Procedure : 2018/2853(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0448/2018

Ingediende teksten :

B8-0448/2018

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0383

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 182kWORD 50k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0444/2018
1.10.2018
PE624.126v01-00
 
B8-0448/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/ hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Jemen (2018/2853(RSP))


Ignazio Corrao, Rolandas Paksas, Fabio Massimo Castaldo namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Jemen (2018/2853(RSP))  
B8‑0448/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Jemen, met name die van 30 november 2017(1), 15 juni 2017(2) en 25 februari 2016(3) over de humanitaire situatie in Jemen,

–  gezien het verslag van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties van 17 augustus 2018 met de bevindingen van de groep van onafhankelijke vooraanstaande internationale en regionale deskundigen over de situatie in Jemen, met inbegrip van schendingen en misbruik sinds september 2014,

–  gezien resolutie 2402(2018) van de VN-Veiligheidsraad waarmee de sanctieregeling tegen Jemen wordt verlengd tot 26 februari 2019,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Jemen, met name resoluties 2342(2017), 2266(2016), 2216(2015), 2201(2015) en 2140(2014),

–  gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 15 maart 2018 over Jemen,

–  gezien de briefing van 21 september 2018 aan de VN-Veiligheidsraad van adjunct-secretaris-generaal van de VN voor humanitaire zaken en coördinator van noodhulp Mark Lowcock over de humanitaire situatie in Jemen,

–  gezien de verklaring van 24 augustus 2018 van adjunct-secretaris-generaal van de VN voor humanitaire zaken en coördinator van noodhulp Mark Lowcock over de situatie in Jemen,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 10 augustus 2018 over de situatie in Jemen,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, en de commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing, Christos Stylianides, van 13 juni 2018 over de jongste ontwikkelingen in Hodeidah, Jemen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 25 juni 2018 over Jemen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de situatie in Jemen een omslagpunt bereikt, aangezien de onderhandelingen onder auspiciën van de VN nog niet tot echte vooruitgang in de richting van een politieke oplossing hebben geleid, geen van beide partijen een militaire overwinning heeft behaald, het onwaarschijnlijk is dat een van beide partijen dit in de toekomst zal doen, er nieuwe confrontaties en gevechten in het land uitbreken, met name in het cruciale gebied rond Hodeidah, en de humanitaire situatie blijft verslechteren;

B.  overwegende dat de adjunct-secretaris-generaal van de VN voor humanitaire zaken en coördinator van noodhulp in zijn briefing aan de VN-Veiligheidsraad over de humanitaire situatie in Jemen heeft onderstreept dat de humanitaire hulp en noodhulp de hongersnood en de verslechterende situatie niet aankunnen en dat ongeveer 75 % van de bevolking, oftewel circa 22 miljoen mensen, behoefte heeft aan een vorm van humanitaire hulp of bescherming; overwegende dat binnenkort nog eens 3,5 miljoen mensen kunnen worden toegevoegd aan de 8 miljoen mensen die reeds te lijden hebben onder ernstige voedselonzekerheid, aangezien het conflict en de aanhoudende gevolgen van de blokkade de broodnodige invoer in het land tegenhouden; overwegende dat 500 000 kinderen in Jemen het risico lopen te verhongeren en dat, volgens schattingen, elke tien minuten een kind in het land sterft;

C.  overwegende dat de verslechterende economische situatie in het land verder bijdraagt tot wat nu reeds de grootste humanitaire crisis ter wereld is; overwegende dat de munteenheid van Jemen sinds 2015 de helft van haar waarde heeft verloren en onlangs in een vrije val is terechtgekomen, waardoor de prijzen van essentiële goederen in het land zijn gestegen; overwegende dat deze negatieve trend wordt versterkt door de strijd in Hodeidah, het belangrijkste invoerknooppunt van Jemen; overwegende dat in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden een ernstig gebrek aan brandstof heerst vanwege de door de regering van Jemen en Saudi-Arabië opgelegde beperkingen, wat gevolgen heeft voor het leven van de burgers en de levering van basisdiensten;

