Procedure : 2018/2891(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0506/2018

Ingediende teksten :

B8-0506/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.20
CRE 25/10/2018 - 13.20

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0436

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 281kWORD 57k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0351/2018
22.10.2018
PE624.202v01-00
 
B8-0506/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Venezuela (2018/2891(RSP))


Dita Charanzová, Beatriz Becerra Basterrechea, Javier Nart, Petras Auštrevičius, Izaskun Bilbao Barandica, Martina Dlabajová, María Teresa Giménez Barbat, Marian Harkin, Nadja Hirsch, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Patricia Lalonde, Louis Michel, Urmas Paet, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Frédérique Ries, Robert Rochefort, Marietje Schaake, Jasenko Selimovic, Pavel Telička, Ivo Vajgl, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Venezuela (2018/2891(RSP))  
B8‑0506/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, met name die van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela(1), van 18 december 2014 over de vervolging van de democratische oppositie in Venezuela(2), van 12 maart 2015 over de situatie in Venezuela(3), van 8 juni 2016 over de situatie in Venezuela(4), van 27 april 2017 over de situatie in Venezuela(5), van 8 februari 2018 over de situatie in Venezuela(6), van 3 mei 2018 over de verkiezingen in Venezuela(7) en van 5 juli 2018 over de migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan zijn grenzen met Colombia en Brazilië(8),

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ICC),

–  gezien de verklaring van 8 februari 2018 van de openbare aanklager van het ICC, Fatou Bensouda, over het instellen van een vooronderzoek naar de situatie op de Filippijnen en in Venezuela, en van 27 september 2018 over de verwijzing door een groep van zes landen die partij zijn bij het ICC over de situatie in Venezuela,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 oktober 2018,

–  gezien de Verklaring van Quito over de menselijke mobiliteit van Venezolaanse burgers in de regio van 4 september 2018,

–  gezien de benoeming op 19 september 2018 van Eduardo Stein als gezamenlijke speciaal vertegenwoordiger van de IOM en de UNHCR voor Venezolaanse vluchtelingen en migranten in de regio,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van 28 april 2017 van de speciale VN-rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, de speciale VN‑rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, de speciale VN-rapporteur voor de situatie van mensenrechtenactivisten, en de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie,

–  gezien de verklaring van de leiders van de G7 van 23 mei 2018,

–  gezien de verklaringen van de Groep van Lima van 23 januari 2018, 14 februari 2018, 21 mei 2018, 2 juni 2018 en 15 juni 2018,

–  gezien de verklaring van 20 april 2018 van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) over de verslechterende humanitaire situatie in Venezuela,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 9 oktober 2018 over de dood van gemeenteraadslid Fernando Albán in Venezuela,

–  gezien de verklaring van zijn Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten van 10 oktober 2018 over de dood van Fernando Albán,

–  gezien het verslag van zijn werkbezoek over de migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en de grenzen van het land met Colombia en Brazilië,

–  gezien zijn besluit om de Sacharovprijs in 2017 toe te kennen aan de democratische oppositie en politieke gevangenen in Venezuela,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de situatie van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in Venezuela ernstig blijft verslechteren; overwegende dat Venezuela als gevolg van een politieke crisis nu ook met een ongekende sociale, economische en humanitaire crisis kampt die al een groot aantal mensenlevens heeft geëist en tot grofweg 2,3 miljoen migranten en vluchtelingen heeft geleid;

B.  overwegende dat 87 % van de Venezolaanse bevolking in armoede leeft, en 61,2 % zelfs in diepe armoede; overwegende dat de moedersterfte en kindersterfte met 60 % resp. 30 % zijn toegenomen; overwegende dat 89 % van de Venezolanen gemeld heeft geen geld te hebben om voldoende voedsel te kopen voor het gezin;

