Procedure : 2018/2853(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0445/2018

Ingediende teksten :

B8-0445/2018

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0383

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 264kWORD 49k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0444/2018
1.10.2018
PE624.123v01-00
 
B8-0445/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Jemen (2018/2853(RSP))


Elena Valenciano, Victor Boştinaru, Pier Antonio Panzeri, Knut Fleckenstein, Enrique Guerrero Salom namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Jemen (2018/2853(RSP))  
B8‑0445/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Jemen, in het bijzonder die van 25 februari 2016(1) en 15 juni 2017(2) over de humanitaire situatie in Jemen, en van 9 juli 2015(3) en 30 november 2017(4) over de situatie in Jemen,

–  gezien het op 28 augustus 2018 gepubliceerde verslag van de groep van vooraanstaande internationale en regionale Jemendeskundigen van de VN-Mensenrechtenraad over de situatie in Jemen, met inbegrip van schendingen en misbruik sinds september 2014,

–  gezien het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 24 september 2018 over de situatie in Jemen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2018 over Jemen,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, van 13 juni 2018, over de jongste ontwikkelingen in Hodeidah, Jemen,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Jemen, in het bijzonder resoluties 2216 (2015), 2201 (2015) en 2140 (2014),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat, volgens het Bureau van de VN voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA), de humanitaire situatie in Jemen elke dag verder verslechtert, aangezien steeds meer mensen worden verplaatst en het aanhoudende geweld en de veranderende frontlinies ontvluchten;

B.  overwegende dat volgens de VN, bijna 470 000 mensen sinds begin juni het gouvernement Hodeidah zijn ontvlucht, 75 % van de bevolking van humanitaire hulp afhankelijk is en 17,8 miljoen mensen in voedselonzekerheid verkeren;

C.  overwegende dat sinds november 2017 de door Saudi-Arabië geleide coalitie alle invoer naar het door de Houthi's gecontroleerde deel blokkeert, met uitzondering van urgente humanitaire en hulpgoederen; overwegende dat, zelfs als deze uitzondering wordt nageleefd, humanitaire hulp alleen onvoldoende is, aangezien de burgerbevolking via reguliere handel ingevoerde primaire goederen nodig heeft; overwegende dat volgens OCHA, Jemen sinds het begin van de blokkade aan slechts 21 % van zijn brandstofbehoeften en aan 68 % van zijn behoefte aan ingevoerd voedsel heeft kunnen voldoen; overwegende dat in bepaalde gevallen, Houthi-strijders de aankomst van essentiële medische goederen, voedsel en humanitaire hulp in door de regering gecontroleerde steden hebben geblokkeerd;

D.  overwegende dat de luchtaanval van 9 augustus 2018 door de door Saudi-Arabië geleide internationale coalitie, waarbij 26 kinderen om het leven zijn gekomen en ten minste 19 kinderen gewond zijn geraakt in en rond een schoolbus in Noord-Jemen, door Human Rights Watch "een duidelijk oorlogsmisdrijf" is genoemd;

E.  overwegende dat het oorlogsrecht doelbewuste en lukrake aanvallen op burgers verbiedt; overwegende dat onderzoeksresultaten van de VN- groep van vooraanstaande internationale en regionale Jemendeskundigen er sterk op wijzen dat partijen in het gewapende conflict schendingen en misdrijven hebben begaan – en nog altijd begaan – op grond van het internationale recht en dat de individuen die zich hieraan schuldig hebben gemaakt dan ook kunnen worden vervolgd;

F.  overwegende dat sinds maart 2015 meer dan 2 500 kinderen zijn gedood, meer dan 3 500 kinderen zijn verminkt of gewond zijn geraakt en een toenemend aantal kinderen door gewapende grondtroepen is aangeworven;

G.  overwegende dat de door Saudi-Arabië geleide coalitie verantwoordelijk is voor tientallen willekeurige en onevenredige luchtaanvallen, waarbij burgers zijn omgekomen en gewond zijn geraakt, en huizen, scholen, ziekenhuizen en moskeeën zijn vernietigd, onder schending van het oorlogsrecht; overwegende dat de situatie in Jemen een groot gevaar voor de stabiliteit van de gehele regio met zich meebrengt;