D.  overwegende dat de recente escalatie rond Hodeidah de hoofdweg naar Sanaa ontoegankelijk heeft gemaakt, waardoor de doorvoer van humanitair verkeer nog ingewikkelder is geworden, en dat de recente gevechten in het gebied gezondheidszorg-, water- en sanitaire voorzieningen hebben getroffen, waardoor de vrees is toegenomen voor een heropleving van de cholera-epidemie die Jemen tijdens de oorlog al twee keer heeft geteisterd en sinds april 2017 meer dan een miljoen Jemenieten heeft besmet en 2 300 mensen heeft gedood;

E.  overwegende dat volgens de VN bijna 470 000 mensen sinds begin juni het gouvernement Hodeidah zijn ontvlucht, 75 % van de bevolking van humanitaire hulp afhankelijk is en 17,8 miljoen mensen in voedselonzekerheid verkeren;

F.  overwegende dat ondanks de opening van het schooljaar 2 miljoen kinderen niet naar school gaan en nog eens 4 miljoen kinderen het risico lopen de toegang tot onderwijs te verliezen, omdat ongeveer 67 % van de leerkrachten op openbare scholen al bijna twee jaar niet meer wordt betaald, 66 % van de scholen door het conflict is beschadigd, 27 % is gesloten en 7 % wordt gebruikt door gewapende groepen of als toevluchtsoord voor ontheemden;

G.  overwegende dat de combinatie van deze elementen een hele generatie Jemenieten in gevaar brengt, aangezien kinderen met meerdere bedreigingen worden geconfronteerd, van bommen tot honger, epidemieën en gedwongen dienstplicht; overwegende dat meer dan 2 635 kinderen, allemaal jongens, zijn gerekruteerd en ingezet door strijdkrachten en gewapende groepen, en dat bijna 50 % van de meisjes vóór de leeftijd van 15 jaar heeft moeten trouwen;

H.  overwegende dat de luchtaanvallen onder leiding van de coalitie nog steeds burgerslachtoffers veroorzaken en infrastructuur verwoesten; overwegende dat bij een luchtaanval onder leiding van Saudi-Arabië op 24 augustus ten minste 22 kinderen en 4 vrouwen om het leven zijn gekomen in Jemen, en dat bij een eerdere luchtaanval op 9 augustus een schoolbus werd geraakt, waarbij tientallen mensen zijn omgekomen, waaronder kinderen; overwegende dat dergelijke incidenten ernstige twijfels doen rijzen over de procedures om de doelwitten van de luchtaanvallen van de coalitie te specificeren, en over de wil van de coalitie om het aantal slachtoffers te beperken; overwegende dat de Houthi-rebellen nog altijd ballistische raketten afvuren op Riyad en het grondgebied van Saudi-Arabië;

I.  overwegende dat het oorlogsrecht doelbewuste en lukrake aanvallen op burgers verbiedt; overwegende dat dergelijke aanvallen als oorlogsmisdrijven worden beschouwd en dat de plegers ervan voor die misdrijven kunnen worden vervolgd; overwegende dat volgens het Bureau voor de mensenrechten van de Verenigde Naties ten minste 6 660 burgers om het leven zijn gekomen en 10 500 burgers gewond zijn geraakt in Jemen tussen maart 2015 en 23 augustus 2018;