C.  overwegende dat wanbeheer en ongeregelde, partijgebonden economische beslissingen in Venezuela hebben geleid tot het vijfde jaar van economische recessie in het land en dat het reële bbp van het land in 2018 naar verwachting zal dalen met 18 %, na een daling met 14 % in 2017; overwegende dat Venezuela momenteel het enige land ter wereld is met hyperinflatie, met een verwachte inflatie die volgens het Internationaal Monetair Fonds dit jaar 1,4 miljoen procent bedraagt, en in 2019 10 miljoen procent; overwegende dat de prijzen gestegen zijn met 65 000 % in een jaar;

D.  overwegende dat de Venezolaanse regering geen ernstige poging heeft ondernomen om de alarmerende en wijdverbreide humanitaire crisis aan te pakken en zo de verantwoordelijkheid heeft verwaarloosd die zij jegens haar eigen burgers heeft om de bevolking te beschermen en te voorzien in haar onderhoud; overwegende dat de Venezolaanse regering ondanks de bereidheid van de internationale gemeenschap helaas volhardt in haar weigering om de verstrekking van internationale humanitaire hulp aan haar bevolking, die daar grote behoefte aan heeft, openlijk te accepteren en de verspreiding ervan te faciliteren;

E.  overwegende dat een Venezolaans lid van de oppositie, Fernando Albán, op 8 oktober 2018 naar verluidt was gemarteld en vermoord in het gebouw van de Bolivariaanse nationale inlichtingendienst (SEBIN), de politieke politie van Venezuela; overwegende dat de autoriteiten, ondanks oproepen van de VN en de EU, geweigerd hebben een onafhankelijk onderzoek naar de oorzaak van zijn overlijden toe te staan, met inbegrip van een internationale autopsie door een onafhankelijk forensisch team; overwegende dat de heer Albán werd vastgehouden in het gebouw van de SEBIN; overwegende dat de Venezolaanse autoriteiten dan ook moeten weten waar zijn stoffelijk overschot zich bevindt;

F.  overwegende dat Lorent Saleh, laureaat van de Sacharovprijs 2017, op 13 oktober 2018 werd vrijgelaten, rechtstreeks naar het vliegveld werd gereden en onmiddellijk naar Spanje werd verbannen; overwegende dat hij vier jaar in de gevangenis had gezeten, waar hij vreselijke martelingen moest ondergaan en werd vastgehouden zonder proces of preliminaire rechtszitting, die had moeten plaatshebben binnen 45 dagen na de aanhangigmaking van zijn zaak bij de rechtbank, maar die minstens 53 keer werd uitgesteld; overwegende dat zijn getuigenis, samen met die van duizenden andere slachtoffers, inclusief getuigenissen die zijn voorgelegd in het kader van zaken die aanhangig zijn gemaakt bij het ICC, de wrede en onmenselijke behandeling van politieke gevangenen in Venezuela en de systematische repressie door de Venezolaanse autoriteiten bevestigt;

G.  overwegende dat momenteel in Venezuela meer dan driehonderd politieke gevangen opgesloten zitten; overwegende dat Juan Requesens, lid van de nationale vergadering, willekeurig is gearresteerd en gefolterd en dat hij wordt vastgehouden in eenzame opsluiting, met continue en onrechtmatige schending van zijn politieke immuniteit;

H.  overwegende dat Julio Borgers, voormalig voorzitter van de nationale vergadering en laureaat 2017 van de Sacharovprijs, ten onrechte wordt beschuldigd van het beramen van een moordaanslag op de president van Venezuela, Nicolás Maduro; overwegende dat de Venezolaanse autoriteiten via Interpol een internationaal arrestatiebevel tegen hem hebben uitgevaardigd;

I.  overwegende dat er een klimaat van wijdverbreid geweld en totale straffeloosheid heerst in Venezuela, vooral door het feit dat de autoriteiten daders van ernstige mensenrechtenschendingen, zoals moord, het gebruik van buitensporig geweld tegen demonstranten, willekeurige gevangenneming, marteling en andere vormen van onterende of onmenselijke behandeling, maar ook crimineel geweld, niet ter verantwoording roepen;

