Procedure : 2018/2885(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0501/2018

Ingediende teksten :

B8-0501/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.18

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0434

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 285kWORD 52k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0498/2018
22.10.2018
PE624.197v01-00
 
B8-0501/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de moord op journalist Jamal Khashoggi in het consulaat van Saudi-Arabië te Istanbul  (2018/2885(RSP))


Ángela Vallina, Marie‑Christine Vergiat, Sabine Lösing, Maria Lidia Senra Rodríguez, Malin Björk, Patrick Le Hyaric, Eleonora Forenza, Merja Kyllönen, Marie‑Pierre Vieu, Barbara Spinelli, Luke Ming Flanagan, Helmut Scholz, Paloma López Bermejo, Kateřina Konečná, Sofia Sakorafa, Nikolaos Chountis, Marisa Matias, Dimitrios Papadimoulis, Stelios Kouloglou, Kostadinka Kuneva, Martina Michels, Younous Omarjee, Miguel Urbán Crespo, Tania González Peñas, Xabier Benito Ziluaga, Estefanía Torres Martínez, Lola Sánchez Caldentey, Martin Schirdewan namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de moord op journalist Jamal Khashoggi in het consulaat van Saudi-Arabië te Istanbul  (2018/2885(RSP))  
B8‑0501/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de secretaris-generaal van de VN van 19 oktober 2018 over de dood van Jamal Khashoggi,

–  gezien de verklaring van Bernard Duhaime, voorzitter van de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, van 18 oktober 2018,

–  gezien de verklaring van Michelle Bachelet, Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, van 16 oktober 2018, waarin zij Saudi-Arabië ertoe oproept geen informatie over de verdwijning van Jamal Khashoggi achter te houden,

–  gezien artikel 41 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961 en artikel 55 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963,

–  gezien de opmerkingen van VV/HV Federica Mogherini op 9 en 15 oktober en met name haar verklaring van 20 oktober 2018 over de recente ontwikkelingen in de zaak rond de Saudische journalist Jamal Khashoggi,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dat het recht op vrijheid van mening en meningsuiting beschermt, en artikel 5, waarin is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien het Arabische Handvest van de rechten van de mens, met name artikel 32, lid 1, waarin het recht op informatie en op vrijheid van mening en meningsuiting worden gewaarborgd, en artikel 8, waarin lichamelijke en psychische foltering, evenals wrede, onterende, vernederende en onmenselijke behandeling worden verboden,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten over Saudi-Arabië van 30 augustus 2018 in aanloop naar de 31e vergadering van de werkgroep universele periodieke toetsing door de Mensenrechtenraad, die van 5 tot en met 16 november 2018 zal plaatsvinden,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Saudi-Arabië, met name die van 11 maart 2014 over Saudi-Arabië, zijn betrekkingen met de EU en zijn rol in het Midden-Oosten en Noord-Afrika(1), van 12 februari 2015 over de zaak van de heer Raif Badawi(2), van 8 oktober 2015 over de zaak van de heer Ali Mohammad al-Nimr(3) en van 31 mei 2018 over de situatie van voorvechters van vrouwenrechten in Saudi-Arabië(4),

–  gezien zijn eerdere resoluties van 25 februari 2016(5) en 30 november 2017 over de situatie in Jemen(6) en die van 4 oktober 2018 met het verzoek om een wapenembargo tegen Saudi-Arabië(7),

–  gezien het lidmaatschap van Saudi-Arabië van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(8),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Saudische journalist Jamal Khashoggi vermist raakte nadat hij voor het laatst gezien was toen hij op 2 oktober 2018 het Saudische consulaat te Istanbul binnenging; overwegende dat het Saudische regime gedurende meer dan twee weken tegenstrijdige en onoprechte lezingen over het lot van de heer Khashoggi heeft verspreid en gedurende deze tijd elke betrokkenheid bij zijn verdwijning heeft ontkend;

B.   overwegende dat er in de Turkse media uiterst verontrustende informatie is verschenen die erop wijst dat hij is gefolterd voordat hij buitengerechtelijk werd geëxecuteerd in een door de staat gesteunde moord waarbij de Saudische autoriteiten betrokken waren, onder wie functionarissen met nauwe banden met kroonprins Mohammad Bin Salman; overwegende dat het Saudische regime op 19 oktober eindelijk toegaf dat Khashoggi kort nadat hij de Saudische ambassade betrad, is vermoord, maar dat het regime beweert dat hij om het leven is gekomen in een vuistgevecht met Saudische functionarissen nadat er een gevecht was uitgebroken tussen Jamal Khashoggi en de mensen die hem in het consulaat ontvingen, en dat de woordenwisseling tot een gevecht heeft geleid, dat tot zijn dood heeft geleid;

