Procedure : 2017/2937(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0064/2018

Ingediende teksten :

B8-0064/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 07/02/2018 - 7.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0032

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 185kWORD 56k
26.1.2018
PE614.366v01-00
 
B8-0064/2018

ingediend overeenkomstig artikel 216, lid 2, van het Reglement


over de bescherming en non-discriminatie ten aanzien van minderheden in de EU-lidstaten (2017/2937(RSP))


Cecilia Wikström namens de Commissie verzoekschriften

Resolutie van het Europees Parlement over de bescherming en non-discriminatie van minderheden in de EU-lidstaten (2017/2937(RSP))  
B8‑0064/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 10, 19, 21 en 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het recht om een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten, zoals neergelegd in de artikelen 20 en 227 VWEU, en in artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de preambule bij het VEU,

–  gezien het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa, Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (de richtlijn inzake rassengelijkheid)(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid)(2),

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (de richtlijn vrij verkeer)(3),

–  gezien het arrest van het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 februari 2017 in Zaak T-646/13, Minority SafePackone million signatures for diversity in Europe/Commissie(4),

–  gezien zijn resoluties over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(5),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 getiteld "Verslag over het EU-burgerschap 2013. EU-burgers: uw rechten, uw toekomst"(7),

–  gezien zijn resolutie van 15 december 2016 over de activiteiten van de Commissie verzoekschriften in 2015(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 getiteld "Grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat"(9),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2017 getiteld "Verslag over het EU-burgerschap 2017: versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering"(10),

–  gezien de studie uitgevoerd in opdracht van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement, op verzoek van de Commissie verzoekschriften, getiteld "Discrimination(s) as emerging from petitions received" van april 2017,

–  gezien de studie uitgevoerd in opdracht van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement, op verzoek van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, getiteld "Towards a Comprehensive EU Protection System for Minorities" van augustus 2017,

–  gezien de studie uitgevoerd in opdracht van beleidsondersteunende afdeling B van het Europees Parlement, op verzoek van de Commissie cultuur en onderwijs, getiteld "Minority Languages and Education: Best Practices and Pitfalls" van mei 2017,

–  gezien de door de Commissie verzoekschriften op 4 mei 2017 georganiseerde openbare hoorzitting over de strijd tegen discriminatie van EU-burgers in de EU-lidstaten en de bescherming van minderheden(11),

–  gezien artikel 216, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie verzoekschriften diverse verzoekschriften heeft ontvangen waarin bezorgdheid werd geuit over discriminerende praktijken jegens tot minderheden behorende EU-burgers en dat zij een hoorzitting heeft gehouden over de verschillende problemen die onder de aandacht werden gebracht;

B.  overwegende dat er een nauw verband bestaat tussen de rechten van minderheden en de beginselen van de rechtsstaat; overwegende dat de rechten van personen die tot minderheden behoren in artikel 2 VEU uitdrukkelijk worden genoemd, en overwegende dat deze rechten op dezelfde wijze dienen te worden geëerbiedigd als andere in de Verdragen verankerde rechten;

C.  overwegende dat de Unie krachtens artikel 10 VWEU bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden moet streven naar bestrijding van iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

D.  overwegende dat internationale overeenkomsten weliswaar een robuust rechtskader bieden voor de bescherming van de rechten van minderheden, maar dat er nog altijd veel ruimte voor verbetering is als het gaat om de manier waarop aan de bescherming van de rechten van minderheden in de EU uitvoering wordt gegeven;

E.  overwegende dat elke persoon in de EU hetzelfde recht en dezelfde plicht heeft om een volledig, actief en geïntegreerd lid van de samenleving te worden;

F.  overwegende dat in de criteria van Kopenhagen is vastgelegd dat de eerbiediging van de rechten van minderheden een belangrijke eis is waaraan kandidaat-lidstaten moeten voldoen;

G.  overwegende dat discriminatie op grond van etnische afstamming de meest voorkomende vorm van discriminatie is, en overwegende dat uit de laatste Eurobarometerenquête over discriminatie blijkt dat het aantal gevallen van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid flink is gestegen(12);

H.  overwegende dat het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling (COM(2008)0426) betrekking heeft op een groot aantal gebieden, zoals onderwijs, sociale bescherming, en de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten;

