Procedure : 2017/2931(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0594/2017

Ingediende teksten :

B8-0594/2017

Debatten :

PV 15/11/2017 - 7
CRE 15/11/2017 - 7

Stemmingen :

PV 15/11/2017 - 13.16
CRE 15/11/2017 - 13.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 263kWORD 50k
6.11.2017
PE614.230v01-00
 
B8-0594/2017

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken (2017/2931(RSP))


Ryszard Legutko, Anna Fotyga, Tomasz Poręba, Ryszard Czarnecki, Karol Karski, Edward Czesak, Beata Gosiewska, Czesław Hoc, Marek Jurek, Sławomir Kłosowski, Zdzisław Krasnodębski, Urszula Krupa, Zbigniew Kuźmiuk, Stanisław Ożóg, Bolesław Piecha, Jadwiga Wiśniewska, Kosma Złotowski namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken (2017/2931(RSP))  
B8‑0594

Het Europees Parlement,

 

–   gezien de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de bevoegdheidscategorieën en -gebieden van de EU zijn vastgelegd,

–  gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien artikel 7 VEU betreffende het gevaar voor een ernstige schending of een ernstige en voortdurende schending van het beginsel van de rechtsstaat,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de huidige Poolse regering over het sterkste mandaat voor het uitoefenen van de macht beschikt in de geschiedenis van het land sinds de val van het communisme;

B.  overwegende dat er een overlegproces loopt tussen de Commissie en de Poolse regering over het Grondwettelijk Hof en de hervorming van de Nationale Raad voor de Rechtspraak en het Hooggerechtshof;

C.  overwegende dat de constatering of er sprake is van een gevaar voor een ernstige schending of een ernstige en voortdurende schending van het beginsel van de rechtsstaat overeenkomstig artikel 7 VEU tot de bevoegdheden van de Raad en de Europese Raad behoort, en niet van de Commissie;

D.  overwegende dat Polen zijn gehechtheid aan het beginsel van de rechtsstaat nooit in vraag heeft gesteld; overwegende dat de regering zich net door dit beginsel laat leiden bij het doorvoeren van de hervormingen die ze tijdens de verkiezingscampagne heeft beloofd;

E.  overwegende dat Polen overeenkomstig het in de Verdragen verankerde beginsel van loyale samenwerking een diepgaande dialoog voert met de Commissie over de door de regering doorgevoerde hervormingen en zowel aan de Commissie als aan de lidstaten uitgebreide toelichting geeft op dit gebied;

F.  overwegende dat de wijzigingen in het rechtsstelsel het voorwerp vormen van een brede maatschappelijke en politieke raadpleging en dat nog steeds niet bekend is welke vorm de voorschriften betreffende het Hooggerechtshof en de Nationale Raad voor de Rechtspraak uiteindelijk zullen krijgen;

G.  overwegende dat de regering van de Republiek Polen grondig en tijdig antwoord heeft gegeven op alle aanbevelingen die de Commissie tot nu toe heeft gedaan met betrekking tot de rechtsstaat in Polen en hierbij heeft benadrukt dat de genomen wetgevingsmaatregelen, die in de allereerste plaats tot doel hebben het rechtsstelsel te hervormen, in overeenstemming zijn met de Europese normen en beantwoorden aan maatschappelijke verwachtingen op dit gebied;

1.  benadrukt dat de Unie krachtens artikel 5 VEU, waarin het subsidiariteitsbeginsel wordt gedefinieerd, op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts optreedt indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt;

2.  onderstreept derhalve dat nieuwe wetgevingsvoorstellen, zoals de wetsvoorstellen over de Nationale Raad voor de Rechtspraak en over het Hooggerechtshof, niet mogen worden onderworpen aan inmenging van de EU-instellingen, aangezien het doel ervan op grond van het subsidiariteitsbeginsel het best kan worden verwezenlijkt door de Poolse autoriteiten;

3.  wijst er nogmaals op dat er vergevorderd overleg gaande is tussen de Commissie en Polen; benadrukt dat er over de wijzigingen in de bovengenoemde gebieden besprekingen plaatsvinden tussen de regering, de president, de oppositie en deskundigen, en dat ook niet-gouvernementele en maatschappelijke organisaties worden geraadpleegd;

4.  wijst erop dat de Commissie in haar dialoog met Polen verwijst naar een lopend wetgevingsproces en dat ze daardoor zelf deelneemt aan het interne politieke debat, hetgeen het er niet eenvoudiger op maakt een inhoudelijke oplossing te vinden voor het geschil;

5.  vindt het betreurenswaardig dat de Commissie in haar voorbehoud vaak twee maten hanteert en de regering veroordeelt voor het invoeren van maatregelen die in andere lidstaten worden toegepast, zoals de verschillende pensioenleeftijd voor vrouwen en mannen;

6.  benadrukt dat een dergelijk debat niet mag worden politiseerd en moet berusten op feiten en op de eerbiediging van de soevereiniteit van de lidstaten; is van mening dat het aantal rechtszaken voor het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de niet-uitvoering van zijn vonnissen hiervoor een indicator kan zijn; merkt op dat Polen slechts twee van dergelijke zaken heeft lopen in de precontentieuze fase, hetgeen aanzienlijk minder is dan sommige andere lidstaten, die soms tot elf zaken hebben lopen;

7.  overwegende dat de constatering of er sprake is van een gevaar voor een ernstige schending of een ernstige en voortdurende schending van het beginsel van de rechtsstaat tot de bevoegdheden van de Raad en de Europese Raad behoort, en niet van de Commissie;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de lidstaten, de Raad van Europa en de Europese Commissie voor democratie middels het recht.

Juridische mededeling