C.   overwegende dat krachtens het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer "de gebouwen van de zending niet [mogen] worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met de functies van de zending als omschreven in dit Verdrag of door andere regelen van algemeen internationaal recht";

D.   overwegende dat het Saudische regime na de verdwijning van Khashoggi obstakels heeft opgeworpen om een snel, grondig, doeltreffend, onpartijdig en transparant onderzoek te belemmeren; overwegende dat de onderzoekers pas op 15 oktober 2018, nadat overeenstemming was bereikt met de Turkse autoriteiten, toestemming kregen om het Saudische consulaat van binnen te inspecteren, en op 17 oktober 2018 toegang werd verleend tot de residentie van de consul-generaal; overwegende dat de consul-generaal, Mohammad al-Otaibi, het land op 16 oktober 2018 heeft verlaten;

E.   overwegende dat kroonprins Mohammad Bin Salman de afgelopen maanden een grootscheepse campagne is gestart tegen mensenrechtenverdedigers, vrouwelijke activisten, advocaten, journalisten, wetenschappers en schrijvers, die aan intensiteit heeft gewonnen sinds hij is begonnen zijn macht over de veiligheidsinstanties van het land te consolideren; overwegende dat Saudische journalisten en mensenrechtenactivisten die zich in het buitenland hebben gevestigd de afgelopen maanden hebben gezwegen vanwege de bedreigingen aan hun families in Saudi-Arabië;

F.   overwegende dat de anti-terrorismewet van Saudi-Arabië van 2014 een uiterst brede definitie van terrorisme bevat, waardoor vreedzame uitingen strafbaar kunnen worden gesteld en personen tot negentig dagen lang kunnen worden vastgezet zonder toegang tot hun familieleden of rechtsbijstand, waardoor zij worden beroofd van juridische waarborgen tegen foltering;

G.   overwegende dat landen de plicht hebben alle maatregelen te nemen om foltering, gedwongen verdwijningen en andere ernstige mensenrechtenschendingen te voorkomen, beschuldigingen van dergelijke misdrijven te onderzoeken en degenen die verdacht worden van het plegen ervan te berechten;

H.   overwegende dat VN-Comité tegen Foltering zijn bezorgdheid heeft geuit over het vermoedelijke bestaan van geheime detentiecentra en de afwezigheid van een onafhankelijke instelling die regelmatig en onaangekondigd alle detentiecentra in Saudi-Arabië bezoekt;

I.   overwegende dat de VN-werkgroep inzake gedwongen verdwijningen haar ernstige bezorgdheid heeft uitgesproken over het feit dat er de afgelopen jaren steeds meer gebruik wordt gemaakt van gedwongen verdwijningen om buiten de bescherming van de wet bewijs te vergaren en onderzoeken af te ronden, en dat dit vaak gepaard gaat met dwang en foltering; overwegende dat de praktijk waarbij staten met of zonder instemming van het gastland personen buiten hun eigen grenzen ontvoeren, wordt gebruikt om afwijkende politieke standpunten te onderdrukken of zogenaamd om terrorisme te bestrijden;

J.   overwegende dat de mensenrechtensituatie in Saudi-Arabië nog steeds uiterst zorgwekkend is, met name wat betreft het gebrek aan democratische rechten, de discriminatie van vrouwen en het bestaan van lijfstraffen en de doodstraf;

K.   overwegende dat het verbod op foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing niet alleen deel uitmaakt van alle internationale en regionale mensenrechteninstrumenten, maar een regel van internationaal gewoonterecht vormt en derhalve bindend is voor alle staten, ongeacht of zij de relevante instrumenten hebben geratificeerd;

L.   overwegende dat in Saudi-Arabië de doodstraf nog steeds wordt toegepast voor een hele reeks misdrijven; overwegende dat het regime in 2017 officieel 146 doodvonnissen heeft voltrokken; overwegende dat er openbare executies plaatsvinden en dat de geëxecuteerde personen soms publiekelijk worden gekruisigd en tentoongesteld;