H.  overwegende dat de door Saudi-Arabië geleide coalitie een netwerk heeft opgezet van ten minste 18 geheime detentiecentra in Zuid-Jemen, waarin gevangen zijn mishandeld, waarbij zij zijn geslagen en elektrische schokken en seksueel geweld hebben ondergaan; overwegende dat sommige gevangen, die naar het schijnt zijn gefolterd, kort na hun arrestatie zijn overleden; overwegende dat deze detenties, voor zover deze in het kader van een gewapend conflict hebben plaatsgehad, als oorlogsmisdrijven moeten worden onderzocht;

I.  overwegende dat de facto Houthi-autoriteiten een systematische intimidatiecampagne hebben gevoerd tegen mensenrechtenactivisten, journalisten en religieuze minderheden; overwegende dat tegen 24 Jemenieten van de Baha'i-minderheid, waaronder een kind, aanklachten zijn ingediend die tot de doodstraf zouden kunnen leiden, enkel vanwege hun geloof en vreedzame acties;

J.  overwegende dat de Houthi-strijders zonder onderscheid gebieden hebben beschoten waar burgers wonen, met name in Taiz, waarbij honderden burgers zijn gedood en gewond zijn geraakt; overwegende dat zij ook verboden antipersoneelmijnen hebben gebruikt en kinderen hebben aangeworven;

K.  overwegende dat Kamel Jendoubi, de voorzitter van de VN-groep van vooraanstaande internationale en regionale Jemendeskundigen, die op 28 augustus 2018 een verslag heeft gepresenteerd voor de Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in het land, het slachtoffer is van een lastercampagne gericht op het intimideren van deze groep en het in twijfel trekken van zijn bevindingen;

L.  overwegende dat er een internationaal wapenembargo ingevoerd is tegen de door Iran gesteunde Houthi-strijders en dat er in het 18e EU-jaarverslag over wapenuitvoer te lezen staat dat lidstaten sinds de escalatie van het conflict vergunningen zijn blijven afgeven voor de levering van wapens aan Saudi-Arabië, hetgeen strijdig is met het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 over controle op de uitvoer van wapens;

M.  overwegende dat het Parlement in zijn resoluties van 25 februari 2016 en 30 november 2017 over de situatie in Jemen de VV/HV heeft opgeroepen om het initiatief te nemen tot de instelling van een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië, overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB;

N.  overwegende dat ondanks herhaaldelijke oproepen tot een vreedzame oplossing voor de crisis, Saoedi-Arabië zijn intimidatiecampagnes heeft opgevoerd tegen de landen die de verkoop hebben beperkt van wapens waarvan zij vermoeden dat deze in Jemen zouden kunnen worden ingezet in strijd met het internationaal humanitair recht;

1.  roept alle strijdende partijen ertoe op ervoor te zorgen dat alle onder hun bevel staande gewapende troepen, waaronder veiligheidsmilities, zich aan het internationaal humanitair recht houden, een einde te maken aan hun aanvallen op de burgerbevolking en civiele gebouwen, waaronder ziekenhuizen, scholen, markten en moskeeën, en geen wapens in te zetten die willekeurig van aard zijn, zoals clustermunitie en landmijnen;

2.  veroordeelt ten sterkste de luchtaanvallen en blokkades door de door Saudi-Arabië geleide internationale coalitie op het door de Houthi-strijders gecontroleerde grondgebied, aangezien deze de burgerbevolking van Jemen als doelwit hebben en rechtstreeks schade berokkenen en in strijd met het internationaal humanitair recht zijn; merkt op dat deze acties duizenden burgerslachtoffers hebben gemaakt en de instabiliteit van het land, waarvan terroristische organisaties zoals ISIS/Daesh en Al Qaida op het Arabische Schiereiland (AQAS) hebben geprofiteerd, nog hebben verergerd;

3.  veroordeelt ten sterkste de destabiliserende en gewelddadige acties van de Houthi-strijders, waaronder het beleg van de stad Taiz, met desastreuze humanitaire gevolgen voor de bevolking van deze stad;

4.  verzoekt alle betrokken partijen volledige en onmiddellijke humanitaire toegang tot de conflictgebieden te verlenen om de hulpbehoevenden te kunnen ondersteunen; verzoekt de Raad en de VN-Veiligheidsraad om, in uitvoering van zijn resolutie 2216(2015), de personen te identificeren die de verstrekking van humanitaire hulp in Jemen tegenhouden en tegen die personen gerichte sancties te treffen;

5.  brengt in herinnering dat alle bij het conflict in Jemen betrokken buitenlandse regeringen, met name Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, verplicht zijn de rechten van alle personen die onder hun controle staan te eerbiedigen, te beschermen en te verwezenlijken, en dat zowel Saoedi-Arabië als de Verenigde Arabische Emiraten het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind hebben ondertekend;

