Procedure : 2018/2718(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0246/2018

Ingediende teksten :

B8-0246/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 31/05/2018 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0237

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 271kWORD 50k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0242/2018
28.5.2018
PE621.630v01-00
 
B8-0246/2018

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020 (2018/2718(RSP))


Pavel Telička, Gesine Meissner, Izaskun Bilbao Barandica namens de ALDE-Fractie
Ismail Ertug, Inés Ayala Sender namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen na 2020 (2018/2718(RSP))  
B8‑0246/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en de latere wijziging daarvan bij Verordening (EU, Euratom) 2017/1123 van de Raad van 20 juni 2017(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel(3),

–  gezien de discussienota van de Commissie over de toekomst van de EU-financiën van 28 juni 2017 (COM(2017) 358),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën(4),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (COM(2016)0604) en het begeleidende werkdocument (SWD(2016)0299),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 14 september 2016 voor een wijziging van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (COM(2016)0606),

–  gezien de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs door het Parlement op 4 oktober 2016 en door de Raad op 5 oktober 2016,

–  gezien zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020(5),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016 over de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader(6),

–  gezien het verslag van de Commissie van 14 februari 2018 over de tussentijdse evaluatie van de Connecting Europe Facility (CEF) (COM(2018)0066),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de ontwikkeling en het herstel van vervoersinfrastructuur in de EU nog steeds behoorlijk versnipperd is en een grote uitdaging vormt wat capaciteit en financiering betreft maar van essentieel belang is om zowel duurzame groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen als sociale en territoriale cohesie in de Unie te waarborgen;

B.  overwegende dat de Connecting Europe Facility (CEF) een gemeenschappelijk, centraal beheerd financieringsprogramma betreft ter bevordering van de ontwikkeling van zeer performante, duurzame en onderling verbonden trans-Europese netwerken (TEN) op het gebied van vervoer, energie en digitale diensten;

C.  overwegende dat de spoedige voltooiing van het trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-V) aanzienlijk zal bijdragen tot de verwezenlijking door de EU van haar emissiereductiedoelstellingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs en tot het koolstofarm maken van de Europese economie; overwegende dat het kernnetwerk uiterlijk in 2030 voltooid moet zijn en het uitgebreide netwerk uiterlijk in 2050;

D.  overwegende dat een op de tien Europeanen werkzaam is in de vervoerssector in ruime zin en investeringen in vervoersinfrastructuur zullen leiden tot de totstandkoming van nieuwe banen; naar schatting levert elke miljard euro dat geïnvesteerd wordt in het TEN-T-kernnetwerk 20 000 nieuwe banen op;

E.  overwegende dat de CEF gericht is op het vergemakkelijken van grensoverschrijdende verbindingen, multimodale en stedelijke knooppunten, het verhelpen van tekortkomingen van de markt en het wegwerken van knelpunten; overwegende dat de CEF gezorgd heeft voor de verwezenlijking van projecten die anders niet gerealiseerd zouden zijn, en daarmee de EU een duidelijke meerwaarde verleent door transnationale samenwerking en coördinatie te bevorderen;

F.  overwegende dat het grootste deel van de CEF-begroting in de periode 2014-2020 betrekking heeft op de vervoerssector; overwegende dat het aandeel van het vervoer was onderverdeeld in een algemeen bedrag voor alle lidstaten en middelen voor cohesiebeleid die direct uit het Cohesiefonds werden overgedragen aan lidstaten die voor steun uit dat fonds in aanmerking kwamen;

G.  overwegende dat de CEF een van de meest geslaagde EU-programma's betreft gezien het feit dat de oproepen tot het indienen van voorstellen tot een overvloed aan voorstellen geleid hebben; overwegende dat CEF-Vervoer eind 2017 reeds subsidies ten belope van 21,3 miljard EUR aan TEN-V-projecten had toegekend, waarmee een totaalbedrag van 41,6 miljard EUR aan investeringen werd gegenereerd; overwegende dat in de loop van 2018 aanvullende subsidie-overeenkomsten zullen worden getekend voor een "blendingoproep" voor een combinatie van CEF-subsidies en particuliere investeringen, waaronder van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); overwegende dat het oorspronkelijke budget van 1 miljard EUR voor deze oproep in november 2017 met 350 miljoen EUR is verhoogd voor steun voor de prioriteit "innovatie en nieuwe technologieën", overeenkomstig de doelstellingen van het actieplan alternatieve brandstoffen;