J.  overwegende dat de onzekere situatie van Venezolaanse migranten en vluchtelingen extra kosten met zich meebrengt voor de ontvangende landen, hetgeen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied een ongeziene crisis heeft veroorzaakt;

K.  overwegende dat de openbaar aanklager van het ICC op 8 februari 2018 een vooronderzoek heeft ingesteld naar de situatie in Venezuela, waarbij hij steunt op verzoeken die hij heeft ontvangen van ngo's en van individuen; overwegende dat een groep van zes staten die partij zijn bij het ICC (Argentinië, Canada, Colombia, Chili, Paraguay en Peru), de openbaar aanklager op 27 september 2018 heeft verzocht een onderzoek in te stellen naar de misdaden tegen de menselijkheid die zich op het grondgebied van Venezuela hebben voorgedaan, op basis van het rapport van de secretaris-generaal van de OAS en het rapport van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten; overwegende dat Frankrijk en Costa Rica zich vervolgens bij dit verzoek hebben aangesloten; overwegende dat dit de eerste verwijzing was die werd ingediend door een groep van landen die partij zijn bij het ICC over een situatie op het grondgebied van een ander land dat partij is bij het ICC; overwegende dat het Europees Parlement dit verzoek tweemaal heeft geformuleerd, in zijn resolutie van 8 februari 2018 over de situatie in Venezuela en zijn resolutie van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met Latijns-Amerika; overwegende dat er geen duurzame vreedzame oplossing of verzoening kan komen zonder justitie;

L.  overwegende dat op de wereldtop van de Verenigde Naties in september 2005 alle lidstaten officieel de verantwoordelijkheid van elke staat hebben aanvaard om zijn bevolking te beschermen tegen misdaden tegen de menselijkheid; overwegende dat de lidstaten zijn overeengekomen dat, wanneer een staat deze verantwoordelijkheid niet nakomt, de internationale gemeenschap verplicht is bij te dragen tot de bescherming van de bevolking die door deze misdrijven wordt bedreigd;

M.  overwegende dat de Raad op 13 november 2017 heeft besloten Venezuela een wapenembargo op te leggen, alsook een embargo op aanverwant materiaal dat voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt; overwegende dat de Raad op 22 januari 2018 heeft besloten zeven Venezolaanse overheidsambtenaren sancties in de vorm van beperkende maatregelen op te leggen, zoals een reisverbod en bevriezing van tegoeden, wegens niet-naleving van democratische beginselen; overwegende dat de sancties op 25 juni 2018 werden uitgebreid naar nog elf Venezolaanse ambtenaren; overwegende dat de rekeningen van deze personen bevroren zijn, maar dat die van hun echtgenoten en andere naaste familieleden toegankelijk blijven;

N.  overwegende dat de EU en andere democratische instellingen de presidentsverkiezingen, de verkiezingen voor de Constituerende Nationale Vergadering en de autoriteiten die werden geïnstalleerd met deze onrechtmatige processen niet heeft erkend;

O.  overwegende dat in de conclusies van de vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 oktober 2018 verwezen werd naar een politieke oplossing voor de huidige crisis door de mogelijkheid te onderzoeken om een contactgroep op te richten die een politiek proces vooruit kan helpen;

P.  overwegende dat twee pogingen van het Vaticaan en internationale bemiddelaars om een nationale dialoog op gang te brengen tussen de regering en de oppositie om een uitweg uit de crisis te vinden, mislukt zijn vanwege de weinig serieuze houding van de Venezolaanse autoriteiten, die tijdens de hele duur van de besprekingen geen toegevingen deden, maar alleen tijd probeerden te rekken en uit waren op internationale erkenning;

