Procedure : 2018/2849(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0387/2018

Ingediende teksten :

B8-0387/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/09/2018 - 10.9

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0351

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 170kWORD 52k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0384/2018
11.9.2018
PE624.096v01-00
 
B8-0387/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over Khan al-Ahmar en andere bedoeïenendorpen die met sloop bedreigd worden (2018/2849(RSP))


Elena Valenciano, Soraya Post, Arne Lietz, Knut Fleckenstein, Pier Antonio Panzeri, Eugen Freund, Linda McAvan namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over Khan al-Ahmar en andere bedoeïenendorpen die met sloop bedreigd worden (2018/2849(RSP))  
B8‑0387/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het Israëlisch-Palestijnse conflict,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, met name over de jongste ontwikkelingen inzake de geplande sloop van Khan al-Ahmar, van 7 september 2018;

–  gezien de Vierde Conventie van Genève van 1949,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Israëlische hooggerechtshof op 5 september 2018 de verzoeken van de bewoners van Khan al-Ahmar, een Palestijns bedoeïenendorp in zone C op de bezette Westelijke Jordaanoever, heeft afgewezen, waardoor de Israëlische autoriteiten vanaf 12 september 2018 van start kunnen gaan met de uitvoering van de tegen deze gemeenschap uitgevaardigde sloopbevelen;

B.  overwegende dat Khan al-Ahmar zonder een bouwvergunning is gebouwd gezien het extreem restrictieve bouwvergunningenbeleid dat Israël, als bezettingsmacht, heeft opgelegd aan de Palestijnse bewoners van zone C op de bezette Westelijke Jordaanoever; overwegende dat dit beleid het voor de Palestijnen bijna onmogelijk maakt om in dit gebied iets met een vergunning te bouwen, ten voordele van de Israëlische kolonisten;

C.  overwegende dat de staat Israël van mening is dat hervestiging van de bedoeïenenbevolking van Kahn al-Ahmar in Jahalin West (Abu Dis) een recht is, en niet zozeer een plicht, en schriftelijk heeft verklaard dat de gezinnen die naar deze locatie verhuizen uitzicht krijgen op de ontwikkeling van een tweede hervestigingslocatie ten oosten van Jericho; overwegende dat de betrokken bedoeïenenfamilies dit aanbod hebben verworpen;

D.  overwegende dat de gedwongen verplaatsing van de bevolking van Khan al-Ahmar tegen haar wil een duidelijke en ernstige schending zou zijn van het internationaal humanitair recht volgens de vierde Conventie van Genève; overwegende dat volgens Michael Lynk, de speciale VN-rapporteur voor de situatie van de mensenrechten in de sinds 1967 bezette Palestijnse gebieden, de gedwongen verplaatsing van een beschermde gemeenschap kan worden aangemerkt als een oorlogsmisdrijf volgens het Statuut van Rome van 1998;

E.  overwegende dat Khan al-Ahmar zich in de E1-corridor op de bezette Westelijke Jordaanoever bevindt; overwegende dat het handhaven van de status quo in dit gebied van fundamenteel belang is voor de levensvatbaarheid van de tweestatenoplossing en voor de totstandbrenging van een aaneengesloten en levensvatbare Palestijnse staat in de toekomst;

F.  overwegende dat VV/HV Federica Mogherini in haar verklaring van 7 september 2018 er opnieuw bij de Israëlische autoriteiten op heeft aangedrongen hun besluit om Khan al-Ahmar te slopen te heroverwegen;

G.  overwegende dat de speciale VN-coördinator voor het vredesproces in het Midden-Oosten, Nickolay Mladenov, er op 5 september 2018 bij Israël op heeft aangedrongen te stoppen met het slopen van Palestijnse nederzettingen en met zijn pogingen om bedoeïenengemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te hervestigen; overwegende dat hij tevens waarschuwde dat de sloop van deze nederzettingen funest is voor de tweestatenoplossing en in strijd is met het internationaal recht;

H.  overwegende dat, afgezien van Khan al-Ahmar, de bewoners van een aantal andere bedoeïenendorpen in de Israëlische Negev en in zone C van de bezette Westelijke Jordaanoever voortdurend met sloop en ontruiming worden bedreigd wegens het beleid van de huidige Israëlische regering ten aanzien van deze gemeenschappen;

I.  overwegende dat de activiteiten van de Israëlische autoriteit voor de ontwikkeling en vestiging van bedoeïenen in de Negev weliswaar enkele positieve gevolgen hebben gehad voor de levensomstandigheden van de bedoeïenenbevolking in Israël, maar in de afgelopen jaren ook voor controverse en spanningen hebben gezorgd;

J.  overwegende dat van de sloop van Khan al-Ahmar en de uitzetting van de bewoners opnieuw een ernstig signaal zou uitgaan naar de Palestijnse burgers van Israël, waardoor de al gespannen situatie na de recente goedkeuring van de wet inzake de natiestaat door de Knesset alleen maar zou verslechteren;

1.  protesteert krachtig tegen de geplande sloop van Khan al-Ahmar; dringt er bij de Israëlische regering op aan af te zien van de sloop van de nederzetting en de gedwongen verplaatsing van de bewoners naar een andere locatie;

2.  sluit zich aan bij de verklaring van VV/HV Federica Mogherini ter verdediging van Khan al-Ahmar en haar oproep aan de Israëlische autoriteiten; prijst de inspanningen van verscheidene EU-lidstaten om de sloop van Khan al-Ahmar te voorkomen;

3.  benadrukt dat de sloop van Khan al-Ahmar en de gedwongen verplaatsing van zijn bevolking een ernstige schending zou zijn van het internationaal humanitair recht, waarvoor de Israëlische regering zich zou moeten verantwoorden overeenkomstig de internationale rechtsorde en voor de internationale gemeenschap;

4.  dringt er bij de VV/HV op aan, mocht worden overgegaan tot de sloop van Khan al-Ahmar en tot de uitzetting van zijn bewoners, volledige compensatie te eisen van Israël voor de vernieling van door de EU-gefinancierde infrastructuur, en zorgvuldig te beoordelen of deze actie verenigbaar is met de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, en of de EU een beroep moet doen op artikel 2 ervan;

5.  verzoekt de Israëlische regering onmiddellijk een einde te maken aan haar beleid om de bedoeïenengemeenschappen die in de Negev en in zone C van de bezette Westelijke Jordaanoever wonen, zoals de bedoeïenen in Susiya en andere dorpen, met sloop en uitzetting te bedreigen;

6.  herinnert Israël, als bezettingsmacht, aan zijn verplichtingen jegens de Palestijnse bevolking die sinds 1967 onder zijn bezetting leeft, overeenkomstig de vierde Conventie van Genève; benadrukt dat schending van deze verplichtingen op grond van het internationaal humanitair recht een ernstig misdrijf vormt;

7.  herhaalt zijn krachtige steun voor de tweestatenoplossing waarbij een veilige staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aaneengesloten en levensvatbare staat Palestina zij aan zij leven in vrede en veiligheid op basis van de grenzen van 1967, met Jeruzalem als de hoofdstad van beide staten, op basis van het recht op zelfbeschikking en met volledige inachtneming van het internationaal recht; veroordeelt elke unilaterale beslissing of elk eenzijdig optreden dat het toekomstperspectief van deze oplossing in gevaar kan brengen;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de speciale coördinator van de Verenigde Naties voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit en de Palestijnse Wetgevende Raad.

 

Laatst bijgewerkt op: 13 september 2018Juridische mededeling