M.   overwegende dat Saudi-Arabië straffen voorschrijft voor een groot aantal misdrijven, zoals de doodstraf voor godslastering, moord, homoseksuele handelingen, diefstal of hoogverraad en de doodstraf door steniging voor overspel of amputatie voor roof;

N.   overwegende dat in Saudi-Arabië de rechten van vrouwen worden geschonden omdat vrouwen minderwaardig worden geacht aan mannen en vrouwen ondergeschikt zijn aan een man in hun familie zonder dat ze zelf kunnen beslissen om bijvoorbeeld de straat op te gaan of ergens naartoe te reizen; overwegende dat ondanks de aankondiging van zeer beperkte maatregelen om enkele rechten aan vrouwen te verlenen, het systeem van mannelijke voogdij nog steeds bestaat, waardoor vrouwen worden blootgesteld aan willekeurige detentie wanneer een voogd beweert dat zij ongehoorzaam zijn; overwegende dat Saudische vrouwen in het openbare leven en de openbare ruimte worden gediscrimineerd, en overwegende dat schadelijke praktijken zoals kindhuwelijken en gedwongen huwelijken, de bindende kledingvoorschriften voor vrouwen en polygamie nog steeds bestaan in het land;

O.   overwegende dat de behandeling van arbeidsmigranten zeer zorgwekkend is, met name de behandeling van werknemers in de bouw en huishoudhulpen, waar de arbeidsomstandigheden vergelijkbaar zijn met slavernij en waar kinderarbeid voorkomt; overwegende dat er nog steeds discriminerende bepalingen voor buitenlandse werknemers bestaan in het Saudische arbeidsrecht; overwegende dat ongeveer 500 000 Indonesische huishoudhulpen zonder papieren zich in Saudi-Arabië in een uiterst kwetsbare situatie bevinden;

P.   overwegende dat de door Saudi-Arabië geleide en door de Verenigde Staten, de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Koeweit, Jordanië, Marokko en Sudan gesteunde coalitie verantwoordelijk is voor de meeste doden onder Jemenitische burgers en verantwoordelijk is voor een dramatische humanitaire crisis in Jemen; overwegende dat deze coalitie ernstige schendingen van het humanitair recht heeft begaan, waaronder het bombarderen van ziekenhuizen en scholen, die hebben geleid tot vele duizenden doden onder de burgerbevolking, voornamelijk vrouwen en kinderen; overwegende dat de Verenigde Naties Saudi-Arabië hebben beschuldigd van het begaan van oorlogsmisdaden in Jemen;

Q.   overwegende dat, naast de sterke steun door de VS, Saudi-Arabië ook rekent op de steun van veel EU-lidstaten, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Spanje, die sterke politieke betrekkingen met Saudi-Arabië hebben, vooral op het vlak van veiligheid en defensie; overwegende dat de EU de grootste handelspartner van Saudi-Arabië is en goed is voor meer dan 16 % van de totale handel; overwegende dat een groot aantal EU-ondernemingen investeert in de Saoedische economie, met name in de nationale olie-industrie, en dat Saudi-Arabië een belangrijke uitvoermarkt is voor industriegoederen uit de EU op terreinen als defensie, vervoer en de automobiel-, de medische en de chemische uitvoer; overwegende dat Saudi-Arabië de tweede grootste wapenimporteur ter wereld is en ongeveer 60 % van de wapens die het land importeert, wordt geproduceerd in de EU;

R.   overwegende dat de Saudische koning Salman op 22 januari 2015 de troon besteeg van een erfelijke, feodale en absolutie monarchie zonder verkozen parlement; overwegende dat Saudi-Arabië een bevolking heeft van 28 miljoen, onder wie 9 miljoen buitenlanders; overwegende dat Saudi-Arabië wereldwijd een leidende rol speelt in de financiering, verspreiding en bevordering van een bijzonder strenge interpretatie van de islam, die tot inspiratie heeft gediend voor terroristische organisaties;

1.  veroordeelt met klem de buitengerechtelijke executie van Jamal Khashoggi door Saudische functionarissen in het Saudische consulaat te Istanbul; betuigt zijn medeleven met zijn verloofde, familieleden en vrienden; dringt aan op een snel, grondig, transparant, onafhankelijk en onpartijdig internationaal onderzoek naar de omstandigheden rond de dood van de heer Khashoggi;