1.  betuigt zijn oprechte medeleven met de familieleden en vrienden van Fernando Albán; veroordeelt in dit verband de misdaden die zijn gepleegd door de Venezolaanse autoriteiten en eist dat er onmiddellijk een onafhankelijk onderzoek naar de regering wordt ingesteld, met inbegrip van een internationale autopsie die wordt uitgevoerd door een onafhankelijk forensisch team;

2.  wijst erop dat twee eerdere pogingen om tot een politieke oplossing te komen voor de crisis in Venezuela, met bemiddeling van het Vaticaan en via een nationale politieke dialoog die plaatsvond in de Dominicaanse Republiek, duidelijk zijn mislukt; wijst er in dit verband op dat internationale bemiddeling of een faciliterende contactgroep onpartijdig moet zijn en moet worden aanvaard door beide partijen;

3.  verzoekt de EU, in concreto de Raad en de VV/HV, erop toe te zien dat verdere stappen op weg naar een politieke oplossing de volgende onherroepelijke eisen moeten omvatten: de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen en het einde van alle repressie, foltering, mishandeling en intimidatie van politieke tegenstanders, mensenrechtenactivisten en vreedzame betogers; de instelling van een nieuwe onafhankelijke nationale kiesraad die wordt gekozen door de Nationale Vergadering; het houden van vrije en eerlijke verkiezingen in overeenstemming met internationale normen voor een geloofwaardig proces waarin politiek pluralisme wordt gerespecteerd, met de aanwezigheid van internationale democratische waarnemers; erkenning van de macht van de rechtmatige Nationale Vergadering; en de ontbinding van de Constituerende Nationale Vergadering;

4.  herhaalt zijn volledige steun voor de opening van een onderzoek door het ICC naar de wijdverbreide misdaden waarnaar het ICC momenteel een vooronderzoek voert, die door het Venezolaanse regime zijn gepleegd in het kader van stelselmatige repressie door de staat ten nadele van zijn eigen burgers; dringt er bij de EU in haar geheel en bij de EU-lidstaten op aan zich aan te sluiten bij het verzoek van de regeringen van Argentinië, Canada, Chili, Colombia, Paraguay, Peru, Frankrijk en Costa Rica om de Venezolaanse regering aan te klagen bij het ICC, zodat dit een onderzoek kan instellen naar de misdaden tegen de menselijkheid die zijn gepleegd door ambtenaren van het Venezolaanse regime en de verantwoordelijken voor deze misdrijven kan aanwijzen;

5.  herhaalt het verzoek van juni 2018 van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten (OHCHR) aan de lidstaten van de Mensenrechtenraad om een internationale onderzoekscommissie in te stellen om schendingen van de mensenrechten in de Bolivariaanse Republiek Venezuela te onderzoeken en de betrokkenheid van het ICC bij het onderzoek te vergroten;

6.  herinnert de Venezolaanse regering aan haar verantwoordelijkheid om de eigen bevolking te beschermen, onder meer tegen misdaden tegen de menselijkheid; herinnert de EU en de internationale gemeenschap, door middel van de VN, voorts aan het principe van de "verantwoordelijkheid tot bescherming", op grond waarvan de Venezolaanse bevolking beschermd moet worden tegen misdaden tegen de menselijkheid die worden begaan door de staat; herinnert eraan dat dit een collectieve verplichting is die door de lidstaten van de VN is overeengekomen om een humanitaire ramp met grotere gevolgen te voorkomen; verzoekt de internationale gemeenschap op gecoördineerde wijze en in het kader van de VN alle diplomatieke, humanitaire en vreedzame opties te evalueren, teneinde het principe van de "verantwoordelijkheid tot bescherming" toe te passen;

