Procedure : 2018/2626(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0139/2018

Ingediende teksten :

B8-0139/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/03/2018 - 10.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 269kWORD 56k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0139/2018
12.3.2018
PE616.084v01-00
 
B8-0139/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Syrië (2018/2626(RSP))


Victor Boştinaru, Elena Valenciano namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Syrië (2018/2626(RSP))  
B8‑0139/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, en met name zijn recentste resolutie van 18 mei 2017 over de EU-strategie voor Syrië(1),

–  gezien resolutie 2401 (2018) van de VN-Veiligheidsraad van 24 februari 2018 over een staking van de vijandelijkheden in Syrië, en eerdere desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het conflict in de Arabische Republiek Syrië, met name de resoluties 2118 (2013), 2139 (2014), 2165 (2014), 2191 (2014), 2199 (2015), 2254 (2015), 2258 (2015), 2268 (2016), 2328 (2016), 2332 (2016) en 2336 (2016),

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, van 20 februari 2018 over de humanitaire situatie in Oost-Ghouta en Idlib, Syrië,

–  gezien resolutie 2393 (2017) van de VN-Veiligheidsraad van 19 december 2017 over toestemming voor de verstrekking van frontlinie- en grensoverschrijdende hulp in Syrië,

–  gezien de verklaring van de VV/HV van 25 november 2017 over de conferentie van de Syrische oppositie in Riyad,

–  gezien de verklaringen van de VV/HV van 9 juli 2017 over een staakt-het-vuren in Syrië,

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van de conferentie over "Steun voor de toekomst van Syrië en de regio" van 5 april 2017,

–  gezien de gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2017 getiteld "Elementen voor een EU-strategie voor Syrië" (JOIN(2017) 11 final) en de conclusies van de Raad over Syrië van 3 april 2017, die samen de nieuwe EU-strategie voor Syrië vormen,

–  gezien de besluiten van de Raad over beperkende EU-maatregelen tegen de verantwoordelijken voor de gewelddadige repressie in Syrië, met inbegrip van zijn meest recente besluit van 26 februari 2018(2),

–  gezien de rapporten van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, die is opgericht door de Mensenrechtenraad van de VN (UNHCR), en de UNHCR-resoluties over de Arabische Republiek Syrië,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties en alle VN-verdragen waarbij Syrië partij is,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten van de VN, met inbegrip van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de burgeroorlog in Syrië al zeven jaar aanhoudt, ondanks diverse internationale inspanningen om een staakt-het-vuren tot stand te brengen en de basis te leggen voor een onderhandelde oplossing; overwegende dat de humanitaire situatie in het land bijgevolg schrijnend blijft; overwegende dat ongeveer 5,6 miljoen mensen in 1 244 gemeenschappen zich in acute nood bevinden, waaronder 2,9 miljoen mensen op moeilijk te bereiken en belegerde locaties;

B.  overwegende dat volgens de VN bijna 100 000 burgers gedwongen waren te vluchten uit hun gemeenschap in het zuidelijke en zuidoostelijke deel van de provincie Idlib, vanwege zware aanvallen door regeringstroepen met steun van Russische strijdkrachten en door Iran gesteunde milities; overwegende dat deze de-escalatiezone op het punt van instorten staat en een aanval door het regime dreigt, wat kan leiden tot nog een humanitaire ramp;

C.  overwegende dat gebieden en steden als Oost-Ghouta, Yarmouk, al-Fu'ah en Kefraya al lang te lijden hebben onder blokkades, die ernstige gevolgen hebben voor de burgerbevolking en het duurzaam verstrekken van humanitaire hulp onmogelijk maken; overwegende dat Oost-Ghouta, dat nochtans als een de-escalatiezone wordt beschouwd, met zijn bevolking van naar schatting 400 000 mensen de voorbije weken zwaar en willekeurig is gebombardeerd door het Syrische regime en zijn bondgenoten, met schade aan scholen en medische voorzieningen tot gevolg, en dat daarbij zelfs chemische wapens zouden zijn gebruikt; overwegende dat de situatie in Oost-Ghouta dermate kritiek is dat de secretaris-generaal van de VN, António Guterres, deze beschreef als de "hel op aarde";

D.  overwegende dat het ontzeggen van essentiële levensmiddelen en geneesmiddelen aan burgers een onaanvaardbaar oorlogsmiddel is, dat verboden is volgens het internationaal humanitair recht; overwegende dat het belemmeren van evacuaties en van de verstrekking van humanitaire hulp en medische zorg een flagrante schending is van het internationaal humanitair recht en van diverse resoluties van de VN-Veiligheidsraad;

