke stoffen in andere sectoren (bijvoorbeeld de cosmeticasector) die reeds een verbod kennen op stoffen waarbij het vermoeden bestaat dat ze carcinogeen, mutageen of reproductietoxisch zijn (CMR-stoffen), met name omdat de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 1223/2009 verplicht is die verordening op ten laatste 11 januari 2015 te toetsen met betrekking tot stoffen met hormoonontregelende eigenschappen;

Z.  overwegende dat het niet opnemen van een dergelijke categorie ook betekent dat de ontwerpverordening niet aansluit bij het bestaande systeem voor de classificatie van CMR-stoffen zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008, die een categorie omvat met stoffen waarbij het vermoeden bestaat dat ze carcinogeen, mutageen of reproductietoxisch zijn;

AA.  overwegende dat het niet opnemen van 'read-across' in het operatieve deel betekent dat, indien de criteria in de ontwerpverordening in andere sectoren zouden worden gebruikt, elke stof afzonderlijk zou moeten worden getest en geen testgegevens van aan die stof gerelateerde chemische stoffen zouden kunnen worden gebruikt, zodat bij het ontbreken van voor een bepaalde stof specifieke testgegevens met betrekking tot negatieve effecten die stof niet als hormoonontregelaar kan worden geïdentificeerd, hetgeen het niet doorvoeren van tests zou belonen met het niet ondernemen van actie, en onnodige dierproeven nodig zou maken;

AB.  overwegende dat het uitdrukkelijk niet opnemen van 'read-across' in het deel over het in acht nemen van alle beschikbare gegevens niet consistent is met het bestaande systeem voor de classificatie van CMR-stoffen zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008, waarin 'read-across' uitdrukkelijk is opgenomen;

AC.  overwegende dat in de ontwerpverordening staat dat een hormoonontregelende werking (het tweede vereiste) een bepalend element is voor het beantwoorden van de vraag of een stof al dan niet een hormoonontregelaar is; overwegende dat 'hormoonontregelende werking' in de ontwerpverordening gelijk wordt gesteld met 'wijzigt de functie(s) van het hormoonsysteem', teneinde de tekst in overeenstemming te brengen met de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie zoals bedoeld in overweging 2 van de ontwerpverordening;

AD.  overwegende dat 'werking' in de ontwerprichtsnoeren anders wordt gedefinieerd: 'Een biologisch aannemelijke opeenvolging van belangrijke gebeurtenissen die tot een waargenomen effect leiden, geschraagd door robuuste experimentele waarnemingen en mechanische gegevens. Een werking beschrijft belangrijke cytologische en biochemische gebeurtenissen – dat wil zeggen gebeurtenissen die zowel meetbaar als noodzakelijk zijn voor het waargenomen effect – in een logisch kader';

AE.  overwegende dat de ontwerprichtsnoeren dus een veel engere definitie van de belangrijke term 'werking' bevatten dan het tweede deel van de criteria, en daarmee de lat voor de identificatie van hormoonontregelaars ongerechtvaardigd hoog leggen;

AF.  overwegende dat de verwijzing naar bestaande richtsnoeren met betrekking tot te gebruiken literatuurgegevens in punt 1, 1, b), van de ontwerpverordening een hiërarchie inhoudt en dat deze de voorkeur geeft aan gegevens die in overeenstemming met internationaal afgesproken studieprotocollen zijn gegenereerd boven andere wetenschappelijke gegevens, maar dat de studieprotocollen in kwestie wat het testen van hormoonontregelaars betreft slechts voor bepaalde eindpunten beschikbaar zijn en er derhalve een aanzienlijk risico bestaat dat onafhankelijke gegevens alléén niet voldoende worden beschouwd om een stof als een hormoonontregelaar te classificeren;

1.  maakt bezwaar tegen de vaststelling van het ontwerp van verordening van de Commissie;

2.  is van mening dat dit ontwerp van verordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;

3.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan het comité voor te leggen;

4.  verzoekt de Commissie haar ontwerp van verordening te wijzigen middels schrapping van het laatste lid;

5.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de richtsnoeren voor de toepassing van de op gevaren gebaseerde criteria voor de identificatie van hormoonontregelaars in de context van de Verordeningen (EG) nr. 1107/2009 en (EU) nr. 528/2012 ten volle aansluiten bij de wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen, met inbegrip van de bewijskrachtbenadering zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1272/2008;

6.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat in dezelfde richtsnoeren ook wordt verduidelijkt dat er geen hiërarchie is die de voorkeur geeft aan gegevens die in overeenstemming met internationaal afgesproken studieprotocollen zijn gegenereerd boven andere wetenschappelijke gegevens;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)

Arrest van het Gerecht van 16 december 2015, Zweden/Commissie, T-521/14, ECLI:EU:T:2015:976.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0270.

(4)

4 PB C 36 van 29.1.2016, blz. 85.

(5)

PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.

(6)

PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(7)

PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59.

(8)

EFSA Journal 2011;9(2):2092, DOI: 10.2903/j.efsa.2011.2092.

(9)

PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(10)

Gezien het feit dat de behandeling van zaak T-521/14 uitsluitend in het Frans en het Zweeds heeft plaatsgevonden, heeft de vertaaldienst van het Parlement het arrest in het Engels vertaald: "the specification of scientific criteria for the determination of endocrine-disrupting properties may only be performed objectively, in the light of scientific data relating to that system, independently of all other considerations, in particular economic ones". (Nederlandse versie: "de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de identificatie van hormoonontregelende eigenschappen mag uitsluitend op objectieve wijze geschieden, met inachtneming van specifieke wetenschappelijke gegevens met betrekking tot dat systeem, los van alle andere overwegingen, met name overwegingen van economische aard.").

(11)

Gezien het feit dat de behandeling van zaak T-521/14 uitsluitend in het Frans en het Zweeds heeft plaatsgevonden, heeft de vertaaldienst van het Parlement de tekst in het Engels vertaald: "In this context, it is important to note that, when adopting Regulation No 528/2012, the legislature weighed up the objective of improving the internal market and that of protecting human health, animal health and the environment, arriving at conclusions which the Commission must respect and cannot call into question [...]. In the context of the exercise of the powers delegated to it by the legislator, the Commission cannot call that balance into question, a fact which, moreover, that institution has in essence accepted during the hearing". (Nederlandse versie: "In dit verband is het belangrijk erop te wijzen dat de wetgever twee doelstellingen tegen elkaar heeft afgewogen, te weten die van het verbeteren van de interne markt en die van het beschermen van de gezondheid van mens en dier, en van het milieu, en daarbij tot conclusies is gekomen die de Commissie moet eerbiedigen en niet in twijfel kan trekken [...]. In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die de wetgever haar heeft gegeven, kan de Commissie dat evenwicht niet in twijfel trekken, een feit dat die instelling tijdens de behandeling van deze zaak bovendien in wezen heeft aanvaard.").

(12)

'Read-across' omvat het gebruik van relevante informatie van analoge stoffen met het oog op het voorspellen van eigenschappen van de 'doelstoffen' in kwestie (zie het Read-Across Assessment Framework, ECHA, 2017, https://echa.europa.eu/documents/10162/13628/raaf_en.pdf).

Juridische mededeling