J.  overwegende dat de groep van onafhankelijke vooraanstaande internationale en regionale deskundigen voor Jemen in zijn verslag van 28 augustus 2018 over de mensenrechtensituatie in Jemen benadrukt dat de meeste directe burgerslachtoffers zijn gevallen door luchtaanvallen van de coalitie, aangezien de aanvallen gericht waren op woonwijken en openbare ruimten, en dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat dergelijke aanvallen zijn uitgevoerd in strijd met de beginselen van onderscheid, evenredigheid en voorzorg; overwegende dat tegelijkertijd het vermeende willekeurige gebruik door de Houthi-rebellen van wapens met verstrekkende gevolgen in stedelijke oorlogssituaties uiterst zorgwekkend is; overwegende dat in het verslag wordt gesuggereerd dat de partijen bij het conflict geen enkele poging hebben gedaan om het aantal burgerslachtoffers tot een minimum te beperken en zich schuldig hebben gemaakt – en nog steeds schuldig maken – aan schendingen en misdaden op grond van het internationaal recht die mogelijk als oorlogsmisdaden kunnen worden beschouwd;

K.  overwegende dat in het verslag ook een aantal andere mensenrechtenschendingen in het land aan de orde worden gesteld, die door alle partijen bij het conflict worden begaan, zoals wijdverbreide willekeurige opsluitingen, mishandeling en foltering in sommige faciliteiten, seksueel geweld, de inlijving van kinderen bij het leger en ernstige beperkingen van het recht op vrijheid van meningsuiting;

L.  overwegende dat Kamel Jendoubi, voorzitter van de groep van vooraanstaande deskundigen, die het verslag voor de Mensenrechtenraad heeft uitgebracht, het slachtoffer is van een lastercampagne die gericht is op het intimideren van deze groep en het in twijfel trekken van zijn bevindingen;

M.  overwegende dat de Mensenrechtenraad, ondanks de druk van een aantal landen en de weigering van de regering van Jemen om de missie van de deskundigen te verlengen op beschuldiging van vooringenomenheid in het voordeel van de Houthi-milities, het mandaat van de groep van vooraanstaande deskundigen in Jemen op 28 september 2018 heeft verlengd;

N.  overwegende dat een poging om begin september 2018 in Genève besprekingen over Jemen te voeren – de eerste besprekingen in drie jaar tijd – mislukte, omdat de Houthi-afgevaardigden niet kwamen opdagen en de door Saudi-Arabië geleide coalitie ervan beschuldigden hun reis naar de vredesbesprekingen te hebben belemmerd;

O.  overwegende dat er een internationaal wapenembargo is ingevoerd tegen gewapende groepen in Jemen, in het bijzonder de Houthi-rebellen; overwegende dat in het 19e EU‑jaarverslag over wapenuitvoer te lezen staat dat lidstaten sinds de escalatie van het conflict vergunningen zijn blijven afgeven voor de levering van wapens aan Saudi-Arabië, hetgeen in strijd is met het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 over controle op de uitvoer van wapens; overwegende dat het Parlement in zijn resoluties van 25 februari 2016 en 30 november 2017 over de humanitaire situatie in Jemen de VV/HV heeft opgeroepen het initiatief te nemen tot de instelling van een EU-wapenembargo tegen Saudi-Arabië, overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB;

1.  veroordeelt in de scherpste bewoordingen het aanhoudende geweld in Jemen en uit nogmaals zijn ernstige bezorgdheid over de verwoestende gevolgen van het conflict voor de bevolking van Jemen en de alarmerende verslechtering van de humanitaire situatie; erkent nogmaals dat deze crisis de grootste humanitaire crisis in de wereld is geworden;

2.  betuigt zijn medeleven met de slachtoffers; betreurt het feit dat het conflict nog steeds niet de aandacht krijgt die het verdient; doet een beroep op alle internationale actoren om de situatie in Jemen bovenaan de internationale agenda te handhaven en samen te werken om haalbare oplossingen te vinden;

3.  herhaalt zijn standpunt dat het conflict in Jemen niet kan worden opgelost met militaire middelen, maar alleen via een onderhandelingsproces tussen de partijen; betuigt nogmaals zijn volledige steun voor de inspanningen van de secretaris-generaal van de VN en de speciaal gezant voor Jemen om tot een hervatting van de onderhandelingen te komen; roept alle partijen bij het conflict en de regionale actoren op om zich in het kader van de Verenigde Naties op constructieve wijze in te zetten voor het proces;