2.  betreurt dat Saudi-Arabië het gebouw van een diplomatieke zending heeft gebruikt om een misdrijf te begaan, wat een schending vormt van zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer; herinnert eraan dat staten op grond van het internationaal recht verantwoordelijk zijn voor de daden die zijn begaan door hun agentschappen of functionarissen of tijdens de uitoefening van hun autoriteit; dringt aan op volledige verantwoordingsplicht van de Saudische staat; schaart zich achter het verzoek van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten om de immuniteit op te heffen van de Saudische functionarissen die mogelijk betrokken zijn;

3.  betreurt ten zeerste de tegenstrijdige en onoprechte lezingen over het lot van Jamal Khashoggi die de Saudische autoriteiten hebben verspreid; staat ervan versteld dat volgens de Europese media 15 Saudi's, onder wie Maher Abdulaziz Mutreb, een familielid van de kroonprins, op de ochtend van de moord op Jamal Khashoggi in Istanbul zijn aangekomen en dat de meesten van hen direct naar het consulaat zijn gegaan, waarna zij aan het eind van de middag weer zijn vertrokken; is ook verbaasd dat volgens dezelfde bronnen het personeel van het consulaat in de namiddag een halve dag vrij heeft gekregen; is van mening dat dit alles mogelijk een geheel van bewijzen vormt dat op zijn zachtst gezegd verontrustend is; verzoekt het regime daarom met klem om zijn volledige medewerking te verlenen aan een onafhankelijke internationale enquêtecommissie teneinde deze zaak op transparante wijze en met volledige duidelijkheid op te lossen, en verzoekt het regime met klem om de locatie van het stoffelijk overschot van Jamal Khashoggi bekend te maken;

4.  verzoekt de Saudische autoriteiten met klem het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning te ondertekenen en te ratificeren; herinnert de Saudische autoriteiten aan hun internationale verplichtingen volgens het internationaal recht, met name met betrekking tot het verbod op foltering, dat in het bijzonder is vastgelegd in het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat door Saudi-Arabië is ondertekend en geratificeerd;

5.  veroordeelt met klem de wijdverbreide mensenrechtenschendingen die het Koninkrijk Saudi-Arabië heeft begaan, en verzoekt de Saudische autoriteiten een einde te maken aan de huidige praktijk van het opleggen van lijfstraffen aan veroordeelden, waaronder geseling of zweepslagen en amputatie; verzoekt Saudi-Arabië met klem zijn nationale recht dichter te laten aansluiten op de internationale mensenrechtennormen;

6.  verzoekt de Saudische autoriteiten een einde te maken aan de onacceptabele straf van Raif Badawi en hem vrij te laten, samen met alle gewetensgevangenen, onder wie de verdedigers van de mensenrechten van vrouwen Loujain al-Hathloul, Iman al-Nafjan, Aziza al-Youssef, Samar Badawi, Nassima al-Sada, Nassima al-Sada en andere vrouwen die sinds het begin van de recente golf van arrestaties in mei willekeurig en zonder aanklacht zijn opgesloten;

7.  uit zijn ernstige bezorgdheid over het aanstaande proces voor de anti-terrorismerechtbank van Saudi-Arabië van vijf personen, onder wie de jonge vrouw Israa al Ghomgham en haar echtgenoot Moussa al-Hasshem, die enkel voor hun deelname aan protesten in de oostelijke provincie ter dood kunnen worden veroordeeld; veroordeelt dat ten minste vier Saudische staatsburgers zich in de dodencel bevinden voor misdrijven die zij hebben begaan toen zij nog geen 18 jaar oud waren;

8.  onderstreept gekant te zijn tegen de doodstraf in alle omstandigheden, ongeacht de aard van het misdrijf; herhaalt zijn oproep tot een universele afschaffing van de doodstraf en verzoekt om een onmiddellijk moratorium op de uitvoering van doodstraffen in Saudi-Arabië; veroordeelt dat de doodstraf nog steeds wordt opgelegd voor een breed scala aan wat in het land wordt gezien als misdrijven, waaronder homoseksualiteit, drugsmisdrijven, afvalligheid, tovenarij en hekserij;

