Procedure : 2018/2847(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0391/2018

Ingediende teksten :

B8-0391/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/09/2018 - 10.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0350

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 258kWORD 53k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0388/2018
11.9.2018
PE624.100v01-00
 
B8-0391/2018

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de branden in Mati in de regio Attica, Griekenland, in juli 2018 en de reactie van de EU daarop (2018/2847(RSP))


Davor Škrlec namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de branden in Mati in de regio Attica, Griekenland, in juli 2018 en de reactie van de EU daarop (2018/2847(RSP))  
B8‑0391/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Solidariteitsfonds van de Europese Unie,

–  gezien het mechanisme van de Europese Unie voor civiele bescherming,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 (verordening gemeenschappelijke bepalingen (VGB))(1),

–  gezien het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO),

–  gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–  gezien het Witboek van de Commissie over de toekomst van Europa van 1 maart 2017,

–  gezien zijn resolutie van 6 oktober 2016 over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de VN-conferentie van 2016 over klimaatverandering in Marrakesh, Marokko (COP22)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2016 getiteld "Wat na Parijs? Een beoordeling van de implicaties van de Overeenkomst van Parijs" (COM(2016)0110),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21 en de 21e conferentie van de partijen bij het UNFCCC (COP21) en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

–  gezien zijn resolutie van 16 september 2009 over de bosbranden tijdens de zomer van 2009(3), waarin de gevolgen van de bosbranden in Zuid-Europa onder de loep worden genomen en wordt gekeken welke conclusies kunnen worden getrokken met het oog op preventie- en paraatheidsmaatregelen,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Parlement van 10 september 2018 over de branden in Mati in de regio Attica, Griekenland, in juli 2018 en de reactie van de EU daarop,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de kustgebieden van Attica in juli 2018 werden getroffen door een reeks bosbranden, waarbij ten minste 98 doden vielen, terwijl 187 mensen gewond raakten; overwegende dat het om de op een na dodelijkste bosbranden van de 21e eeuw ging;

B.  overwegende dat meer dan 700 bewoners werden geëvacueerd of gered, hoofdzakelijk uit het aan zee gelegen dorp Mati, en dat duizenden voertuigen en huizen werden vernield;

C.  overwegende dat ook in andere EU-lidstaten, zoals Zweden, het VK, Finland, Spanje en Letland, verwoestende branden hebben gewoed;

D.  overwegende dat de afgelopen jaren is gebleken dat de problemen als gevolg van bosbranden en droogte steeds urgenter zullen worden, aangezien extreem droge zomers gebruikelijker worden;

E.  overwegende dat de toename van extreme weersomstandigheden een rechtstreeks gevolg is van door de mens veroorzaakte klimaatverandering en met toenemende regelmaat negatieve effecten zal hebben in grote delen van Europa, waardoor de bewoners en de ecosystemen in die gebieden steeds kwetsbaarder worden;

F.  overwegende dat de ernstige hittegolven die het noordelijk halfrond in de zomer van 2018 teisterden volgens de Wereld Meteorologische Organisatie verband houden met de klimaatverandering;

G.  overwegende dat investeringen in de bestrijding van klimaatverandering daarom dringend noodzakelijk zijn, teneinde rampen als gevolg van droogte en bosbranden te voorkomen;

H.  overwegende dat Griekenland via het EU-mechanisme voor civiele bescherming om steun heeft gevraagd en dat Cyprus en Spanje onmiddellijk gehoor aan deze oproep hebben gegeven door vliegtuigen, brandweerlieden, medisch personeel en voertuigen te sturen; overwegende dat ook andere lidstaten en derde landen snel hulp hebben geboden;

I.  overwegende dat de EU financiële steun kan bieden door het Solidariteitsfonds van de Europese Unie te mobiliseren, op voorwaarde dat de schadedrempel wordt gehaald, door het medefinancieringspercentage voor uit het EFRO gefinancierde herstelwerkzaamheden te verhogen en door operationele programma's aan te passen om in de regionale wederopbouwbehoeften te voorzien;

J.  overwegende dat het grote aantal branden in Europa, evenals de omvang ervan, buiten klimaatverandering het resultaat zijn van een aantal factoren, waaronder criminele activiteiten zoals brandstichting, inadequate uitvoering van regelgeving die illegale bouw op verbrand grondgebied verbiedt, en de ontoereikende definitie van en zorg voor bossen;