I.  overwegende dat de verzoekschriften over discriminatie in verband met de rechten van minderheden die bij de Commissie verzoekschriften zijn ingediend grondig bestudeerd moeten worden, zodat de problemen die door de burgers onder de aandacht worden gebracht kunnen worden begrepen en er oplossingen kunnen worden voorgesteld;

J.  overwegende dat uit verschillende verzoekschriften blijkt dat minderheden bij de uitoefening van hun grondrechten gediscrimineerd worden, en overwegende dat het voortbestaan van minderheidsgemeenschappen hierdoor bedreigd wordt, met name door milieuvervuilende activiteiten;

K.  overwegende dat de bescherming en de versterking van het cultureel erfgoed van nationale minderheden in de lidstaten - een belangrijk aspect van de culturele identiteit van gemeenschappen, groepen en individuen - een belangrijke rol spelen bij de sociale cohesie;

L.  overwegende dat de lidstaten de plicht hebben maatregelen te nemen ter bestrijding van discriminatie van Roma, met name als het gaat om de contacten van deze gemeenschap met bestuurlijke autoriteiten op regionaal en nationaal niveau;

M.  overwegende dat de indieners van de verzoekschriften zich zorgen maken over het uitblijven van een omvattende EU-respons op dit gebied en over het gebrek aan bescherming van hun taalkundige rechten en andere minderheidsrechten, die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en die deel uitmaken van de algemene beginselen van het EU-recht, zoals erkend door het Europees Hof van Justitie;

1.  betreurt dat personen die tot een minderheid behoren nog altijd problemen ondervinden bij de uitoefening van hun grondrechten en het slachtoffer zijn van haatzaaiende taal en haatmisdrijven;

2.  is van oordeel dat de lidstaten de rechten van minderheden te allen tijde moeten beschermen en op gezette tijden moeten controleren of deze rechten geëerbiedigd worden;

Bestrijding van discriminatie van autochtone, nationale en taalkundige minderheden: een nationale en Europese verantwoordelijkheid

3.  stelt vast dat minderheidsvraagstukken niet hoog genoeg op de Europese agenda staan en is voorstander van een geïntegreerde aanpak op het gebied van gelijkheid en non-discriminatie, om ervoor te zorgen dat de lidstaten op de juiste wijze omgaan met de diversiteit in hun samenlevingen;

4.  is van oordeel dat de EU de verantwoordelijkheid heeft om de rechten van minderheden te beschermen en te bevorderen; acht het noodzakelijk dat het Europees wetgevingskader verbeterd wordt om de rechten van personen die tot minderheden behoren op omvattende wijze te beschermen;

5.  benadrukt dat de EU-instellingen de taak hebben om de problematiek rondom de bescherming van minderheden onder de aandacht te brengen en de lidstaten te stimuleren en te ondersteunen bij de bevordering van culturele diversiteit en tolerantie, met name door middel van onderwijs;

6.  wijst erop dat de ontwikkeling van beleid op het gebied van cultureel erfgoed inclusief en participatief moet zijn en dat daartoe een op de gemeenschap gebaseerde aanpak moet worden gevolgd, waarbij de betrokken minderheidsgemeenschappen geraadpleegd en bij overleg betrokken moeten worden;

7.  merkt op dat de EU niet beschikt over doeltreffende instrumenten om de eerbiediging van de rechten van minderheden te meten; dringt erop aan dat de situatie van autochtone en taalkundige minderheden in de hele EU op doeltreffende wijze gemonitord wordt; is van oordeel dat het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten discriminatie van nationale minderheden in de lidstaten nauwlettender moet controleren;

8.  erkent de belangrijke rol van de lidstaten bij de bescherming van autochtone, nationale en taalkundige minderheden; herinnert eraan dat de bescherming van nationale minderheden en het verbod op discriminatie op grond van taal of het behoren tot een nationale minderheid zijn vastgelegd in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

9.  betreurt dat de problemen die onder de aandacht worden gebracht in zijn resolutie over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa nog niet zijn opgelost;

EU-rechtskader voor minderheden: uitdagingen en kansen

10.  benadrukt dat de rechten van nationale minderheden en de bescherming van die rechten een integraal onderdeel zijn van de rechtsstaat, zoals bepaald in het handvest van Kopenhagen dat in 1990 door de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) werd ondertekend;