E.  overwegende dat alleen al in de eerste twee maanden van 2018 naar schatting 1 000 kinderen in Syrië om het leven zijn gekomen of gewond zijn geraakt; overwegende dat burgers als menselijk schild worden gebruikt in Da'esh-gebied en dat kinderen worden ingelijfd en ingezet bij terroristische activiteiten;

F.  overwegende dat uit het in 2017 door het Bevolkingsfonds van de VN gepubliceerde verslag getiteld "Voices from Syria 2018 – Assessment Findings of the Humanitarian Needs Overview" (Stemmen uit Syrië 2018 – Resultaten van de beoordeling van het overzicht van de humanitaire behoeften) blijkt dat een groot aantal Syrische vrouwen en meisjes stelselmatig wordt gedwongen tot seksuele uitbuiting, een gedwongen huwelijk en andere onaanvaardbare vormen van misbruik in ruil voor hulp; overwegende dat dergelijk misbruik in VN-kringen al bekend is sinds 2015; overwegende dat dergelijke praktijken bijzonder veel voorkomen in gebieden waar het Syrische regime de toegang voor hulporganisaties belemmert en waar deze voor de verstrekking van hulp afhankelijk zijn van derden en plaatselijke actoren;

G.  overwegende dat de Turkse operatie Olijftak in de door de Koerden gecontroleerde provincie Afrin een nieuwe dimensie aan het conflict in Syrië heeft toegevoegd, waardoor de humanitaire problemen en de bezorgdheid over de negatieve gevolgen voor het kwetsbare interne evenwicht in Syrië en/of de inspanningen voor een onderhandelde oplossing nog zijn toegenomen; benadrukt dat al een groot aantal burgerslachtoffers is gemeld en dat het leven van nog eens honderden burgers op het spel staat; overwegende dat de EU haar bezorgdheid hierover duidelijk heeft geuit, Ankara heeft aangemaand zijn offensief stop te zetten en heeft beklemtoond dat de inspanningen gericht moeten zijn op het verslaan van terroristische organisaties die op de VN-lijst zijn geplaatst;

H.  overwegende dat de EU zich krachtig blijft inzetten voor succes bij de onderhandelingen onder auspiciën van de speciale gezant van de VN voor Syrië, het zogenoemde proces van Genève; overwegende dat de EU dit proces blijft ondersteunen, onder meer door de organisatie van de tweede conferentie in Brussel over "Steun voor de toekomst van Syrië en de regio", die op 24 en 25 april 2018 zal plaatsvinden;

I.  overwegende dat de pacten van de EU met Jordanië en Libanon een baanbrekend model kunnen inhouden door in de ontheemding van vluchtelingen een ontwikkelingskans te zien en beleidshervormingen aan te moedigen om de beschermde ruimte voor vluchtelingen in hun gastlanden te vergroten; overwegende dat de uitvoering van deze pacten evenwel achterblijft;

J.  overwegende dat de oorlog de fysieke en sociale infrastructuur van Syrië, waaronder huizen, scholen, ziekenhuizen en watersystemen, heeft verwoest; overwegende dat in een groot deel van het land explosiegevaar op de loer ligt – bijvoorbeeld door mijnen of niet-ontplofte bommen – en dat gendergerelateerd geweld voortdurend deel blijft uitmaken van het leven van vrouwen en meisjes; overwegende dat Syrische vluchtelingen in de huidige omstandigheden daarom niet veilig en waardig kunnen terugkeren;

K.  overwegende dat als gevolg van de toestand in het land en het ontbreken van een brede, echte en inclusieve politieke omslag de EU-strategie voor Syrië nog steeds niet ten volle kan worden uitgevoerd, met name wat de aanzienlijke bijstand betreft die de Unie kan bieden bij de heropbouw van het land;

1.  betreurt ten zeerste dat zich in Syrië onbeschrijflijke verschrikkingen blijven voordoen, na zeven jaar burgeroorlog; dringt aan op volledige uitvoering van het communiqué van Genève en resolutie 2254 van de VN-Veiligheidsraad van 18 december 2015, die de grondslag leggen voor een vreedzame oplossing van het conflict in de toekomst; zet zich krachtig in voor het proces van Genève, dat het internationaal overeengekomen en inclusieve forum biedt om de belangrijkste politieke aspecten van de crisis in Syrië te bespreken en duurzame vrede tot stand te brengen, door middel van een nieuwe grondwet en het houden van democratische verkiezingen onder toezicht van de VN;

