Procedure : 2018/2870(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0494/2018

Ingediende teksten :

B8-0494/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.19

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0435

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 173kWORD 48k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0493/2018
22.10.2018
PE624.189v01-00
 
B8-0494/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in de Zee van Azov (2018/2870(RSP))


Rebecca Harms, Heidi Hautala, Indrek Tarand namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in de Zee van Azov (2018/2870(RSP))  
B8‑0494/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland en Oekraïne, met name zijn resoluties van 11 juni 2015 over de strategische militaire situatie in het Zwarte Zeebekken na de illegale annexatie van de Krim door Rusland(1), van 16 maart 2017 over de Oekraïense gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim(2), van 5 oktober 2017 over de gevallen van de leiders van de Krim-Tataren Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov en journalist Mykola Semena(3) en van 14 juni 2018 over Rusland, met name de zaak van de politieke gevangene Oleg Sentsov(4),

–  gezien de overeenkomst van 24 december 2003 tussen de Russische Federatie en Oekraïne inzake samenwerking bij het gebruik van de Zee van Azov en de Straat van Kertsj,

–  gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds(5),

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 14 november 2017 over het Uitvoeringsverslag inzake de associatieovereenkomst met Oekraïne (SWD(2017) 376 final),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de EDEO van 15 mei 2018 over de gedeeltelijke opening van de Kertsj-brug,

–  gezien Besluit (GBVB) 2018/1085 van de Raad(6) van 30 juli 2018, waarbij zes bij de bouw van de Krimbrug betrokken entiteiten worden toegevoegd aan de lijst van entiteiten die zijn onderworpen aan beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de bilaterale overeenkomst tussen Oekraïne en Rusland van 24 december 2003 inzake samenwerking bij het gebruik van de Zee van Azov en de Straat van Kertsj is bepaald dat deze gebieden door een staatsgrens afgebakende binnenwateren van de twee staten zijn en dat Oekraïne en Rusland het recht hebben om volgens hen verdachte vaartuigen te inspecteren;

B.  overwegende dat Oekraïne en Rusland in 2008 het protocol betreffende de afbakening van de Zee van Azov hebben ondertekend, waarin is bepaald dat 62 % van het maritieme grondgebied van de Zee van Azov aan Oekraïne toebehoort; overwegende dat Rusland na de bezetting van de Krim in 2014 een deel van de territoriale wateren van Oekraïne heeft afgenomen en eenzijdig heeft besloten om de exclusieve economische zone en het continentaal plat van Oekraïne in de Zwarte Zee, de Zee van Azov en de Straat van Kertsj als zijn eigen wateren te beschouwen;

C.  overwegende dat de bouw van de Krimbrug door de Russische Federatie, zonder toestemming van Oekraïne, nog een inbreuk vormt op de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne en erop gericht is de illegaal geannexeerde Krim verder met geweld in de Russische Federatie te integreren;

D.  overwegende dat Russische grenswachters vanaf de tweede helft van april 2018 zijn begonnen met het tegenhouden en inspecteren van buitenlandse vaartuigen afkomstig van of op weg naar Oekraïense havens (Marioepol en Berdjansk) in de Zee van Azov; overwegende dat deze inspecties samenvielen met de voltooiing van de brug tussen de illegaal geannexeerde Krim en het Russische vasteland in de Straat van Kertsj;

E.  overwegende dat een gelijksoortige regeling niet van toepassing is op Russische vaartuigen, noch op andere vaartuigen op weg naar Russische havens in de Zee van Azov;

F.  overwegende dat de bouw van de brug in de Straat van Kertsj, de enige doorgang tussen de Zee van Azov en de Zwarte Zee, de doorvaart in de Straat van Kertsj beperkt van vaartuigen die afkomstig zijn van of op weg zijn naar Oekraïense havens in de Zee van Azov, en tot ernstige problemen met het vrije verkeer van goederen leidt;

