ONTWERPRESOLUTIE
PDF 264kWORD 53k
8.3.2018
PE616.081v01-00
 
B8-0136/2018

ingediend overeenkomstig artikel 105, lid 3, van het Reglement


over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 23 november 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang (2017/2990(DEA))


Michèle Rivasi, Philippe Lamberts, Ska Keller namens de Verts/ALE-Fractie
Xabier Benito Ziluaga, Dario Tamburrano, Edouard Martin, Carolina Punset, Isabella Adinolfi, Laura Agea, Daniela Aiuto, Marina Albiol Guzmán, Tiziana Beghin, Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Rosa D’Amato, Eleonora Evi, Cornelia Ernst, Laura Ferrara, Luke Ming Flanagan, Tania González Peñas, Rina Ronja Kari, Paloma López Bermejo, Curzio Maltese, Marisa Matias, Younous Omarjee, Piernicola Pedicini, Lola Sánchez Caldentey, Maria Lidia Senra Rodríguez, Martin Schirdewan, Helmut Scholz, Barbara Spinelli, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo, Marco Valli, Marco Zullo

Resolutie van het Europees Parlement over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 23 november 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang (2017/2990(DEA))  
B8‑0136/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)07834) ("de wijzigingsverordening"),

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009(1), en met name artikel 3, lid 4, artikel 9, lid 2, en artikel 64, lid 5,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010(2),

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/89 van de Commissie van 18 november 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang(3),

–  gezien Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(4),

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2017 over de VN-klimaatconferentie van 2017 in Bonn, Duitsland (COP23)(5),

–  gezien artikel 105, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Verordening (EU) nr. 347/2013 en de gedelegeerde wijzigingsverordening bedoeld zijn om "de voltooiing van de interne energiemarkt van de Unie te ondersteunen en een rationele productie, een rationeel transport, een rationele distributie en een rationeel gebruik van energie te bevorderen, het isolement van minder welvarende en eilandregio's te verminderen, de energievoorziening, ‑bronnen en ‑routes van de Unie veilig te stellen en te diversifiëren, ook door samenwerking met derde landen, en bij te dragen tot duurzame ontwikkeling en bescherming van het milieu";

B.  overwegende dat het zich bewust is van de inspanningen van de Commissie om het aantal elektriciteitsprojecten op de Unielijst van projecten van gemeenschappelijk belang stabiel te houden, omdat deze nodig zijn om op doeltreffende wijze het pad te effenen voor een koolstofarm Europees energiestelsel;

C.  overwegende dat de Commissie bij het aanwijzen van gasprojecten een inconsistente methode hanteert voor het tellen en bundelen van projecten, waardoor het aantal projecten schijnbaar laag is, terwijl het in werkelijkheid om een veel groter aantal gaat;

D.  overwegende dat het bezorgd vaststelt dat op de lijst een groot aantal projecten met fossiele brandstoffen als prioritair is aangemerkt, en er bij de Commissie op aandringt de projecten te tellen, zodat er een zichtbare en transparante vergelijking mogelijk is tussen beide lijsten;

E.  overwegende dat het cruciaal is dat onze doelstellingen inzake voorzieningszekerheid en energie-onafhankelijkheid worden gehaald, maar dat te hoge ramingen, overcapaciteit en stilstaande installaties slechts tot hogere tarieven leiden, waardoor het concurrentievermogen van onze bedrijven wordt aangetast en de energierekening voor de Europese huishoudens stijgt;

F.  overwegende dat het de Commissie aanmoedigt om de procedure voor de vaststelling en selectie van projecten van gemeenschappelijk belang zo transparant mogelijk te houden en op onafhankelijke gegevens te baseren en daarbij het Parlement in een vroeger stadium de mogelijkheid van toezicht te geven;

G.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs de verplichting oplegt om de stijging van de mondiale gemiddelde temperatuur te beperken tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële niveau en om te streven naar een maximale stijging van 1,5 °C boven het pre‑industriële niveau;

H.  overwegende dat de Overeenkomst van Parijs in 2016 door de Europese Unie is geratificeerd;

I.  overwegende dat de uitstoot van broeikasgassen afkomstig van fossiele brandstoffen de grootste bijdrage levert aan de klimaatverandering;

J.  overwegende dat de nakoming van de in de Overeenkomst van Parijs vastgelegde verplichtingen wordt ondergraven als in het kader van het energiebeleid van de EU nieuwe, op fossiele brandstoffen gebaseerde infrastructuur wordt bevorderd;

K.  overwegende dat het maar de vraag is of het merendeel van de gasprojecten die in de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2017)07834) vermeld staan, verenigbaar is met de in het kader van de Overeenkomst van Parijs aangegane verplichtingen;

L.  overwegende dat nieuwe gasinfrastructuur wordt ontworpen om ten minste 40 tot 50 jaar mee te gaan en in sommige gevallen zelfs langer;

M.  overwegende dat de aanleg van nieuwe gasinfrastructuur het gevaar met zich meebrengt dat een nieuwe afhankelijkheid van fossiele brandstoffen ontstaat die niet verenigbaar is met de in het kader van de Overeenkomst van Parijs aangegane verplichtingen;

1.  maakt bezwaar tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;

3.  verzoekt de Commissie een nieuwe gedelegeerde handeling in te dienen waarmee de aanleg van nieuwe, op fossiele brandstoffen gebaseerde infrastructuur met een mogelijke lange afhankelijkheid tot gevolg wordt vermeden en ervoor te zorgen dat deze volledig verenigbaar is met de in het kader van de Overeenkomst van Parijs aangegane verplichtingen; verzoekt de Commissie voorts de lijst met projecten van gemeenschappelijk belang te presenteren op een wijze die voor de medewetgevers, en met name het Europees Parlement, inzichtelijk en transparant is;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39.

(2)

PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129.

(3)

PB L 19 van 27.1.2016, blz. 1.

(4)

PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0380.

Laatst bijgewerkt op: 9 maart 2018Juridische mededeling