1.  betreurt de slachtoffers en betuigt zijn medeleven met de bewoners van de door de branden verwoeste gebieden;

2.  betuigt zijn dank aan de brandweerlieden, kustwachters, vissers, civiele-beschermingsteams en vrijwilligers die, samen met de Griekse autoriteiten, duizenden mensen hebben gered;

3.  bedankt alle lidstaten die solidariteit hebben getoond door via het EU-mechanisme voor civiele bescherming onmiddellijke steun aan te bieden en te verstrekken, en prijst de Commissie voor het coördineren van de Uniesteun;

4.  dringt aan op de snelle vaststelling van de herziene verordening betreffende het EU-mechanisme voor civiele bescherming, om zo meer en doeltreffendere samenwerking mogelijk te maken alsook de responscapaciteit te vergroten, met name met het oog op de bestrijding van de verwoestende gevolgen van klimaatverandering in de gehele EU;

5.  dringt er bij de Commissie op aan financiële steun te verstrekken aan de autoriteiten en burgers van Griekenland door het potentieel van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie en het EFRO volledig te benutten;

6.  onderstreept dat de wederopbouw van verwoeste huizen en infrastructuur, in het bijzonder wanneer hiervoor EU-middelen worden gebruikt, aan de hoogste normen voor rampenpreventie moet voldoen, waaronder de normen voor bescherming tegen aardbevingen;

7.  dringt er bij de desbetreffende lidstaten en regio's op aan herstel- en wederopbouwplannen voor de getroffen gebieden op te stellen, die onder meer verplichte voorwaarden moeten omvatten om te garanderen dat alle mogelijke brandpreventiemaatregelen en maatregelen voor snelle brandbestrijding in deze gebieden worden toegepast;

8.  herinnert eraan dat natuurlijke bossen beter bestand zijn tegen bosbranden; dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in de daadwerkelijke herbebossing van de getroffen gebieden met inheemse boomsoorten, alsook in maatregelen die een herhaling van dergelijke rampen moeten voorkomen;

9.  wijst op de hoge mate van verstedelijking van Attica, een regio die gekenmerkt wordt door een gebrek aan groene ruimten en door straten zonder bomen, hetgeen heeft bijgedragen aan een snellere verspreiding van de branden;

10.  merkt op dat de door de branden veroorzaakte schade deels had kunnen worden voorkomen en dat dit de nationale, regionale en lokale autoriteiten ertoe moet aanzetten een efficiënter preventiebeleid en adequate wetgeving inzake het beheer en goed gebruik van grond te ontwikkelen, te financieren en uit te voeren, onder meer wat betreft stadsplanning, duurzame bosbouwpraktijken en doeltreffend risicobeheer;

11.  betreurt dat veel van de bosbranden door brandstichting lijken te zijn ontstaan en vindt het zeer zorgwekkend dat bosbranden in Europa in toenemende mate aan brandstichtingsdelicten zijn toe te schrijven; verzoekt de lidstaten dan ook om de straffen op delicten die het milieu schaden, en met name op delicten die bosbranden veroorzaken, aan te scherpen en toe te passen en gelooft dat prompt en doeltreffend onderzoek ter vaststelling van de aansprakelijkheid, gevolgd door passende strafmaatregelen, nalatigheid en opzettelijk handelen zullen ontmoedigen;

12.  benadrukt dat er een bewezen verband bestaat tussen de hittegolf in Europa in 2018 en de klimaatverandering; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan doelen te stellen en klimaatbeleid door te voeren die de EU en de lidstaten in staat stellen om hun toezeggingen in het kader van de COP21-overeenkomst van Parijs na te komen;

13.  benadrukt dat investeringen in de beperking van en aanpassing aan klimaatverandering dringend noodzakelijk zijn om de gestelde doelen te halen; onderstreept dat het van essentieel belang is dat 50 % van de EU-begroting aan klimaatmaatregelen wordt besteed;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de lidstaten, alsook aan de regio's die het zwaarst zijn getroffen.

 

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB C 215 van 19.6.2018, blz. 46.

(3)

PB C 224E van 29.1.2010, blz. 63.

Laatst bijgewerkt op: 12 september 2018Juridische mededeling