4.  betreurt in dit verband het mislukken van de eerste overlegronde in Genève (6 t/m 9 september 2018) en roept alle partijen bij het conflict op zich te onthouden van agressieve taal en zinloze beschuldigingen, de vertrouwenwekkende maatregelen te hervatten en te goeder trouw opnieuw deel te nemen aan het door de bemiddeling van de VN tot stand gekomen vredesproces; wenst dat de algemene vergadering van de VN de nodige impulsen geeft om de onderhandelingen te hervatten;

5.  is ingenomen met het recente bezoek van speciaal VN-gezant Martin Griffiths aan Sanaa op 16 september 2018, dat tot doel had de vredesbesprekingen en vertrouwenwekkende maatregelen te hervatten, zoals de volledige heropening van de luchthaven van Sanaa voor passagiers- en commerciële vluchten en de betaling door de Jemenitische overheid van de ambtenarensalarissen in alle delen van het land, en steunt zijn pogingen om de vredesbesprekingen nieuw leven in te blazen door de voorwaarden te scheppen voor vruchtbare gesprekken tussen de partijen;

6.  herhaalt nogmaals dat de partijen bij het conflict de verantwoordelijkheid hebben om burgers en civiele infrastructuur te beschermen en dat aanvallen tegen hen oorlogsmisdaden zijn; verzoekt alle betrokken partijen onmiddellijke en volledige humanitaire toegang tot de conflictgebieden te verlenen om de bevolking in nood te kunnen bijstaan; verzoekt de Raad en de VN-Veiligheidsraad om, in uitvoering van zijn resolutie 2216(2015), de personen te identificeren die de verstrekking van humanitaire hulp in Jemen tegenhouden en gerichte sancties te treffen tegen die personen;

7.  dringt er bij alle partijen op aan de nodige maatregelen te treffen om de onevenredige beperkingen op de veilige en snelle binnenkomst in Jemen van humanitaire en andere goederen die onontbeerlijk zijn voor de burgerbevolking, en op het verkeer van personen, onder meer via de internationale luchthaven van Sanaa, op te heffen, in overeenstemming met het internationaal humanitair recht;

8.  veroordeelt met klem de luchtaanvallen van de door Saudi-Arabië geleide coalitie in Jemen, die de meeste directe burgerslachtoffers hebben veroorzaakt en zijn uitgevoerd in strijd met de beginselen van onderscheid, evenredigheid en voorzorg, en waarvan de resultaten aantonen dat de wil ontbreekt om het aantal slachtoffers te beperken; dringt er bij de door Saudi-Arabië geleide coalitie op aan haar stakingen in Jemen onmiddellijk te beëindigen en haar blokkade van het land op te heffen; veroordeelt eveneens het gebruik door de Houthi-rebellen van wapens met verstrekkende gevolgen in stedelijke oorlogssituaties, en de lancering van ballistische raketten op doelwitten in Saudi-Arabië; is ervan overtuigd dat deze schendingen oorlogsmisdaden vormen, zoals ook in het verslag van de groep van vooraanstaande deskundigen wordt gesteld;

9.  verzoekt Saudi-Arabië en de andere partners van de coalitie snel onderzoek te doen naar elk incident dat betrekking heeft op hun activiteiten in Jemen, passende verantwoordingsmaatregelen te nemen en de resultaten openbaar te maken; is ervan overtuigd dat er onafhankelijk onderzoek moet worden ingesteld om na te gaan waar de verantwoordelijkheid ligt, aangezien het onderzoeksorgaan van de coalitie dat met deze taak is belast – het Joint Incidents Assessment Team – niet voldoet aan internationale normen inzake transparantie, onpartijdigheid en onafhankelijkheid;

