Procedure : 2018/2763(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0443/2018

Ingediende teksten :

B8-0443/2018

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0382

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 211kWORD 64k
1.10.2018
PE624.121v01-00
 
B8-0443/2018

naar aanleiding van vragen met verzoek om mondeling antwoord B8-0402/2018, B8-0403/2018 en B8-0404/2018

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten  (2018/2763(RSP))


Linda McAvan namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking

Resolutie van het Europees Parlement over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten  (2018/2763(RSP))  
B8-0443/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(1),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid(2),

–  gezien de artikelen 207 en 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, dat op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken is goedgekeurd, en het actieplan voor mensenrechten en democratie 2015-2019, dat op 20 juli 2015 door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNPG's), die door de VN-Mensenrechtenraad zijn goedgekeurd in resolutie 17/4 van 16 juni 2011,

–  gezien de strategie "Handel voor iedereen" van de Commissie,

–  gezien de "Sector Guides on Implementing the UNGP's" van de Commissie(3),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 juli 2015 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (SWD(2015)0144),

–  gezien het advies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), getiteld "Verbetering van de toegang tot rechtsmiddelen op het gebied van het bedrijfsleven en de mensenrechten op EU-niveau"(4),

–  gezien resolutie 26/9 van 26 juni 2014 van de VN-Mensenrechtenraad tot instelling van een intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, met als mandaat het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument, aan de hand waarvan de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten worden gereguleerd,

–  gezien algemene opmerking nr. 24 (2017) van het VN-Comité inzake economische, sociale en culturele rechten (CESCR) over verplichtingen van staten krachtens het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten met betrekking tot bedrijfsactiviteiten (E/C.12/GC/24),

–  gezien de beginselen van Maastricht inzake extraterritoriale verplichtingen van lidstaten op het gebied van economische, sociale en culturele rechten(5),

–  gezien het "Global Compact"-initiatief van de Verenigde Naties(6),

–  gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–  gezien de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de Internationale Arbeidsorganisatie, die herzien is in 2017,

–  gezien de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor de kleding- en schoensector,

–  gezien de door UNICEF ontwikkelde beginselen inzake het bedrijfsleven en kinderrechten,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juni 2016 over het bedrijfsleven en mensenrechten,

–  gezien de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid,

–  gezien de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor verantwoord zakelijk gedrag,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(7),

–  gezien Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen(8),

–  gezien Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden(9),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van Europa aan de lidstaten over mensenrechten en het bedrijfsleven die op 2 maart 2016 is aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2018 over gendergelijkheid in de handelsverdragen van de EU(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2017 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2016 en het beleid van de Europese Unie ter zake(11),

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2017 over de strategie EU-Afrika: een stimulans voor ontwikkeling(12),

–  gezien zijn resolutie van 27 april 2017 over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector(13),

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2017 over de herziening van de Europese consensus over ontwikkeling(14),

–  gezien zijn verslag over de gevolgen van de internationale handel en het handelsbeleid van de EU voor mondiale waardeketens(15),

–  gezien Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen(16),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(17),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(18),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over het vergroten van de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking(19),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(20),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van donderdag 14 april 2016 over de particuliere sector en ontwikkeling(22),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het beleid van de Europese Unie ter zake(23),

–  gezien het onderzoek dat de Subcommissie mensenrechten liet uitvoeren naar de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten(24),

–  gezien de vragen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie en de Raad over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten (O-000074/2018 – B8-0402/2018, O-000075/2018 – B8-0403/2018 en O-000078/2018 – B8-0404/2018),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU gegrondvest is op de volgende waarden: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat haar acties op het internationale toneel (waaronder haar ontwikkelings- en haar handelsbeleid) moeten berusten op deze beginselen en in overeenstemming moeten zijn met het principe van een samenhangend ontwikkelingsbeleid, zoals verankerd in artikel 208 van het Verdrag van Lissabon; overwegende dat het principe van een samenhangend ontwikkelingsbeleid op grond van artikel 208 VWEU moet worden geëerbiedigd in alle externe acties van de EU;