G.  overwegende dat als gevolg van de recente aanleg van de brug alleen nog vaartuigen van bepaalde afmetingen de havens in de Zee van Azov kunnen bereiken, aangezien de hoogte van de brug 35 meter bedraagt en alleen vaartuigen met een doorvaarhoogte van minder dan 33 meter en een lengte van minder dan 160 meter er veilig onder kunnen varen, zodat vaartuigen van de Panamax-klasse worden geweerd, hoewel zij meer dan een vijfde van al het scheepsverkeer op deze wateren uitmaakten;

H.  overwegende dat de zeer gedetailleerde inspecties door de Russische Federatie van vaartuigen die door de Straat van Kertsj varen tot wel 72 uur in beslag kunnen nemen, met ernstige vertragingen en een afname van het vrachtverkeer als gevolg, evenals merkbare financiële verliezen voor de plaatselijke Oekraïense economie en voor de handelaren wiens vaartuigen aan deze regeling onderworpen worden;

I.  overwegende dat volgens de EDEO ongeveer 220 vaartuigen die onder de vlag van een EU-lidstaat varen aan dergelijke lange inspecties werden onderworpen;

J.  overwegende dat Oekraïne overeenkomstig artikel 33 van het Handvest van de Verenigde Naties en artikel 279 van Unclos heeft getracht zijn geschil met Rusland vreedzaam op te lossen; overwegende dat Oekraïne op 16 september 2016 een arbitrageprocedure heeft aangespannen tegen de Russische Federatie en een kennisgeving en uiteenzetting van vordering heeft ingediend overeenkomstig deel XV van en bijlage VII bij Unclos;

K.  overwegende dat de Oekraïense havens Marioepol en Berdjansk in de Zee van Azov aanzienlijk in belang zijn toegenomen sinds de illegale annexatie van de Krim, aangezien 80 % van de Oekraïense uitvoer via deze havens en wateren plaatsvindt;

L.  overwegende dat Oekraïne op 17 september 2018 naar aanleiding van het illegale optreden van de Russische Federatie heeft besloten het algemene vriendschapsverdrag op te zeggen dat het in 1997 met Rusland had ondertekend; overwegende dat Rusland heeft aangekondigd extra troepen van de marine en kustartillerie te stationeren aan de Zee van Azov en zijn voornemen heeft bekendgemaakt om voor het einde van dit jaar in deze wateren een marinebasis op te richten;

1.  betreurt het optreden van de Russische Federatie in de Zee van Azov, dat opnieuw een flagrante schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne inhoudt, en veroordeelt het zonder noodzaak tegenhouden en binnendringen van commerciële vaartuigen, waaronder zowel Oekraïense vaartuigen als vaartuigen die de vlag van derde landen voeren, met inbegrip van meer dan 220 schepen onder de vlag van verschillende EU-lidstaten;

2.  is van mening dat dergelijke ongegronde inspecties door Rusland beogen de vrijheid van scheepvaart te beperken en de handel en het verkeer in de regio te belemmeren, terwijl zij vanwege de wachttijden enorme kosten met zich mee brengen voor alle vaartuigen afkomstig van of op weg naar Oekraïense havens, en ziet hierin een poging om de annexatie van deze wateren te voltooien en deze om te vormen tot een Russisch "binnenlands meer";

3.  meent dat Rusland opzettelijk Oekraïense havens discrimineert en zijn inspectierechten misbruikt; benadrukt dat dit neerkomt op een feitelijke blokkade van de Oekraïense havens in de Zee van Azov;

4.  wijst erop dat het Russische optreden in de Zee van Azov de internationale zeevaart belemmert, in strijd is met de vrijheid van zee en de vrijheid van scheepvaart en tot een verdere destabilisering van de situatie in Oekraïne leidt;