6.  veroordeelt ten sterkste het bewezen bestaan van detentiecentra die worden beheerd door door de regering van de Verenigde Arabische Emiraten ondersteunde milities, waar gevangenen naar verluidt worden gefolterd en tot twee jaar zonder proces worden vastgehouden; spoort de regering van de Verenigde Arabische Emiraten aan om deze inrichtingen onder het toezicht van de procureur-generaal van Jemen te brengen en verantwoording af te leggen over het lot van de gevangenen;

7.  roept het op het door de Houthi's gecontroleerde grondgebied gelegen gespecialiseerde strafhof in Sanaa op om Asmaa al-Omeissy, Saeed al-Ruwaished en Ahmed Bawazeer, die gedwongen zijn verdwenen, gefolterd en ter dood zijn veroordeeld na een bovenmatig oneerlijk proces wegens vermeende steun aan een vijandelijk land, vrij te spreken en in vrijheid te stellen;

8.  roept het gespecialiseerde strafhof in Sanaa bovendien op om de 25 aanhangers van het bahaïsme die momenteel worden vastgehouden omdat zij op vreedzame wijze hun godsdienst belijden en die de doodstraf riskeren, onmiddellijk vrij te laten;

9.  is verheugd over het jaarverslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de situatie in Jemen, waarin het besluit van de VN-Mensenrechtenraad is opgenomen om het mandaat van de groep van vooraanstaande internationale en regionale deskundigen met één jaar te verlengen en volgens welk besluit dit mandaat kan worden hernieuwd als de Mensenrechtenraad daar toestemming voor geeft;

10.  verzoekt de Europese Unie en alle lidstaten de groep van vooraanstaande internationale en regionale deskundigen coherent, snel en doeltreffend te ondersteunen in alle relevante VN-organen, en in het bijzonder in de Mensenrechtenraad;

11.  spoort alle partijen bij het gewapende conflict aan om alle nodige maatregelen te nemen teneinde doeltreffend, onpartijdig en onafhankelijk onderzoek te voeren naar alle mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht die zouden hebben plaatsgevonden, overeenkomstig internationale normen, met als doel een einde te maken aan de straffeloosheid;

12.  roept op tot een schorsing van het lidmaatschap van Saoedi-Arabië van de VN-Mensenrechtenraad, in het bijzonder met het oog op de toekomstige deelname van het land aan het proces van de universele periodieke evaluatie, waarom het Europees Parlement al meerdere malen heeft verzocht;

13.  roept de VV/HV, de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en de lidstaten op om een dialoog te blijven voeren met Saoedi-Arabië over mensenrechten en fundamentele vrijheden; geeft uitdrukking aan zijn bereidheid om een constructieve en open dialoog te voeren met de autoriteiten van Saoedi-Arabië over de vervulling van hun internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten; dringt aan op een uitwisseling van expertise over juridische en wettelijke kwesties, gericht op het versterken van de bescherming van de rechten van het individu in Saudi-Arabië;

14.  verzoekt de Raad op doeltreffende wijze te ijveren voor naleving van het internationaal humanitair recht, zoals bepaald in de desbetreffende EU-richtsnoeren; herhaalt met name dat alle EU-lidstaten de regels die zijn neergelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB strikt moeten toepassen; wijst in dit verband op zijn resoluties van 25 februari 2016 en 30 november 2017 over de situatie in Jemen; spoort de VV/HV er in dit verband toe aan om, voor vaststelling door de Europese Raad, een embargo voor te stellen op wapens en uitrusting die gebruikt kunnen worden voor repressie in de betreffende gebieden en het behoud van de huidige blokkade, voor alle landen die bij het conflict in Jemen betrokken zijn, met inbegrip van Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten;

15.  verzoekt de Commissie, de VV/HV en de Raad op te treden in internationale fora en daarbij alle nodige stappen te nemen om een einde aan de vijandelijkheden te maken;

16.  behoudt zich het recht voor de kwestie opnieuw in overweging te nemen tot er een via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing is bereikt; beveelt aan dat zijn Subcommissie mensenrechten toezicht houdt op de ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten in Jemen en een verslag opstelt over de schendingen van de mensen- en burgerrechten in het land;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten en de regering van Jemen.

(1)

PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.

(2)

PB C 331 van 18.9.2018, blz. 146.

(3)

PB C 265 van 11.8.2017, blz. 93.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0473.

Laatst bijgewerkt op: 3 oktober 2018Juridische mededeling