Procedure : 2017/2951(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0195/2018

Ingediende teksten :

B8-0195/2018

Debatten :

PV 18/04/2018 - 26
CRE 18/04/2018 - 26

Stemmingen :

PV 19/04/2018 - 10.17
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 172kWORD 53k
16.4.2018
PE618.448v01-00
 
B8-0195/2018

naar aanleiding van vragen met verzoek om mondeling antwoord B8‑0011/2018 en B8‑0012/2018

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over terughoudendheid ten opzichte van vaccins en daling van de vaccinatiegraad in Europa (2017/2951(RSP))


Joëlle Mélin namens de ENF-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over terughoudendheid ten opzichte van vaccins en daling van de vaccinatiegraad in Europa (2017/2951(RSP))  
B8‑0195/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de conclusies van de Raad getiteld "Kinderimmunisatie: successen en problemen van de Europese kinderimmunisatie en de weg voorwaarts", die zijn goedgekeurd door de ministers van Volksgezondheid van de EU-lidstaten op 6 juni 2011(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 1 december 2014 over vaccinaties als doeltreffend instrument voor de volksgezondheid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 29 juni 2017 over een Europees "één gezondheid"-actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) (COM(2017)0339),

–  gezien het Mondiaal vaccinatieplan (GVAP) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), dat in mei 2012 werd bekrachtigd door de 194 lidstaten van de Wereldgezondheidsvergadering,

–  gezien Resolutie 68.6 van de Wereldgezondheidsorganisatie, die op 26 mei 2015 werd aangenomen door de 194 lidstaten van de Wereldgezondheidsvergadering,

–  gezien het Europees vaccinatieplan 2015-2020 van de Wereldgezondheidsorganisatie, vastgesteld op 18 september 2014,

–  gezien het technisch verslag van 27 april 2017 van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) getiteld "Informatiesystemen inzake immunisatie in de EU en de EER",

–  gezien het technisch verslag van het ECDC van 14 juni 2017 getiteld "Ziekten die door vaccinatie kunnen worden voorkomen en immunisatie: kerncompetenties",

–  gezien de politieke verklaring van de in New York gehouden bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de VN van 21 september 2016 over antimicrobiële resistentie,

–  gezien het rapport van de Wereldbank van maart 2017 getiteld "Drug-Resistant Infections: A Threat to Our Economic Future" (Geneesmiddelenresistente infecties: een bedreiging voor onze economische toekomst),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 22 december 2009 inzake de vaccinatie tegen seizoensinfluenza(2),

–  gezien het feit dat er steeds meer intercontinentaal wordt gereisd,

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over terughoudendheid tegenover vaccins en daling van de vaccinatiegraad in Europa (O-000008/2018 – B8‑0011/2018 en O-000009/2018 – B8‑0012/2018),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de toepassing van preventieve vaccinatie ter bestrijding van bepaalde ziekten zoals tetanus, polio, pokken en tuberculose tot nu toe uitmuntende resultaten heeft opgeleverd, zonder ernstige bijwerkingen te veroorzaken in Europa of de rest van de wereld en zonder bezorgdheid te wekken over een minimale vaccinatiegraad;

B.  overwegende dat deze ziektes tegenwoordig in resistente vorm opnieuw voorkomen in Europa en dat aangetoond is dat dit rechtstreeks samenhangt met grote migrantenstromen;

C.  overwegende dat in de EU in zeven jaar tijd 215 000 ziektegevallen (influenza niet meegerekend) door vaccinatie voorkomen hadden kunnen worden, d.w.z. 30 000 per jaar, of 0,0055 % van de Europese bevolking, wat vanuit wetenschappelijk oogpunt een zeer lage baten-risicoverhouding vertegenwoordigt(3);

D.  overwegende dat 95 % van deze ziekten, waarvan sommige potentieel dodelijk zijn en door vaccinatie voorkomen kunnen worden, in Europa in wezen uitsluitend door hygiënemaatregelen zijn uitgeroeid, wat met name voor de mazelen geldt;

E.  overwegende dat er wereldwijd nog steeds 2,5 miljoen sterfgevallen zijn die niet rechtstreeks toe te schrijven zijn aan onvoldoende bescherming door vaccinatie, maar wel aan de verspreiding van bepaalde ziekten, die uitsluitend te wijten is aan slechte hygiënische omstandigheden;

F.  overwegende dat de vaccinatieprogramma's van de 28 lidstaten op 1 januari 2018 sterk uiteenliepen en dat er in Europa al tien jaar lang een tekort aan vaccins bestaat;

G.  overwegende dat er desondanks geen pandemie in Europa of de rest van de wereld is uitgebroken die de paniekzaaiende uitlatingen van voorstanders van vaccinatie zou rechtvaardigen;

H.  overwegende dat juist deze georkestreerde paniekzaaiende uitlatingen nepnieuws bij uitstek vormen;

I.  overwegende dat er bovendien geen experimenten zijn uitgevoerd met polyvalente vaccins van verschillende stammen, ondanks het feit dat het gebruik ervan binnenkort in verschillende landen van de Unie verplicht wordt gesteld;

J.  overwegende dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen vaccins en antimicrobiële resistentie (AMR); overwegende dat AMR alleen kan worden tegengegaan door het adequate gebruik van antibiotica op wereldwijde schaal, en niet alleen door het adequate gebruik van vaccins;

K.  overwegende dat in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens het volgende is bepaald: "1. Eenieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.";

1.  dringt erop aan om aan de buitengrenzen van de EU zeer zorgvuldig te controleren of migranten wellicht dragers van resistente bacteriën zijn;

2.  dringt erop aan om dezelfde controles uit te voeren aan de grenzen van elke lidstaat;

3.  verzoekt elke lidstaat een groot experiment met polyvalente vaccins op te zetten voordat deze vaccins op de markt worden gebracht en wettelijk verplicht worden gesteld, en dringt erop aan hun baten-risicoverhouding te vergelijken met die van andere preventieve methoden;

4.  dringt aan op de volledige openbaarmaking van alle informatie met betrekking tot de Europese aanbesteding die is uitgeschreven en bekrachtigd door de 24 lidstaten die over laboratoria beschikken waar vaccins worden geproduceerd;

5.  dringt erop aan de naleving van het besluit van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het recht op privacy(4) door middel van extrapolatie uit te breiden naar verplichte vaccinatie;

6.  dringt erop aan dat lidstaten de bevoegdheid om vaccinatieschema's vast te stellen behouden;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de Wereldgezondheidsorganisatie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

(1)

PB C 202 van 8.7.2011, blz. 4.

(2)

PB L 348 van 29.12.2009, blz. 71.

(3)

Council on Foreign Relations, "Vaccine-Preventable Outbreak Maps", 2015.

(4)

EHRM, nr. 32647/96, D.R. 94, blz. 91-93.

Laatst bijgewerkt op: 18 april 2018Juridische mededeling