5.  maakt zich ernstige zorgen over de toename van de spanningen in de regio en is diep bezorgd dat aan het conflict een maritieme dimensie is toegevoegd, zoals blijkt uit de toegenomen aanwezigheid van de Russische marine door de versterking van de Russische Zwarte Zeevloot en kustwacht in de Zee van Azov;

6.  spoort Oekraïne aan gebruik te blijven maken van diplomatieke en juridische middelen om zich teweer te stellen tegen het Russische optreden, met inbegrip van de lopende arbitrageprocedure in het kader van het Unclos;

7.  betreurt dat de Russische Federatie de economische situatie in de regio ernstig verzwakt door het vrachtverkeer te vertragen en te beperken, hetgeen het werk van de Oekraïense zeehavens negatief beïnvloedt en een belemmering vormt voor de lokale economie; wijst erop dat de financiële verliezen, die nu reeds tientallen miljoenen euro bedragen, ook EU-handelaren betreffen die vaartuigen in deze wateren exploiteren;

8.  veroordeelt de voortgezette militarisering door Rusland van de Zwarte Zee en nu ook van de regio van de Zee van Azov, met name door de inzet van talrijke militaire en patrouillevaartuigen uit de Kaspische Zee; betreurt dat de Zee van Azov een nieuwe arena is geworden voor agressief optreden van Rusland tegen Oekraïne;

9.  veroordeelt de bouw van de brug over de Straat van Kertsj, die de illegaal geannexeerde Krim met het Russische vasteland verbindt, zonder toestemming van Oekraïne heeft plaatsgevonden en de scheepvaart in de Straat van Kertsj tussen de Zee van Azov en de Zwarte Zee belemmert; is van mening dat de bouw erop gericht is de Krim met geweld verder in Rusland te integreren en de isolatie ervan ten opzichte van Oekraïne, waarvan het nog altijd deel uitmaakt, te versterken;

10.  roept de VV/HV op partij te kiezen voor Oekraïne en het te ondersteunen en bij te staan bij alle juridische procedures die het land uit hoofde van het internationale recht en de overeenkomsten ter zake onderneemt om de huidige onrechtmatige inspecties te doen ophouden en zijn legitieme rechten te herstellen;

11.  is van mening dat de westerse protesten, onder meer van de EU, tegen het Russische optreden in dit verband tot nu toe zwak en ondoeltreffend zijn geweest, ondanks de ernst van het optreden, de strategische intentie van de Russische operatie in de Zee van Azov en het toenemende aantal getroffen schepen onder westerse vlag;

12.  verzoekt de VV/HV nader toezicht te houden op de zich ontwikkelende veiligheidssituatie in de Zee van Azov vanwege het groeiende conflictpotentieel aan de poorten van Europa, met mogelijk meer omvattende gevolgen voor het veiligheidsbeleid die rechtstreeks van invloed zijn op de EU en haar lidstaten; verwacht van de lidstaten dat zij vasthouden aan een samenhangende en uniforme aanpak ten aanzien van Moskou in het kader van deze nieuwe dreigende crisis;

13.  dringt er bij de VV/HV op aan om in de besprekingen met de EU-lidstaten in de Raad te overwegen de gerichte sancties tegen Rusland aan te scherpen teneinde de mogelijke escalatie van het conflict in de Zee van Azov te voorkomen;

14.  meent voorts dat de inzet van een VN-missie die belast is met controle en toezicht van de schepen die door de Straat van Kertsj varen de spanning kan doen verminderen, de dialoog tussen de partijen kan bevorderen en verdere escalatie van de crisis kan voorkomen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de president, de premier en het parlement van Oekraïne en de president, de premier en het parlement van de Russische Federatie, de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de NAVO, en de OVSE.

 

(1)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 74.

(2)

PB C 263 van 25.7.2018, blz. 109.

(3)

PB C 346 van 27.9.2018, blz. 86.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0259.

(5)

PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3.

(6)

PB L 194 van 31.7.2018, blz. 147.

Laatst bijgewerkt op: 24 oktober 2018Juridische mededeling