9.  betreurt het dat Saudische vrouwen, ondanks de ratificatie door Saudi-Arabië van het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen in oktober 2004, in de praktijk nog steeds op verschillende wijzen worden gediscrimineerd, bijvoorbeeld in de persoonlijke levenssfeer, in arbeid en het openbare leven, hetgeen zich onder meer uit in een onderworpenheid aan de man, het wijdverspreid voorkomen van huiselijk geweld, de beperkte bewegingsvrijheid van vrouwen en het ontbreken van vrije keuze bij het kiezen van een echtgenoot; veroordeelt de criminalisering van vrouwen die het slachtoffer van verkrachting of seksuele uitbuiting zijn geworden, omdat zij niet worden beschermd als slachtoffers, maar worden vervolgd als prostituees;

10.  verzoekt de Saudische autoriteiten om de arbeidsomstandigheden en de behandeling van migrantenwerknemers te verbeteren en om daarbij bijzondere aandacht te schenken aan de situatie van vrouwen die als huishoudhulp werken, die een hoog risico lopen op seksueel geweld, en aan de uitbanning van kinderarbeid;

11.  veroordeelt het feit dat, ondanks de wijdverbreide mensenrechtenschendingen in Saudi-Arabië en ondanks de financiering van terroristische groeperingen door het land, Saudi-Arabië nog steeds de belangrijkste bondgenoot van de VS en de EU-lidstaten in de regio is; betreurt dat de EU met twee maten meet, wat te zien is aan de hypocriete voorkeursbehandeling die Saudi-Arabië krijgt vanwege de economische en geostrategische belangen en de afhankelijkheid van de EU van olie; vestigt de aandacht op de nauwe en algemeen bekende betrekkingen tussen sommige Europese regeringen en met name het Spaanse koningshuis en de al-Saud-dynastie, en vestigt ook de aandacht op hun gedeelde belangen;

12.  betreurt de hypocriete houding van de regering van de VS in deze zaak en haar voornemen om de wapentransactie tussen de VS en Saudi-Arabië doorgang te laten vinden; verzoekt de EU om een einde te maken aan de preferentiële betrekkingen met Saudi-Arabië en om elke handelsovereenkomst met dit land op te schorten zolang het wijdverbreide mensenrechtenschendingen blijft begaan;

13.  veroordeelt de interventie van Saudi-Arabië en zijn bondgenoten in Jemen en is zeer verontrust over de humanitaire crisis in het land, en in het bijzonder over de blokkade door de coalitietroepen waardoor doorgang van humanitaire hulpverlening wordt verhinderd;

14.  betreurt ten zeerste het destabiliserende effect van de wapenverkopen aan het Koninkrijk Saudi-Arabië door sommige EU-lidstaten zoals Spanje, het VK, Frankrijk, Duitsland en Zweden; verzoekt alle EU-lidstaten nogmaals om de verkoop van wapens en militaire uitrusting aan Saudi-Arabië te stoppen, gezien de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht die het land in Jemen heeft begaan; verzoekt de lidstaten van de EU om het Wapenhandelsverdrag van 2 april 2013 en het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van de Europese Unie van 8 december 2008 te eerbiedigingen;

15.  herinnert de leiders van Saudi-Arabië aan hun verbintenis om "zich te houden aan de hoogste normen met betrekking tot de bevordering en bescherming van de mensenrechten" gedaan in het kader van hun ingewilligde verzoek, uit 2013, om lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad; betreurt ten zeerste dat sommige lidstaten van de EU voor dit lidmaatschap en voor het lidmaatschap van Saudi-Arabië van de VN-commissie voor de status van vrouwen hebben gestemd, hoewel het land voortdurend de mensenrechten en de rechten van vrouwen in het bijzonder schendt; verzoekt de EU-lidstaten met klem om zich binnen het kader van de VN in te zetten voor de beëindiging van het lidmaatschap van Saudi-Arabië van de VN-Mensenrechtenraad;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, het Arabisch Comité voor de rechten van de mens en de koning en de regering van het Koninkrijk Saudi-Arabië.

(1)

PB C 378 van 9.11.2017, blz. 64.

(2)

PB C 310 van 25.8.2016, blz. 29.

(3)

PB C 349 van 17.10.2017, blz. 34.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0232.

(5)

PB C 35 van 31.1.2018, blz. 142.

(6)

PB C 356 van 4.10.2018, blz. 104.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0383.

(8)

PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

Laatst bijgewerkt op: 24 oktober 2018Juridische mededeling