H.  overwegende dat de invoering van het beginsel "gebruiken of verliezen" aanzienlijk heeft bijgedragen tot het succes van de CEF; overwegende echter dat terugvordering van de begrotingsmiddelen van niet-uitgevoerde projecten moet worden versneld;

I.  overwegende dat de CEF tot doel heeft de investeringen in trans-Europese vervoersinfrastructuren en -innovatie te versnellen en als hefboom te fungeren voor financiering vanuit zowel de publieke als de particuliere sector, waarbij tegelijkertijd de rechtszekerheid wordt vergroot en het beginsel van technologische neutraliteit in acht wordt genomen;

J.  overwegende dat de Commissie naar verwachting in juni 2018 haar wetgevingsvoorstellen inzake Europese strategische investeringen, met inbegrip van een geactualiseerde Connecting Europe Facility (CEF), zal presenteren;

1.  beklemtoont dat investeringen in vervoersinfrastructuur neerkomen op investeringen in langdurige duurzame groei, cohesie, concurrentievermogen en werkgelegenheid; benadrukt derhalve het strategisch belang van het CEF-programma voor de integratie van de interne markt, slimme mobiliteit en de mogelijkheden voor de EU om door middel van dit programma concrete toegevoegde waarde voor de burgers te bieden;

2.  wijst er met nadruk op dat het CEF-programma 2014-2020 erin is geslaagd veel Europese meerwaarde te creëren door connectiviteitsprojecten te ondersteunen met een grensoverschrijdende, interoperabele en multimodale dimensie en projecten die de connectiviteit in alle vervoersmodi verhogen, ook op zee, waarbij prioriteit is gegeven aan projecten die ontbrekende schakels en knelpunten wegwerken, met het oog op de verwezenlijking van een eengemaakte, voor iedereen toegankelijke Europese vervoersruimte en een innovatieve vervoerssector;

3.  is zich ervan bewust dat de voordelen en het potentieel van EU-investeringen in het TEN-V-netwerk slechts volledig kunnen worden benut na de voltooiing van het kernnetwerk en de uitgebreide netwerken; onderstreept dat de druk op de ketel moet blijven om ervoor te zorgen dat deze netwerken respectievelijk uiterlijk 2030 en 2050 worden voltooid en volgens de normen van de 21ste eeuw;

4.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het CEF-programma in het MFK-voorstel 2021-2027, wat beleidsdoelstellingen en financiële middelen betreft, met nog grotere ambitie vervolg zal geven aan het huidige programma; benadrukt dat investeringen in digitale, innovatieve en duurzame vervoersprojecten moeten worden versneld om een groener, echt geïntegreerd, modern, voor iedereen toegankelijk, veiliger en efficiënter vervoerssysteem te bewerkstelligen;

5.  onderkent dat de tussenkomst van de CEF beslissend was voor de start van de meeste projecten; wijst erop dat de CEF bewezen heeft een belangrijke katalysator te zijn voor publieke en particuliere investeringen; is echter van mening dat meer maatregelen nodig zijn om het potentieel van de CEF volledig te kunnen benutten;

6.  is van mening dat in het volgende MFK, uitgaande van een grondige evaluatie van de periode 2014-2020 en de gevolgen van de ingewikkelde relatie tussen de CEF en andere financiële programma's en instrumenten, zoals Horizon 2020, de ESI-fondsen en het EFSI, en met name het waargenomen substitutie-effect tussen de CEF en het EFSI, de Commissie de complementariteit tussen de CEF en andere programma's, zoals Horizon Europa en het InvestEU-fonds, verder moet versterken en waarborgen, teneinde de duidelijke doelstellingen van het programma te handhaven en te bevorderen, overlappingen te vermijden en begrotingsbronnen te optimaliseren;