11.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun rechtsstelsels waarborgen dat personen die tot een minderheid behoren niet worden gediscrimineerd, en gerichte beschermingsmaatregelen te nemen op basis van internationale normen op dit gebied; veroordeelt discriminerende praktijken van overheidsfunctionarissen jegens personen die tot een minderheid behoren; pleit ervoor dat de bevoegde autoriteiten toepassing geven aan de geldende maatregelen voor rapportage en, zo nodig, bestraffing van dergelijke gevallen van discriminatie;

12.  benadrukt dat iets gedaan moet worden aan de situatie en de juridische status van "niet-EU-staatsburgers" die permanent in de lidstaten verblijven;

13.  benadrukt dat de bronnen van het natuurlijk en cultureel erfgoed van nationale minderheden fundamentele factoren zijn als het gaat om sociale cohesie en volledig behouden moeten blijven voor toekomstige generaties, waaronder door vervuilende activiteiten stop te zetten;

14.  verzoekt alle lidstaten het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden, Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden te ondertekenen, ratificeren en ten uitvoer te leggen, of hun toezeggingen in het kader van de internationale overeenkomsten op dit gebied te actualiseren; benadrukt dat taalkundige en autochtone minderheden behandeld moeten worden in overeenstemming met de beginselen die zijn neergelegd in deze documenten;

15.  dringt aan op herziening van de richtlijn inzake rassengelijkheid en de richtlijn inzake gelijke behandeling in arbeid; betreurt ten zeerste dat weinig vooruitgang is geboekt wat betreft de goedkeuring van het voorstel voor een richtlijn inzake gelijke behandeling, en verzoekt de Commissie en de Raad de onderhandelingen over dit voorstel te heropenen, opdat deze voor het einde van deze zittingsperiode kunnen worden afgerond;

Bescherming en behoud van minderheidstalen

16.  spoort de lidstaten aan om te waarborgen dat het recht om een minderheidstaal te gebruiken geëerbiedigd wordt en om de taalkundige diversiteit binnen de Unie te beschermen, een en ander in overeenstemming met de Verdragen;

17.  is van oordeel dat in gemeenschappen waarbinnen meer dan één taal wordt gesproken de taalkundige rechten geëerbiedigd moeten worden en dat de rechten van de ene groep taalgebruikers niet zwaarder mogen wegen dan die van andere groepen taalgebruikers, in overeenstemming met de grondwettelijke regels van elke lidstaat;

18.  verzoekt de Commissie om zich actiever in te zetten voor de bevordering van taalonderwijs in regionale en minderheidstalen en voor de bevordering van het gebruik van deze talen, als manier om discriminatie op grond van taal in de EU aan te pakken;

Rechten van LGBTI's

19.  spoort de Commissie aan om krachtiger stappen te nemen ter bestrijding van discriminatie van LGBTI's en homofobie, onder meer in de vorm van concrete wetgevingsmaatregelen, maar daarbij de bevoegdheden van de lidstaten te eerbiedigen; pleit voor monitoring van de rechten van LGBTI's en voor de verstrekking, op toegankelijke wijze, van informatie over de erkenning van grensoverschrijdende rechten van LGBTI's en hun gezinsleden in de EU; is van oordeel dat de lidstaten flink moeten investeren in het bieden van gericht onderwijs op verschillende niveaus, om pestgedrag te voorkomen en homofobie structureel te bestrijden;

20.  dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat de lidstaten de richtlijn inzake vrij verkeer correct omzetten en daarbij onder meer de bepalingen met betrekking tot familieleden te allen tijde respecteren en tevens discriminatie, op welke grond dan ook, verbieden;

21.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om te waarborgen dat LGBTI's en hun gezinsleden hun recht op vrij verkeer kunnen uitoefenen, overeenkomstig artikel 21 VWEU en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

º

º  º

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(2)

PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(3)

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(4)

ECLI:EU:T:2017:59.

(5)

PB C 124E van 25.5.2006, blz. 405.

(6)

PB C 93 van 9.3.2016, blz. 52.

(7)

PB C 378 van 9.11.2017, blz. 146.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0512.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0413.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0487.

(11)

http://www.europarl.europa.eu/cmsdata/117287/peti-hearing-programme-20170504-en.pdf

(12)

Discriminatie in the EU in 2015, http://ec.europa.eu/COMMFrontOffice/publicopinion/index.cfm/Survey/getSurveyDetail/instruments/SPECIAL/surveyKy/2077

Laatst bijgewerkt op: 30 januari 2018Juridische mededeling