10.  veroordeelt de ongegronde pogingen om de voorzitter van de groep van vooraanstaande deskundigen te ondermijnen en het besluit van de regering van Jemen om de samenwerking met de groep stop te zetten; is zeer verheugd over het besluit van de VN‑Mensenrechtenraad om het mandaat van de groep van vooraanstaande deskundigen te verlengen, zodat de groep bewijsmateriaal kan blijven verzamelen van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Jemen; is van mening dat de groep van vooraanstaande deskundigen moet worden omgevormd tot een volwaardige internationale onderzoekscommissie; verzoekt, in het licht van de ernstige beschuldigingen tegen Saudi-Arabië in verband met zijn rol in Jemen, om een opschorting van zijn lidmaatschap van de VN‑Mensenrechtenraad;

11.  is uiterst bezorgd over de intensivering van de gevechten rond Hodeidah, een cruciaal knooppunt voor hulpoperaties en de bestemming van het grootste deel van de voedselinvoer voor Jemen; verzoekt de partijen bij het conflict met klem zich te houden aan hun verplichting om burgers en civiele infrastructuur te beschermen en de haven van Hodeidah en de belangrijkste wegen open te houden voor humanitaire hulp, en dringt er tegelijkertijd op aan dat geen enkele humanitaire ruimte voor militaire doeleinden wordt gebruikt;

12.  acht het van belang om praktische oplossingen te vinden, zoals het openen van luchtbruggen voor de burgerbevolking, overeenkomstig het voorstel van de VN, met het oog op de uiteindelijke heropening van de luchthaven van Sanaa; is ervan overtuigd dat dergelijke maatregelen niet als politiek gemotiveerd moeten worden gezien, maar als een middel om het lijden van de burgerbevolking te verlichten;

13.  spreekt zijn waardering uit voor alle hulpverleners, instanties en maatschappelijke organisaties die betrokken zijn bij de hulpverlening en prijst het werk van de organisaties die zich onder uiterst moeilijke omstandigheden inzetten voor het verdedigen en bevorderen van de mensenrechten en het verzamelen van bewijsmateriaal met betrekking tot schendingen door de partijen bij het conflict;

14.  verzoekt de Raad op doeltreffende wijze te ijveren voor de naleving van het internationaal humanitair recht, zoals bepaald in de desbetreffende EU-richtsnoeren; herhaalt met name dat alle EU-lidstaten de regels die zijn neergelegd in Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB strikt moeten toepassen; wijst in dit verband op zijn resoluties van 25 februari 2016 en 30 november 2017 over de humanitaire situatie in Jemen, waarin de VV/HV wordt opgeroepen om het initiatief te nemen voor een wapenembargo van de EU tegen Saudi-Arabië gezien de ernstige beschuldigingen van schendingen van het internationaal humanitair recht door dat land in Jemen en het feit dat het blijven verlenen van vergunningen voor wapenverkoop aan Saudi-Arabië bijgevolg in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB;

15.  verzoekt de Commissie, de VV/HV en de Raad op te treden in internationale fora en op bilateraal niveau en daarbij alle nodige stappen te nemen om de hervatting van de onderhandelingen tussen de partijen te vergemakkelijken;

16.  benadrukt dat de EU sinds het begin van het huidige conflict in maart 2015 een belangrijke rol speelt; herinnert eraan dat de EU via haar partnerorganisaties voor 233,7 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft uitgetrokken; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun humanitaire bijstand aan de Jemenitische bevolking verder op te voeren;

17.  behoudt zich het recht voor de kwestie opnieuw in overweging te nemen tot er een via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing is bereikt; beveelt aan dat zijn Subcommissie mensenrechten toezicht houdt op de ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten in Jemen en een verslag opstelt over de schendingen van de mensen- en burgerrechten in het land;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Samenwerkingsraad van de Golf, de secretaris-generaal van de Liga van Arabische Staten en de regering van Jemen.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0473.

(2)

PB C 331 van 18.9.2018, blz. 146.

(3)

PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.

Laatst bijgewerkt op: 3 oktober 2018Juridische mededeling