B.  overwegende dat de Europese Unie een belangrijke normbepalende rol speelt en tegelijk een economische grootmacht is; overwegende dat zij zich daarom moet opstellen als leider bij de verspreiding van goede praktijken en de ontwikkeling van mondiale normen;

C.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 inhoudt dat economische ontwikkeling hand in hand moet gaan met sociale rechtvaardigheid, governance, eerbiediging van de mensenrechten, inclusief sociale rechten en het recht op menselijke waardigheid en vrijheid voor iedereen, en strenge arbeids- en milieunormen; overwegende dat duurzame ontwikkeling, handel en mensenrechten elkaar kunnen beïnvloeden en elkaar kunnen versterken;

D.  overwegende dat mensenrechtenverplichtingen in eerste instantie rusten op staten; overwegende dat staten op zich niet verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten door privéactoren, maar dat zij hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht inzake de mensenrechten kunnen schenden wanneer deze schendingen aan hen kunnen worden toegeschreven of wanneer zij nalaten passende zorgvuldigheidsmaatregelen te nemen om misbruik door privéactoren te voorkomen, te onderzoeken, te bestraffen en te herstellen; overwegende dat staten over het algemeen zelf kunnen beslissen welke maatregelen zij nemen, waarbij zij gebruik kunnen maken van beleid, wetgeving, voorschriften en arbitrage;

E.  overwegende dat het concept van zorgvuldigheid ("due diligence") is opgenomen in de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen(25);

F.  overwegende dat staten hun mensenrechtenverplichtingen binnen hun grondgebied en/of jurisdictie moeten nakomen; overwegende dat staten duidelijk de verwachting moeten aangeven dat de verplichting tot bescherming inhoudt dat regelgeving wordt vastgesteld om te garanderen dat alle ondernemingen die op hun grondgebied zijn gevestigd en/of onder hun jurisdictie vallen, de mensenrechten eerbiedigen binnen hun gehele bedrijfsvoering, dus ook in hun dochterondernemingen, door hen gecontroleerde ondernemingen en entiteiten binnen hun toeleveringsketen wereldwijd;

G.  overwegende dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten (UNPG's), die bij consensus door de VN-Mensenrechtenraad zijn goedgekeurd, het gezaghebbende kader blijven voor het voorkomen en bestrijden van het risico van nadelige effecten op de mensenrechten in verband met bedrijfsactiviteiten, en overwegende dat het onderzoek van 2017 naar de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten dat is uitgevoerd in opdracht van de Subcommissie mensenrechten, duidelijk aantoont dat de EU-lidstaten in de mondiale context het meest geavanceerd zijn wat de tenuitvoerlegging van de UNGP's betreft, met het hoogste aantal goedgekeurde of in de ontwerpfase verkerende nationale actieplannen;

H.  overwegende dat de UNGP's van toepassing zijn op alle staten en op alle ondernemingen, zowel transnationale als andere, ongeacht hun omvang, sector, locatie, eigendom en structuur, en gebaseerd zijn op de drie pijlers van het VN-kader "beschermen, naleven, aanpakken", te weten: 1) de verplichting van de staat om bescherming te bieden tegen mensenrechtenschendingen door derden, met inbegrip van ondernemingen, 2) de maatschappelijke verantwoordelijkheid om de mensenrechten te eerbiedigen, en 3) een betere toegang voor slachtoffers tot doeltreffende rechtsmiddelen, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk; benadrukt het feit dat de UNGP's weliswaar niet wettelijk bindend zijn, maar brede erkenning en ondersteuning genieten en internationaal als model dienen voor beleidsmaatregelen ten aanzien van bedrijfsleven en mensenrechten en als erkenning van de verplichtingen die voor staten gelden om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, te beschermen en na te leven, van de rol van ondernemingen als gespecialiseerde maatschappelijke organen die gespecialiseerde functies vervullen waarbij alle toepasselijke wetten moeten worden nageleefd en de mensenrechten moeten worden geëerbiedigd en van het feit dat de rechten en plichten gekoppeld moeten zijn aan passende en doeltreffende rechtsmiddelen, wanneer er sprake is van schending; overwegende dat er bewijs is dat wanneer de UNGP's worden toegepast, er minder mensenrechtenschendingen in verband met zakelijke activiteiten voorkomen;