7.  toont zich verheugd dat de EU aanvullende gerichte sancties heeft opgelegd, die kunnen worden teruggedraaid maar hoe dan ook de Venezolaanse bevolking niet zullen treffen, vanwege het houden van onrechtmatige en niet door de internationale gemeenschap erkende verkiezingen op 20 mei 2018; benadrukt dat onmiddellijk een uitbreiding moet worden onderzocht van de sanctielijst naar andere functionarissen van de Venezolaanse autoriteiten en hun familieleden; verzoekt de Raad de oplegging te overwegen van sancties aan Venezolaanse oliemaatschappijen, inclusief wat de transacties betreft met het overheidsbedrijf PDVSA;

8.  herhaalt zijn steun voor de werkzaamheden van de secretaris-generaal van de OAS, Luis Almagro, ten gunste van de democratie en de mensenrechten in Venezuela, alsmede voor de inspanningen van de Groep van Lima om een democratische oplossing te vinden voor de huidige politieke en humanitaire crisis;

9.  prijst Brazilië, Colombia, Peru, Ecuador en andere landen in de regio, regionale en internationale organisaties, particuliere en publieke entiteiten, de katholieke kerk en gewone burgers in de hele regio voor hun hulp aan en solidariteit met de Venezolaanse vluchtelingen en migranten; herinnert de EU-instellingen en de lidstaten aan hun plicht om laureaten van de Sacharovprijs te beschermen en hun rol als belangrijke actoren in de huidige context te erkennen, die legitiem is door hun democratische inzet en de waarden waarvoor zij de prijs hebben ontvangen;

10.  verzoekt de lidstaten onmiddellijk actie te ondernemen om Venezolaanse migranten die zich op hun grondgebied bevinden te beschermen, onder meer aan de hand van humanitaire visa, speciale verblijfsregelingen of andere regionale migratiekaders en door de nodige beschermingswaarborgen te bieden; roept de Venezolaanse autoriteiten er evenwel eens te meer toe op de afgifte en verlenging van identiteitsdocumenten aan de onderdanen van het land, in en buiten Venezuela, te faciliteren en te versnellen;

11.  wijst op de zeer zorgwekkende bevindingen van zijn werkbezoek in juni 2018 aan de grenzen van Venezuela met Colombia en Brazilië; herhaalt zijn oproep aan de Venezolaanse autoriteiten om met spoed en ongehinderd humanitaire hulp toe te laten om de verergering van de humanitaire en de volksgezondheidscrisis te voorkomen;

12.  is ten zeerste ingenomen met de recente benoeming, op 19 september 2018, van Eduardo Stein als gezamenlijke speciaal vertegenwoordiger van de IOM en de UNHCR voor Venezolaanse vluchtelingen en migranten in de regio en wijst erop dat de benoeming een erkenning inhoudt van de regionale en mondiale dimensie van de migratiecrisis; verzoekt de Raad en vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger meer middelen in te zetten en meer hulp te verlenen in samenwerking met de gemeenschappelijke speciaal vertegenwoordiger;

13.  wijst erop dat Interpol de internationale politieorganisatie is die zich voornamelijk bezighoudt met de bestrijding van internationale misdaad; verzoekt Interpol geen gehoor te geven aan de verzoeken van de Venezolaanse regering, die gericht zijn tegen de heer Borges, mevrouw Ortega Diaz en de heer Mundaray Rodriguez, aangezien de beschuldigingen volledig ongegrond zijn en geheel en al politiek gemotiveerd;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de regering en het parlement van de Republiek Colombia, van de Republiek Brazilië, van de Republiek Peru en van de Republiek Ecuador, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten en de Groep van Lima.

 

(1)

PB C 285 van 29.8.2017, blz. 145.

(2)

PB C 294 van 12.8.2016, blz. 21.

(3)

PB C 316 van 30.8.2016, blz. 190.

(4)

PB C 86 van 6.3.2018, blz. 101.

(5)

PB C 298 van 23.8.2018, blz. 137.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0041.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0199.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0313.

Laatst bijgewerkt op: 24 oktober 2018Juridische mededeling