7.  beklemtoont dat elke besparing op de volgende CEF ten gunste van andere programma’s, zoals het geval was in de CEF 2014-2020 ten behoeve van het EFSI en het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie, uit den boze is; dringt er bij de Commissie op aan de integriteit van de financiële capaciteit van de CEF te handhaven;

8.  erkent het bemoedigende succes van de eerste resultaten van de blendingoproep tot het indienen van voorstellen die is gedaan binnen het huidige CEF-programma; spoort de Commissie derhalve aan dergelijke oproepen in de toekomst te herhalen en gebruik te blijven maken van een sterker CEF in de vorm van subsidies die worden gecombineerd met financiële instrumenten van de EU en van derden; verzoekt de Commissie mogelijkheden te onderzoeken om de deelname van particuliere mede-investeerders effectiever aan te moedigen en de lidstaten om wetgevende en administratieve obstakels voor een dergelijk proces weg te nemen;

9.  verzoekt de Commissie op projectniveau tussen de drie sectoren meer synergieën te bevorderen, die thans beperkt zijn als gevolg van de starheid van het begrotingskader wat de subsidiabiliteit van de projecten en de kosten betreft;

10.  is zich bewust van de cruciale rol van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) in het succes van de CEF, gezien het feit dat zijn rechtstreeks beheer heeft gezorgd voor gemeenschappelijke procedures in de drie sectoren, een snelle toewijzing van middelen, een zeer goede begrotingsuitvoering en optimalisering van de financiële capaciteit, door niet-gebruikte middelen toe te wijzen aan nieuwe acties;

11.  steunt de toepassing van het beginsel "gebruiken of verliezen" in het rechtstreekse beheer van de CEF; dringt tegelijkertijd aan op de handhaving van de mogelijkheid de vastleggingen in geval van projecten die niet presteren zoals verwacht, te hergebruiken, teneinde de efficiëntie van de CEF te vergroten;

12.  onderkent de complexiteit van het indienen van een projectaanvraag, in het bijzonder voor grote vervoersinfrastructuren, en het belang van de technische bijstand, bijvoorbeeld via programma-ondersteunende acties van de CEF, met name aan cohesielidstaten, om de subsidiabiliteit van tot wasdom gekomen en hoogwaardige projecten te bevorderen; verzoekt de Commissie dit soort ondersteuning te blijven bieden en evaluatiecriteria te overwegen die kunnen zorgen voor een duidelijker vaststelling van de meerwaarde van projecten; vraagt de Commissie voorts verdere stappen te ondernemen om de administratieve voorschriften niet alleen voor geringe subsidies aanzienlijk te vereenvoudigen en de technische bijstand voor aanvragers van kleinere projecten aan te passen;

13.  is ingenomen met de overdracht binnen het programma 2014-2020 van 11,3 miljard EUR van het Cohesiefonds naar de cohesiemiddelen van de vervoerspijler van de CEF en wijst op het enorme succes van de cohesie-oproepen;

14.  neemt nota van het voorstel van de Commissie om een bedrag van 42,265 miljard EUR toe te wijzen aan de CEF voor de periode 2021-2027; is echter teleurgesteld dat in constante prijzen de toewijzing aan de CEF voor vervoer 11,384 miljard EUR bedraagt en de bijdrage van het Cohesiefonds 10 miljard EUR, wat een besparing van respectievelijk 12 % en 13 % betekent; stelt vast en acht het niet aanvaardbaar dat de vervoerspijler als enige minder middelen toegewezen heeft gekregen; onderstreept dat de uitdagingen waar de vervoerssector in de interne markt voor staat en het succes van de CEF in schril contrast staan met de voor vervoer beschikbare middelen en verzoekt de Commissie het voorgestelde bedrag te heroverwegen;

