Procedure : 2018/2870(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0496/2018

Ingediende teksten :

B8-0496/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.19

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0435

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 267kWORD 52k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0493/2018
22.10.2018
PE624.191v01-00
 
B8-0496/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in de Zee van Azov (2018/2870(RSP))


Charles Tannock, Anna Elżbieta Fotyga, Zdzisław Krasnodębski, Raffaele Fitto, Karol Karski, Jana Žitňanská, Ruža Tomašić, Monica Macovei, Jan Zahradil, Branislav Škripek, Jadwiga Wiśniewska namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in de Zee van Azov (2018/2870(RSP))  
B8‑0496/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland en Oekraïne , met name die van 13 maart 2014 over de invasie van Oekraïne door Rusland(1), van 17 juli 2014 over Oekraïne(2), van 11 juni 2015 over de strategische militaire situatie in het Zwarte Zeebekken na de illegale annexatie van de Krim door Rusland(3), van 5 oktober 2017 over de gevallen van de leiders van de Krim-Tataren Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov en journalist Mykola Semena(4) en van 14 juni 2018 over Rusland, met name de zaak van de Oekraïense politieke gevangene Oleh Sentsov(5),

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 15 mei 2018 over de gedeeltelijke opening van de Kertsj-brug,

–  gezien het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en het VN-Handvest,

–  gezien de overeenkomst tussen Oekraïne en de Russische Federatie over het gebruik van de Zee van Azov en de Straat van Kertsj van 2003, het memorandum van Boedapest betreffende veiligheidsgaranties van 5 december 1994 en het pakket maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de akkoorden van Minsk van 12 februari 2015,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Zee van Azov vóór de inzet van militaire en kustwachtvaartuigen door Rusland bijna gedemilitariseerd was; overwegende dat de Russische acties hebben geleid tot een verdere verslechtering van de veiligheidssituatie in de Zwarte Zee en de Zee van Azov en aanzienlijke gevolgen hebben voor de aanhoudende oorlog in Oost-Oekraïne;

B.  overwegende dat zowel het VN-Verdrag inzake het recht van de zee als de overeenkomst over de Zee van Azov van 2003 voorzien in de vrijheid van scheepvaart; overwegende dat laatstgenoemde overeenkomst de Zee van Azov definieert als onderdeel van de binnenwateren van beide staten en aan beide partijen de bevoegdheid verleent om vaartuigen te inspecteren die de Zee van Azov binnenkomen of verlaten;

C.  overwegende dat de bouw van de Kertsj-brug van Rusland naar de illegaal geannexeerde Krim zonder toestemming van Oekraïne nog een inbreuk vormt op de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door de Russische Federatie;

D.  overwegende dat als gevolg van de Kertsj-brug alleen nog schepen met een hoogte van minder dan 33 meter en een lengte van minder dan 160 meter de Oekraïense havens in de Zee van Azov kunnen bereiken, wat betekent dat het voor schepen van de Panamax-klasse, die vóór de bouw meer dan 20 % van al het scheepsverkeer uitmaakten, onmogelijk is geworden om de Zee van Azov binnen te varen;

E.  overwegende dat Rusland veelvuldig schepen tegenhoudt die op weg zijn naar of vertrekken uit de Oekraïense havens van Marioepol en Berdyansk en langdurige inspecties uitvoert die meerdere dagen kunnen duren; overwegende dat schepen die onder de Russische vlag varen niet verplicht zijn dergelijke controles te ondergaan;

F.  overwegende dat sinds april 2018 ten minste 120 vaartuigen uit EU-lidstaten zijn onderworpen aan de ongerechtvaardigde inspectieprocedures van Rusland in de Zee van Azov;

G.  overwegende dat deze nieuwe Russische maatregelen al aanzienlijke negatieve gevolgen hebben gehad voor de lokale economie en de werkdruk van de Oekraïense havens in de Zee van Azov, die na de illegale annexatie van de Krim verantwoordelijk werden voor de verwerking van 80 % van het volume van de Oekraïense uitvoer over zee;

H.  overwegende dat Rusland dit patroon van schendingen van de territoriale wateren van derde landen of blokkades van het zeevervoer al eerder heeft gebruikt in de Oostzee, met name ten aanzien van Estland, Letland en Polen (Wisła-lagune);

I.  overwegende dat Oekraïne in september 2018 besloot het in 1997 tussen Oekraïne en de Russische Federatie gesloten vriendschaps-, samenwerkings- en partnerschapsverdrag in te trekken en een marinebasis in de Zee van Azov te vestigen, waardoor zijn militaire aanwezigheid aldaar toenam;

1.  veroordeelt met klem de acties van Rusland in de Zee van Azov, aangezien ze de scheepvaart belemmeren, vertragingen veroorzaken, de vervoerskosten drastisch doen toenemen, een nieuwe dimensie van de hybride oorlogsvoering van Rusland vormen en een schending inhouden van het internationaal recht en de eigen verbintenissen van Rusland; is met name bezorgd over de praktijk van het tegenhouden van schepen voor inspectie door de Russische kustwacht binnen twaalf mijl van de Oekraïense kust;