I.  overwegende dat bedrijven in het Global Compact van de VN wordt gevraagd om binnen hun invloedssfeer een reeks kernwaarden op het gebied van mensenrechten, arbeidsnormen, milieu en corruptiebestrijding te integreren, te ondersteunen en na te leven, en zich er zo toe te verplichten deze waarden na te leven en vrijwillig in hun bedrijfsvoering op te nemen;

J.  overwegende dat bedrijven tot de belangrijkste spelers in de economische globalisering, financiële diensten en de internationale handel behoren en verplicht zijn alle toepasselijke wetten en geldende internationale verdragen na te leven en de mensenrechten te eerbiedigen; overwegende dat deze bedrijven en ook nationale ondernemingen soms schendingen van de mensenrechten kunnen veroorzaken of ertoe kunnen bijdragen, en de rechten van kwetsbare groepen, zoals minderheden, inheemse bevolkingsgroepen, vrouwen en kinderen, kunnen aantasten of milieuproblemen kunnen verergeren; overwegende dat zij ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het bieden van positieve stimulansen wat de bevordering betreft van mensenrechten, democratie, milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen;

K.  overwegende dat er asymmetrie is tussen de rechten en plichten van transnationale ondernemingen, met name in verdragen inzake investeringsbescherming, waarin aan investeerders uitgebreide rechten worden toegekend, zoals "eerlijke en billijke behandeling", waar niet altijd bindende en afdwingbare verplichtingen inzake naleving van het mensenrechten-, arbeids- en milieurecht in de hele toeleveringsketen tegenover staan;

L.  overwegende dat het een erkend feit is dat Europese ondernemingen die op mondiaal niveau actief zijn en het goede voorbeeld geven met een niet-discriminerende bedrijfscultuur, op lange termijn een positief effect weten uit te oefenen op de mensenrechten;

M.  overwegende dat de EU, wat de coherentie tussen haar intern en haar extern beleid betreft, een leidende rol heeft gespeeld bij de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van een aantal initiatieven voor wereldwijd verantwoord ondernemen die gepaard gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen met betrekking tot het bedrijfsleven en mensenrechten; overwegende dat de EU en haar lidstaten zich ook hebben verplicht tot een aantal instrumenten, met name de UNGP's van 2011 en de aanbeveling van de Raad van Europa van 2016 inzake de mensenrechten en het bedrijfsleven;

N.  overwegende dat de EU en haar lidstaten de laatste jaren begonnen zijn met het vaststellen van wetgeving om ervoor te zorgen dat bedrijven meer verantwoording afleggen en om elementen in verband met zorgvuldigheidsvereisten op het gebied van de mensenrechten op te nemen in de wetgeving; overwegende dat deze maatregelen nu helpen bij de vaststelling van mondiale normen, maar dat zij nog verder kunnen worden ontwikkeld, met als voorbeeld de EU-verordening betreffende conflictmineralen, de EU-richtlijn bekendmaking van niet-financiële informatie en de EU-houtverordening; overwegende dat de Commissie evenwel weinig bereidheid toont om verdere wetgeving voor te stellen voor andere sectoren zoals kleding, ondanks herhaalde verzoeken van het Europees Parlement; overwegende dat de grote hoeveelheid aan nationale wetgevingsinitiatieven tot ondoeltreffende en oneerlijke voorwaarden binnen de EU kan leiden; overwegende dat een bindend VN-verdrag op dit gebied een zinvolle stap vooruit kan zijn;

