Procedure : 2018/2566(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0145/2018

Ingediende teksten :

B8-0145/2018

Debatten :

PV 14/03/2018 - 16
CRE 14/03/2018 - 16

Stemmingen :

PV 15/03/2018 - 10.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0091

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 172kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0137/2018
12.3.2018
PE616.091v01-00
 
B8-0145/2018

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8‑0007/2018

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven) (2018/2566(RSP))


Esther Herranz García, Albert Deß, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Michel Dantin, Rosa Estaràs Ferragut, Santiago Fisas Ayxelà, Antonio López-Istúriz White, Gabriel Mato, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Ramón Luis Valcárcel Siso, Verónica Lope Fontagné, Carlos Iturgaiz namens de PPE-Fractie

B8‑0145/2018 Resolutie van het Europees Parlement over de aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven) (2018/2566(RSP))  

Het Europees Parlement,

–  gezien het op 13 juli 2017 door het Amerikaanse Ministerie van Handel en de Amerikaanse Commissie internationale handel aangekondigde onderzoek om na te gaan of door Spanje uitgevoerde rijpe olijven op de Amerikaanse markt worden gedumpt en verstorende subsidies ontvangen, naar aanleiding van een verzoekschrift van de Coalition for Fair Trade in Ripe Olives over vermeende oneerlijke concurrentie door Spaanse uitvoer,

–  gezien het verslag van de Amerikaanse Commissie internationale handel van 5 augustus 2017, waarin wordt vastgesteld dat door Spanje uitgevoerde rijpe olijven schade veroorzaken en een bedreiging kunnen vormen voor de Californische sector,

–  gezien het voorlopige besluit van het Amerikaanse ministerie van Handel van 21 november 2017 tot vaststelling van voorlopige compenserende rechten op Spaanse uitvoer,

–  gezien het voorlopige besluit van het Amerikaanse ministerie van Handel van 18 januari 2017 tot vaststelling van voorlopige antidumpingrechten op Spaanse uitvoer,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(1),

–  gezien de vraag aan de Commissie over de aanval van de VS op de landbouwsteun van de EU in het kader van het GLB (in de context van Spaanse olijven) (O‑000006/2018 – B8‑0007/2018),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Amerikaanse antidumpingonderzoek en in het bijzonder het onderzoek met het oog op een compenserend recht naar rijpe Spaanse olijven een zeer gevaarlijk precedent scheppen voor andere landbouwproducten die ook landbouwsubsidies ontvangen in het kader van het GLB;

B.  overwegende dat het risico bestaat dat de Amerikaanse regering andere, soortgelijke onderzoeken zal verrichten, waardoor de bilaterale handelsbetrekkingen op landbouwgebied in gevaar kunnen komen en het hele Europese landbouwmodel op de helling kan komen te staan;

C.  overwegende dat een definitief resultaat van het onderzoek met het oog op een compenserend recht tot soortgelijke onderzoeken door andere derde landen zou kunnen leiden, ook naar andere agrovoedingsmiddelen dan rijpe olijven, wat een stok in het wiel zou steken van de inspanningen van de EU om het GLB in een niet‑handelsverstorend stelsel op internationaal niveau in te passen;

D.  overwegende dat de EU verscheidene GLB-hervormingen heeft doorgevoerd die onder meer tot doel hadden haar landbouwbeleid in overeenstemming te brengen met de WTO-regels door drastische veranderingen aan te brengen, met name door over te stappen van gekoppelde op ontkoppelde steun;

E.  overwegende dat de GLB-subsidies die aan primaire producenten van tafelolijven in Spanje worden verleend, overeenkomstig bijlage II bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw in aanmerking komen als "groene doos"-steun, aangezien ze losgekoppeld zijn van de productie en de handel niet verstoren;

F.  overwegende dat deze landbouwsubsidies op grond van artikel 2 van de WTO‑overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen niet als productspecifiek kunnen worden aangemerkt;

G.  overwegende dat het onderzoek naar Spaanse olijven een van de meer dan 50 handelsprocedures is die de VS reeds hebben ingeleid in het kader van hun nieuwe protectionistische beleid onder het motto "America first", wat leidt tot ongerechtvaardigde en onevenredige handelsbeperkingen die de trans-Atlantische betrekkingen verstoren;

H.  overwegende dat er ernstig wordt betwijfeld of de formule die de Amerikaanse onderzoekers gebruiken om de voorlopige antidumpingmarge te berekenen, verenigbaar is met de WTO-regels;