2.  is ernstig bezorgd over de voortgezette militarisering van de Zee van Azov en de Zwarte Zeeregio, met name van de illegaal bezette Krim, met inbegrip van de ontwikkeling van A2/AD-capaciteiten door de Russische Federatie, die nieuwe S-400-luchtdoelsystemen omvatten;

3.  uit zijn zeer ernstige bezorgdheid over de uiterst onstabiele veiligheidssituatie in de Zee van Azov, die gemakkelijk kan escaleren tot een open conflict;

4.  veroordeelt de Russische praktijk van buitensporig lange controles van vaartuigen die de Zee van Azov binnenkomen of verlaten die op weg zijn naar of vertrekken uit de Oekraïense havens; benadrukt dat Russische schepen of schepen die op weg zijn naar of vertrekken uit Russische havens niet aan dergelijke controles worden onderworpen; benadrukt dat deze inspecties catastrofale gevolgen hebben voor de Oekraïense visserijsector;

5.  beschouwt dergelijke praktijken als bewuste en opzettelijke discriminatie van Oekraïense havens en als misbruik van inspectierechten; vreest dat de inspectie- en blokkadepraktijken die in de Zee van Azov zijn ontwikkeld, indien deze niet worden aangepakt, ook elders kunnen worden gebruikt, onder meer in de Zwarte Zee;

6.  betreurt de poging van Rusland om de illegaal geannexeerde Krim door de bouw van de Kertsj-brug onder dwang te integreren; is ingenomen met het besluit van de Raad om de beperkende maatregelen uit te breiden tot de entiteiten die betrokken waren bij de bouw van de Kertsj-brug en roept de Raad op de reikwijdte van de acties waarvoor sancties worden opgelegd uit te breiden, zodat ze ook betrekking hebben op degenen die verantwoordelijk zijn voor de planning en tenuitvoerlegging van het ongerechtvaardigde en discriminerende inspectiebeleid van Rusland in de Zee van Azov en de verantwoordelijken voor het toezicht op de bouw en het functioneren van de Kertsj-brug;

7.  verzoekt de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) haar mandaat voor de monitoringmissie in de Zee van Azov uit te breiden of een afzonderlijke internationale monitoringmissie voor dit waterlichaam in te stellen;

8.  verzoekt de VV/HV beter toezicht te houden op de zich ontwikkelende veiligheidssituatie in de Zee van Azov vanwege het groeiende conflictpotentieel aan de poorten van Europa, met mogelijk bredere veiligheidsimplicaties die rechtstreeks van invloed zijn op de EU en haar lidstaten; is in dit verband van mening dat het zeer nuttig zou zijn een speciale EU-gezant voor de Krim en het Donetsbekken te benoemen, die tevens belast is met de Zee van Azov;

9.  verzoekt de Commissie een speciale deskundigenmissie naar de regio te sturen om de economische schade als gevolg van de feitelijke blokkade op te nemen, en te overwegen een speciaal programma voor economische ontwikkeling op te zetten dat in de getroffen gebieden ten uitvoer kan worden gelegd, met inbegrip van bijstand voor de heropening van de civiele luchthaven van Marioepol en voor de ontwikkeling van plannen voor alternatieve vervoersroutes voor Oekraïense goederen;

10.  betreurt de illegale winning van aardolie en gas door de Russische Federatie op Oekraïens grondgebied; wijst erop dat het gevaar bestaat dat Rusland Oekraïense olie- en gasvelden in de Zee van Azov in beslag neemt zodra het zijn doel heeft bereikt, te weten de omvorming van deze zee tot binnenzee van de Russische Federatie;

11.  is zeer ingenomen met de krachtige steun van de NAVO voor Oekraïne; roept op tot nog meer bijstand en betrokkenheid, onder meer middels een grotere aanwezigheid in de Zwarte Zee en de Zee van Azov, gezamenlijke militaire oefeningen en operaties en steun voor het versterken van de Oekraïense militaire en marinecapaciteit;

12.  roept de VV/HV op Oekraïne te helpen alle diplomatieke acties en juridische procedures te benutten waarin het internationaal recht en de desbetreffende verdragen voorzien, met inbegrip van de lopende arbitrageprocedures in het kader van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, teneinde zich teweer te stellen tegen het vijandige Russische optreden in de Zee van Azov;

13.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor de onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Oekraïne; bevestigt nogmaals de soevereiniteit van Oekraïne over het schiereiland van de Krim;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de secretaris-generaal van de NAVO, de president, de regering en het parlement van Oekraïne, de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie en de EU-lidstaten.

(1)

PB C 378 van 9.11.2017, blz. 213.

(2)

PB C 224 van 21.6.2016, blz. 14.

(3)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 74.

(4)

PB C 346 van 27.9.2018, blz. 86.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0259.

Laatst bijgewerkt op: 24 oktober 2018Juridische mededeling