O.  overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waar ondernemingen uit de EU bij betrokken zijn, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1215/2012 schadevergoeding kunnen eisen bij binnenlandse rechtbanken in de EU; overwegende dat de in deze verordening vastgestelde bepalingen een sterker internationaal kader vereisen om ze doeltreffender te maken ten aanzien van de betrokken partijen, waarbij gelijke voorwaarden moeten worden gecreëerd voor bedrijven die gevestigd zijn in de EU en buiten de EU;

P.  overwegende dat een mondiale holistische aanpak van de aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten nog steeds ontbreekt; overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waarbij transnationale ondernemingen betrokken zijn, te maken hebben met tal van belemmeringen voor de toegang tot rechtsmiddelen, met inbegrip van gerechtelijke middelen en garanties van niet-herhaling; overwegende dat deze belemmeringen voor de toegang tot rechtsmiddelen een bijkomende ernstige schending van de mensenrechten vormen; overwegende dat een holistische aanpak zowel bedrijven als personen rechtszekerheid zou bieden, in het kader van de verbreiding van nationale initiatieven op het gebied van zorgvuldigheidsvereisten;

Q.  overwegende dat vrouwen als gevolg van genderongelijkheid vaak bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenrechtenschendingen en met bijzondere hindernissen worden geconfronteerd wanneer zij proberen zich toegang tot rechtsmiddelen te verschaffen;

R.  overwegende dat volgens het advies van het Bureau voor de grondrechten (FRA) van 2017 meer kan worden gedaan om te zorgen voor effectieve toegang tot gerechtelijke en buitengerechtelijke rechtsmiddelen voor bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen binnen of buiten de EU, onder meer door slachtoffers meer bijstand te verlenen bij de toegang tot de rechter, door de mogelijkheid te bieden om collectieve rechtszaken aan te spannen en zodoende de bewijslast eenvoudiger te maken en door zorgvuldigheidsverplichtingen voor bedrijven te bevorderen, inclusief voor moederbedrijven ten aanzien van prestaties op het gebied van mensenrechten in dochterbedrijven of toeleveringsketens;

S.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de EU staten zowel binnenlandse als extraterritoriale verplichtingen oplegt betreffende hun plicht om slachtoffers van mensenrechtenschendingen toegang tot rechtsmiddelen te verschaffen;

T.  overwegende dat momenteel in de VN wordt onderhandeld over een systeem van bedrijfsaansprakelijkheid voor schendingen van de mensenrechten, binnen het kader van de in 2014 door de Algemene Vergadering opgerichte open intergouvernementele werkgroep inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens (OEIGWG) van de VN-Mensenrechtenraad; overwegende dat zowel de EU als haar lidstaten een rol in de OEIGWG spelen, maar dat de Commissie geen mandaat van de Raad heeft om namens de EU onderhandelingen over haar deelname aan de OEIGWG te voeren;

1.  merkt op dat de mondialisering en de toenemende internationalisering van bedrijfsactiviteiten en toeleveringsketens de rol van ondernemingen bij het waarborgen van de mensenrechten belangrijker maken en reeds een situatie hebben gecreëerd waarbij internationale normen, regels en samenwerking van cruciaal belang zijn om schendingen van de mensenrechten in derde landen te voorkomen;

2.  is van mening dat transnationale bedrijven geen activiteiten, al dan niet van commerciële aard, mogen financieren of verrichten die radicalisme of extremisme kunnen aanwakkeren, met name wanneer deze gepaard gaan met manipulatie van een godsdienst, en geen directe of indirecte steun mogen verlenen aan groepen die geweld bevorderen, voorstaan of rechtvaardigen;