15.  is van mening dat teneinde ervoor te zorgen dat het CEF-programma zijn grote geloofwaardigheid en aantrekkelijkheid voor investeerders behoudt, de financiële capaciteit ervan in de volgende MFK-periode moet worden vergroot; benadrukt dat een ontoereikend budget voor vervoer de voltooiing van het TEN-V-netwerk in gevaar zal brengen en dat daardoor de reeds gedane investeringen uit overheidsmiddelen in feite in waarde dalen; onderstreept voorts dat de cohesiemiddelen cruciaal zijn voor de voltooiing van de delen van de kernnetwerken in de cohesielidstaten en derhalve voor de territoriale cohesie van de EU; verzoekt de Commissie en de lidstaten het deel van het Cohesiefonds in rechtstreeks beheer van de CEF in het volgende MFK te handhaven;

16.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te blijven inzetten voor de belangrijkste beleidsdoelstellingen van de CEF met betrekking tot vervoer: voltooiing - tegen 2030 - van het TEN-V-kernnetwerk, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van Sesar en ERTMS, en de transitie naar schone, concurrerende, innovatieve en geconnecteerde mobiliteit, met inbegrip van een Europese hoofdstructuur van laadpunten voor alternatieve brandstoffen tegen 2050; vooruitgang in de richting van de voltooiing van het uitgebreide TEN-V-netwerk tegen 2050; herinnert in dit verband eraan hoe belangrijk het is de aandacht te richten op multimodale en grensoverschrijdende verbindingen;

17.  verzoekt de Commissie na te denken over de vaststelling van specifieke, gerichte en transnationale instrumenten om de correcte uitvoering van de horizontale prioriteiten zoals ERTMS te versnellen en te waarborgen;

18.  verzoekt de Europese coördinatoren aan het eind van de periode 2014-2020 een grondige evaluatie te verrichten van projecten die voltooid of in een vergevorderd stadium zijn, van hun praktische resultaten en van de resterende knelpunten in hun respectievelijke corridors en vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de prioriteiten van de oproepen deze evaluatie weerspiegelen, wat haalbaar is, ondanks het feit dat dergelijke projecten een langdurig karakter hebben;

19.  betreurt het en is er niet over te spreken dat in de periode 2014-2020 de tussentijdse evaluatie van de CEF vooral gericht was op de bestede bedragen en het aantal ondersteunde projecten, ondanks het zeer concrete karakter van de meeste projecten die worden gefinancierd door de CEF; benadrukt het feit dat het succes van een programma niet wordt gewaarborgd door louter het toegewezen geldbedrag en dat meer nadruk moet worden gelegd op de praktische resultaten van projecten, en dringt er bij de Commissie op aan haar evaluatiemethodologie aan te passen; is van mening dat de CEF het potentieel heeft om te worden aangemerkt als één van de zeer succesvolle EU-programma’s op voorwaarde dat zij beter uitgelegd en bekendgemaakt wordt, en verzoekt de Commissie haar communicatiemethoden met betrekking tot het programma te heroverwegen;

20.  erkent dat de vervoersector ten volle gebruik moet maken van de mogelijkheden die worden geboden door de digitale en innovatieve technologieën en onderkent dat nieuwe innovatieve vervoersinfrastructuur altijd aantrekkelijker is voor investeringen, met name uit de particuliere sector; wijst er echter op dat de bestaande infrastructuur nog steeds de ruggengraat van het Europese netwerk vormt; verzoekt de Commissie dan ook erop toe te zien dat het aantrekkelijk is de renovatie of modernisering van bestaande infrastructuur vooral innovatief aan te pakken;

21.  is ingenomen met de doelstellingen opgenomen in het "Actieplan voor militaire mobiliteit: EU zet stappen naar defensie-unie", zowel wat de verbetering van de infrastructuur als het mogelijk maken van synergieën betreft; verzoekt de Commissie gebruik te maken van de CEF voor de ontwikkeling van infrastructuur voor duaal civiel en militair gebruik;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)

PB L 163 van 24.6.2017, blz. 1.

(3)

PB C 101 van 16.3.2018, blz. 64.

(4)

Aangenomen teksten P8_TA(2017)0401.

(5)

Aangenomen teksten P8_TA(2016)0412.

(6)

PB C 17 van 18.1.2017, blz. 20.

Laatst bijgewerkt op: 18 september 2018Juridische mededeling