I.  overwegende dat het Amerikaanse onderzoek is gericht op de drie grootste Spaanse producenten, die goed zijn voor 70 % van de Spaanse uitvoer naar de VS, en dat de antidumping- en compenserende rechten gevolgen kunnen hebben voor alle uitvoer van rijpe olijven door Spanje, dat de grootste producent ter wereld is;

J.  overwegende dat de VS voorlopige antidumpingrechten van gemiddeld 17,13 % hebben opgelegd aan de drie Spaanse bedrijven waarop het onderzoek betrekking heeft, en compenserende rechten van gemiddeld 4,47 % hebben opgelegd aan alle Spaanse exporteurs;

K.  overwegende dat de Spaanse producenten de Amerikaanse markt, die hun een jaarlijkse omzet van 70 miljoen EUR heeft opgeleverd, zouden kunnen verliezen, terwijl concurrenten uit derde landen zoals Egypte, Tunesië of Turkije zouden profiteren van het gat in de uitvoermarkt dat door het Amerikaanse besluit ontstaat;

L.  overwegende dat een negatief eindresultaat van de Amerikaanse onderzoeken zou leiden tot een toepassingstermijn van maximaal vijf jaar, die met nog eens vijf jaar zou kan worden verlengd en een einde zou maken aan de Spaanse uitvoer;

M.  overwegende dat de drie bedrijven, bovenop de exportverliezen, worden geconfronteerd met zeer hoge advocatenkosten, die al meer dan 5 miljoen EUR bedragen;

N.  overwegende dat het concurrentievermogen van de Spaanse uitvoer, waarvan het marktaandeel in de VS de afgelopen jaren geleidelijk is toegenomen, het resultaat is van inspanningen van deze bedrijven om de kosten te drukken door investeringen in geavanceerde technologie en kwaliteitsverbeteringen, en niet het gevolg is van Europese subsidies;

O.  overwegende dat de toename van de Spaanse uitvoer naar de VS (+20 % sinds 2013) het mogelijk heeft gemaakt duizenden banen te scheppen en economisch soelaas heeft geboden aan een aantal van de gebieden in Andalusië die het zwaarst door de economische crisis zijn getroffen;

P.  overwegende dat gemiddeld 83 % van de in Spanje geproduceerde rijpe olijven wordt uitgevoerd, wat erop wijst dat de internationale markten voor dit product van levensbelang zijn;

Q.  overwegende dat invoer goed is voor 50 % van de consumptie van olijven in de VS en dat Spaanse olijven 37 % uitmaken van de 100 miljoen kg die in het land worden geconsumeerd en die vooral worden gebruikt voor de productie van verwerkte producten zoals pizza's;

1.  vraagt de Commissie de Spaanse bedrijven die door de Amerikaanse onderzoeken worden getroffen, sterk te steunen met advies;

2.  vraagt de Commissie duidelijkheid te verschaffen over de vraag of de formule die de Amerikaanse onderzoekers gebruiken om de antidumpingmarges te berekenen, verenigbaar is met de WTO-regels;

3.  vraagt de Commissie na te gaan of het mogelijk is de Amerikaanse besluiten aan te vechten voor het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO;

4.  vraagt de Commissie alle mogelijke diplomatieke stappen te ondernemen om de niet‑verstorende aard van de landbouwsubsidies van de EU te verdedigen;

5.  pleit ervoor dat de EU soortgelijke onderzoeken instelt naar Amerikaanse uitvoer van landbouwproducten naar de EU, met bijzonder aandacht voor landbouwproducten die handelsverstorende subsidies van de Amerikaanse overheid ontvangen en in aanzienlijke hoeveelheden door de EU worden ingevoerd, zoals ethanol, amandelen, durumtarwe en mais;

6.  is zeer bezorgd over de negatieve gevolgen die de compenserende maatregelen van de VS kunnen hebben voor het hele Europese landbouwmodel;

7.  laakt deze en andere beperkende handelsmaatregelen die de Amerikaanse regering onlangs ten aanzien van invoer uit de EU heeft genomen, aangezien deze duidelijk staan voor een nieuw, protectionistischer beleid dat niet strookt met de WTO-regels; is van mening dat dit zal leiden tot meer algemene instabiliteit in de wereldhandel en dat het de handelsbetrekkingen met de EU ernstig dreigt te verstoren;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de autoriteiten van de Verenigde Staten.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.

Laatst bijgewerkt op: 14 maart 2018Juridische mededeling