3.  is er vast van overtuigd dat de particuliere sector een belangrijke partner is bij de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) en bij het mobiliseren van extra middelen voor ontwikkeling; onderstreept dat, gezien de toenemende rol van de particuliere sector in ontwikkelingssamenwerking, particuliere actoren zich moeten houden aan de beginselen van doeltreffende ontwikkelingshulp en gedurende de hele levenscyclus van projecten de beginselen van maatschappelijke verantwoord ondernemen in acht moeten nemen;

4.  herinnert eraan dat zorgvuldigheid (due diligence) een kernonderdeel vormt van de tweede pijler van de UNGP's betreffende verantwoord ondernemen en eerbiediging van de mensenrechten; benadrukt dat doeltreffende zorgvuldigheidspraktijken ook kunnen bijdragen aan betere toegang tot rechtsmiddelen; moedigt de EU en haar lidstaten ertoe aan de goedkeuring na te streven van een samenhangend kader voor de vaststelling van verplichte zorgvuldigheidsvereisten inzake de mensenrechten voor bedrijven;

5.  herinnert eraan dat het proces voor de ontwikkeling van nationale actieplannen, mits het goed is ontworpen en op de plaatselijke omstandigheden is afgestemd, kan bijdragen aan een doeltreffende tenuitvoerlegging van de UNGP's, maar ook aan de versterking van nationale mechanismen voor de bescherming van de mensenrechten;

6.  pleit er eens te meer voor dat de UNGP's en andere internationale normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen consequent door EU-vertegenwoordigers worden aangekaart in mensenrechtendialogen met derde landen;

7.  steunt krachtig de volledige tenuitvoerlegging binnen en buiten de EU van de UNGP's, die in juni 2011 unaniem door de Raad zijn bekrachtigd, en roept de EU en de lidstaten ertoe op om zowel op EU- als op nationaal niveau ambitieuze en concrete actieplannen op te stellen en goed te keuren waarin duidelijke verwachtingen voor overheden en alle soorten ondernemingen worden vastgelegd voor de snelle, effectieve en alomvattende tenuitvoerlegging van genoemde beginselen; is van mening dat de nationale actieplannen indicatoren moeten bevatten om de voortgang te meten; benadrukt bovendien dat de EU moet zorgen voor onafhankelijke en regelmatige wederzijdse beoordeling van de nationale actieplannen van de lidstaten en van de geboekte vooruitgang, met name wat bevordering van de toegang tot rechtsmiddelen betreft; herinnert eraan dat de UNGP's kunnen worden aangevuld met parallelle bindende initiatieven om de gebreken ervan te compenseren;

8.  betreurt het feit dat er nog steeds geen mondiale aanpak is voor de manier waarop transnationale ondernemingen zich aan de mensenrechtenwetgeving moeten houden en andere oplossingsmechanismen moeten garanderen, hetgeen ertoe kan bijdragen dat transnationale ondernemingen niet worden gestraft voor mensenrechtenschendingen en dus funest kan zijn voor de rechten en de waardigheid van mensen; betreurt het feit dat de UNGP's niet tot uitdrukking komen in afdwingbare instrumenten; herinnert eraan dat de gebrekkige tenuitvoerlegging van de UNGP's, zoals in het geval van andere internationaal erkende normen, grotendeels wordt toegeschreven aan het feit dat zij niet bindend zijn;

9.  merkt met bezorgdheid op dat nog steeds vele belemmeringen bestaan wat de toegang tot de rechter betreft, met name in het geval van transnationale ondernemingen, bijvoorbeeld als gevolg van de moeilijkheden die slachtoffers ondervinden om de bevoegde rechter te vinden, het ontbreken van codificatie in strafwetboeken van bepaalde mensenrechtenschendingen, of corruptie, waardoor juridische procedures in ontwikkelingslanden kunnen worden ondermijnd; herinnert eraan dat passende buitengerechtelijke oplossingen ook van zeer groot belang zijn, maar vaak ontbreken; verzoekt nationale regeringen hun inspanningen op te voeren om via gerechtelijke, bestuurlijke, wetgevende of andere geschikte middelen ervoor te zorgen dat wanneer op hun grondgebied en/of binnen hun jurisdictie mensenrechtenschendingen plaatsvinden, de slachtoffers toegang hebben tot doeltreffende rechtsmiddelen;