2.  veroordeelt krachtig de zware en willekeurige aanval op Oost-Ghouta en het vermoedelijke gebruik van chloorgas bij dit offensief; dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van alle vijandelijkheden en op de volledige eerbiediging van resolutie 2401 (2018) van de VN-Veiligheidsraad, die unaniem is aangenomen en waarin ertoe wordt opgeroepen dat alle partijen, en met name het Syrische regime en zijn bondgenoten, alle vijandelijkheden onverwijld stopzetten gedurende ten minste dertig opeenvolgende dagen, om te zorgen voor een duurzaam humanitair bestand en om de verstrekking van levensreddende humanitaire hulp en medische evacuaties van zieken en gewonden mogelijk te maken;

3.  roept Rusland, Iran en Turkije, die borg staan voor de de-escalatieovereenkomsten (proces van Astana), op hun invloed op het Syrische regime aan te wenden om de situatie in Oost-Ghouta te verlichten, en te zorgen voor de eerbiediging van het staakt-het-vuren in alle de-escalatiezones, met inbegrip van Idlib, zoals de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, reeds na de zitting van de Raad Buitenlandse Zaken van 26 februari 2018 in een brief aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de drie landen heeft gevraagd; neemt kennis van het besluit van Rusland, Iran en Turkije om in april een nieuwe topbijeenkomst te houden om te spreken over Syrië en mogelijke stappen in de regio; benadrukt dat deze stappen geenszins de gesprekken onder auspiciën van de VN/het proces van Genève mogen ondermijnen en daarmee niet onverenigbaar mogen zijn;

4.  maakt zich nog steeds grote zorgen over de situatie in Afrin, onder meer over de mogelijke confrontatie tussen Turkse strijdkrachten en Assad of Russische strijdkrachten en over de oplopende spanningen met de Verenigde Staten; herhaalt het standpunt van de VV/HV dat het ontstaan van nieuwe fronten in Syrië niet in het belang van de Turkse veiligheid is en waarschuwt voor een verdere verslechtering van de humanitaire crisis in het land;

5.  dringt aan op onmiddellijke beëindiging van operatie Olijftak, die oorspronkelijk werd gerechtvaardigd op grond van veiligheidsoverwegingen en werd aangekondigd als een operatie met een beperkte reikwijdte en omvang, maar die nu een onevenredige maatregel blijkt; eist de volledige eerbiediging van het humanitaire recht, met inbegrip van de bescherming van burgers; benadrukt dat de militaire operaties gericht moeten zijn op de strijd tegen terroristische organisaties die op de VN-lijst zijn geplaatst, en herinnert eraan dat in de meest recente resolutie van de VN-Veiligheidsraad – 2401 (2018) – wordt opgeroepen tot een staakt-het-vuren in heel Syrië, dus ook in Afrin; benadrukt voorts dat de beschermingseenheden van het Koerdische volk (YPG) in die resolutie niet worden vermeld onder de terroristische organisaties die een legitiem doelwit vormen en dat de YPG-strijdkrachten in Afrin zich reeds bereid hebben verklaard het staakt-het-vuren te aanvaarden;

6.  dringt nogmaals aan op veilige, tijdige en ongehinderde humanitaire toegang tot het gehele Syrische grondgebied en is ingenomen met resolutie 2393 (2017) van de VN-Veiligheidsraad, waarin de toestemming voor frontlinie- en grensoverschrijdende humanitaire hulp aan Syrië voor nog eens twaalf maanden wordt verlengd (tot 10 januari 2019);

7.  beklemtoont dat de Syrische autoriteiten en alle partijen er in de resolutie toe worden opgeroepen hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal humanitair recht na te komen, waarbij wordt gewaarschuwd dat het ontzeggen van de toegang tot hulp kan neerkomen op een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid; betreurt dat Rusland en China zich bij de stemming hebben onthouden en niet voor de resolutie hebben gestemd, en dat het Syrische regime en de Russische overheid een voorbehoud hebben gemaakt ten aanzien van toekomstige verlengingen; spoort de VN en de uitvoeringspartners aan stappen te blijven zetten om meer humanitaire hulp te verstrekken in moeilijk te bereiken en belegerde gebieden, onder meer door zo doeltreffend als mogelijk gebruik te maken van grensovergangen uit hoofde van resolutie 2165 van de VN-Veiligheidsraad;

8.  betreurt ten zeerste dat Rusland in de Veiligheidsraad meermaals zijn veto heeft uitgesproken en dat geen overeenstemming werd bereikt om het mandaat van het gezamenlijk onderzoeksmechanisme (JIM) van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens en van de VN te verlengen voor het verstrijken daarvan op 17 november 2017; is van oordeel dat deze houding beschamend is voor een permanent lid van de Veiligheidsraad met een bijzondere verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de internationale vrede en veiligheid; benadrukt dat de belemmering van internationale onderzoeken wereldwijd meer dan iets anders als teken van schuld wordt gezien;

9.  benadrukt dat er geen sprake mag zijn van verdraagzaamheid of straffeloosheid ten aanzien van de verschrikkelijke misdaden die in Syrië zijn gepleegd; roept nogmaals op tot onafhankelijk, onpartijdig, grondig en geloofwaardig onderzoek en vervolging van de verantwoordelijken en ondersteunt de werkzaamheden van het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme (IIIM) voor de internationale misdrijven die sinds maart 2012 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd; stelt met tevredenheid vast dat de EU heeft besloten door middel van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) 1,5 miljoen EUR aan financiële steun te verstrekken aan het mechanisme; benadrukt evenwel dat ook na de looptijd van 18 maand van het programma nog steun nodig zal zijn; onderstreept hoe belangrijk het is dat de lidstaten hun beloftes nakomen, en verwacht dat de financiering van het IIIM op de tweede conferentie in Brussel over "Steun voor de toekomst van Syrië en de regio" behandeld en geregeld zal worden; roept voorts op tot ondersteuning van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en ngo's die bewijsmateriaal van mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitaire recht verzamelen en trachten te bewaren;

10.  herhaalt zijn steun voor het beginsel van universele jurisdictie om af te rekenen met straffeloosheid en is verheugd over de maatregelen die enkele EU-lidstaten hiertoe hebben genomen; herhaalt zijn verzoek aan de EU en haar lidstaten om, in nauwe samenwerking met gelijkgestemde landen, te onderzoeken of er, in afwachting van een succesvolle verwijzing naar het ICC, een tribunaal voor oorlogsmisdaden in Syrië kan worden ingesteld;

11.  steunt de toevoeging op 26 februari 2018 aan de lijst van personen op wie beperkende EU-maatregelen tegen het Syrische regime van toepassing zijn, van twee Syrische ministers die in januari 2018 zijn benoemd en verantwoordelijk zijn voor repressief optreden tegen het Syrische volk; benadrukt hoe belangrijk het is dat alle lidstaten Besluit 2011/273/GBVB van de Raad ten volle in acht nemen en de sancties handhaven;

12.  spreekt zijn afschuw uit over de meldingen van chantage en seksueel misbruik van vrouwen en meisjes door hulpverleners, derden en lokale ambtenaren die hulp verlenen namens humanitaire organisaties en agentschappen; verklaart stellig dat er geen sprake kan zijn van verdraagzaamheid ten aanzien van dergelijke daden; dringt aan op een grondig onderzoek en benadrukt dat alle verantwoordelijken moeten worden gestraft;

13.  onderkent de indrukwekkende solidariteit die Jordanië, Libanon en Turkije ten aanzien van vluchtelingen hebben betoond, en staat achter de financiële steun van de EU voor het aanpakken van de dringende behoeften van vluchtelingen en hun gastgemeenschappen; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de lidstaten hun financiële steun voor de gastlanden verhogen en juicht toe dat de tweede conferentie in Brussel over "Steun voor de toekomst van Syrië en de regio" als doel heeft meer steun van de internationale gemeenschap te kanaliseren naar landen die vluchtelingen opnemen;

14.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het bericht dat 66 000 vluchtelingen in 2017 naar Syrië zijn teruggekeerd en onderstreept dat het beginsel van non-refoulement ten volle moet worden geëerbiedigd; benadrukt dat de veiligheidssituatie in Syrië de terugkeer van vluchtelingen niet mogelijk maakt en dat de EU de terugkeer niet mag ondersteunen; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten om hun eigen beloften na te komen, met inbegrip van die in de Verklaring van New York, en te zorgen voor een verdeling van de lasten door de mensen die oorlogsgebieden in Syrië ontvluchten, toe te staan bescherming te zoeken in andere dan de directe buurlanden van Syrië, onder meer middels hervestiging en humanitaire toelatingsregelingen;

15.  dringt aan op maximale steun voor de meest kwetsbare personen in Syrië en zijn buurlanden, met name vrouwen, kinderen, personen met een handicap, ouderen, minderheden en LGBTI-personen; benadrukt dat de EU moet waarborgen dat kinderen en jongeren uit Syrië goed onderwijs en beroepsopleiding krijgen, zodat hun re-integratie in de maatschappij vlot kan verlopen;

16.  veroordeelt krachtig dat kinderen worden ingezet bij gevechten of terroristische aanslagen; benadrukt dat geen rechtvaardiging mogelijk is voor aanslagen op scholen, speeltuinen, ziekenhuizen of andere medische voorzieningen en dichtbevolkte gebieden;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de Verenigde Naties, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict, en te zorgen voor vertaling van deze tekst in het Arabisch.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0227.

(2)

PB L 54 I van 26.2.2018, blz. 8.

Laatst bijgewerkt op: 14 maart 2018Juridische mededeling