10.  wijst nogmaals op de dringende noodzaak op alle niveaus op een effectieve en coherente wijze op te treden, waaronder nationaal, Europees en internationaal, teneinde mensenrechtenschendingen door transnationale ondernemingen doeltreffend aan te pakken, in de toegang tot de rechter te voorzien, en juridische problemen als gevolg van het transnationale karakter van de activiteiten van bedrijven en transnationale ondernemingen, de groeiende complexiteit van mondiale waardeketens, de extraterritoriale dimensie van transnationale ondernemingen, alsook de daarmee verband houdende onzekerheid over wie aansprakelijk is voor mensenrechtenschendingen, aan te pakken; wijst eens te meer op de noodzaak om de extraterritoriale verplichtingen van staten zoals vastgesteld in de beginselen van Maastricht volledig na te komen en om voort te bouwen op de verschillende instrumenten van de Raad van Europa, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM); roept meer in het algemeen de EU op initiatieven te nemen om de toegang tot de rechter in extraterritoriale zaken te verbeteren in overeenstemming met de aanbevelingen in het advies van het FRA van 2017;

11.  bevestigt nogmaals het primaat van mensenrechten in het internationale recht, overeenkomstig artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties, en de noodzaak om die te consolideren in een helder systeem waarin verplichtingen inzake mensenrechten daadwerkelijk voorrang hebben op andere soorten tegenstrijdige verplichtingen en geschikte mechanismen in het leven worden geroepen voor de handhaving van het recht inzake de mensenrechten, voor het toezicht en de rechtsmiddelen, in combinatie met passende straffen en compensatie in het geval van schending; benadrukt dat dit van essentieel belang is om onevenwichtigheden in de globalisering weg te nemen en de rechten van mensen en de planeet boven alles te stellen; benadrukt dat coördinatie en uitwisseling van informatie en goede praktijken op positieve wijze bijdragen aan initiatieven van bedrijven die hebben besloten de mensenrechten en sociale en milieunormen te eerbiedigen;

12.  benadrukt dat zolang maatschappelijk verantwoord ondernemen een vrijwillige keuze is, het risico bestaat dat omstandigheden van oneerlijke concurrentie ontstaan ten opzichte van bedrijven die ervoor kiezen de internationale normen na te leven; benadrukt dat dit vrijwillige karakter ontoereikend is om in het kader van de zorgvuldigheidsplicht volledige naleving van de internationale normen en verplichtingen te waarborgen;

13.  is in dit verband zeer ingenomen met de in de Verenigde Naties door middel van de OEIGWG geïnitieerde werkzaamheden om een bindend VN-instrument te creëren voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten, en beschouwt dit als een noodzakelijke stap voorwaarts in de bevordering en bescherming van de mensenrechten;

14.  benadrukt het feit dat met het bindende verdrag moet worden voortgebouwd op het kader van de UNGP's en dat dit verdrag het volgende moet omvatten: de definitie van verplichte zorgvuldigheidsverplichtingen voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen, met inbegrip van hun dochterondernemingen, de erkenning van extraterritoriale verplichtingen op het gebied van mensenrechten voor staten, de erkenning van strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingen, mechanismen voor coördinatie en samenwerking tussen staten wat onderzoek, vervolging en handhaving betreft van grensoverschrijdende zaken, en de instelling van internationale justitiële en niet-justitiële mechanismen voor toezicht en handhaving; is van mening dat het nieuwe instrument staten moet verplichten regelgevende maatregelen vast te stellen die ondernemingen verplichten een beleid en procedures voor zorgvuldigheid op mensenrechtengebied toe te passen, en stelt voor deze verplichting af te dwingen door bedrijven verantwoordelijk te stellen in het rechtsgebied waar de schade werd veroorzaakt of in het rechtsgebied waar het moederbedrijf is gevestigd dan wel waar het een aanzienlijke aanwezigheid heeft;

15.  verzoekt de VN-lidstaten de onderhandelingen te beschermen tegen zakelijke en andere gevestigde belangen naar het voorbeeld van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en artikel 5, lid 3, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, onder meer met strikte ethische regels om belangenverstrengeling en onethisch lobbywerk te voorkomen en door volledige transparantie te eisen ten aanzien van contacten tussen het bedrijfsleven en partijen bij de onderhandelingen;

16.  herinnert eraan dat in het hele proces een genderbewuste aanpak moet worden gehanteerd en bijzondere aandacht aan kwetsbare groepen zoals inheemse mensen en kinderen moet worden besteed;

17.  herinnert eraan dat het Parlement in acht verschillende resoluties zijn ondubbelzinnige steun heeft uitgesproken voor dit multilaterale OEIGWG-proces;

18.  benadrukt het belang dat de EU en haar lidstaten actief betrokken zijn in dit intergouvernementele proces door de oprichting van een werkgroep met alle relevante diensten van de Commissie, de EDEO, de werkgroep mensenrechten van de Raad (COHOM), en de relevante commissies van het Parlement, op basis van het beginsel van beleidscoherentie;

19.  verzoekt nogmaals de EU en de lidstaten om oprecht en constructief aan deze onderhandelingen deel te nemen en het intergouvernementele proces dat gericht is op de voltooiing van het mandaat van de OEIGWG; beklemtoont dat het van levensbelang is dat de EU constructief bijdraagt aan de totstandkoming van een bindend verdrag dat feitelijk werk zal maken van aansprakelijkheid van ondernemingen voor schendingen van de mensenrechten en daarmee verband houdende uitdagingen;

20.  roept de VN-lidstaten op ervoor te zorgen dat de onderhandelingen die tot het verdrag leiden, worden gevoerd op transparante wijze, met raadpleging van een breed scala van rechthebbenden die mogelijk gevolgen van het verdrag zullen ondervinden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties en platformen voor slachtoffers; verzoekt de EU en de lidstaten in hun onderhandelingsstandpunt een zinvolle genderbewuste benadering te integreren;

21.  dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat herziening van of een toekomstig strategiedocument in verband met het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, duidelijke doelstellingen en meetbare criteria omvat voor de deelname van de EU aan de onderhandelingen over een VN-verdrag;

22.  besluit het OEIGWG-onderhandelingsproces op de voet te blijven volgen;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0230.

(3)

https://ec.europa.eu/anti-trafficking/publications/european-commission-sector-guides-implementing-un-guiding-principles-business-and-hum-0_en

(4)

Advies FRA - 1/2017[B-HR].

(5)

http://www.etoconsortium.org/nc/en/main-navigation/library/maastricht-principles/?tx_drblob_pi1%5BdownloadUid%5D=23

(6)

https://www.unglobalcompact.org/

(7)

PB L 351 van 20.12.2012, blz. 1.

(8)

PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1.

(9)

PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0066.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0494.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0448.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0196.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0026.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0330.

(16)

PB C 295 van 12.11.2010, blz. 23.

(17)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0446.

(18)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.

(19)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0437.

(20)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.

(21)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0300.

(22)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0137.

(23)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.

(24)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/578031/EXPO_STU(2017)578031_EN.pdforhttp://www.europarl.europa.eu/thinktank/en/document.html?reference=EXPO_STU%282017%29578031

(25)

http://www.oecd.org/corporate/mne/48004323.pdf

Laatst bijgewerkt op: 3 oktober 2018Juridische mededeling