Procedure : 2018/2900(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0552/2018

Ingediende teksten :

B8-0552/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 29/11/2018 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0475

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 211kWORD 60k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0551/2018
27.11.2018
PE631.545v01-00
 
B8-0552/2018

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over het cum-ex-schandaal financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader (2018/2900(RSP))


Pervenche Berès, Peter Simon, Jeppe Kofod namens de S&D-Fractie
Miguel Urbán Crespo, Dimitrios Papadimoulis namens de GUE/NGL-Fractie
Sven Giegold namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader (2018/2900(RSP))  
B8‑0552/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de kapitaalmarktenunie, waarvan een van de voornaamste doelstellingen erin bestaat "de integriteit, transparantie, efficiëntie en ordelijke werking van de financiële markten" te waarborgen,

–  gezien artikel 1, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten)(1) (de "ESMA-verordening"), die de ESMA ertoe verplicht bij te dragen aan de integriteit, transparantie, efficiëntie en ordelijke werking van de financiële markten,

–  gezien artikel 9 van de ESMA-verordening, dat de ESMA een leidende rol geeft bij het bevorderen van transparantie en billijkheid op de financiële markten, alsook om toezicht uit te oefenen op financiële activiteiten, aanbevelingen te doen en waarschuwingen te geven, en deze activiteiten tijdelijk te verbieden of te beperken als zij een bedreiging vormen voor de in artikel 1 genoemde doelstellingen,

–  gezien artikel 22, lid 4, van de ESMA-verordening, en artikel 22, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1093/2010(2) van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese Bankautoriteit (EBA), die erin voorzien dat de ESMA op verzoek van het Parlement "een onderzoek kan verrichten naar een bijzondere soort financiële activiteit, product of gedraging teneinde mogelijke bedreigingen van de integriteit van de financiële markten of van de stabiliteit van het financieel stelsel te beoordelen en de betrokken bevoegde autoriteiten passende aanbevelingen voor maatregelen te doen".

–  gezien artikel 31 van de ESMA-verordening, waarin is bepaald dat de ESMA "een algemene coördinerende rol vervult tussen bevoegde autoriteiten, met name in omstandigheden waar ongunstige ontwikkelingen de ordelijke werking en de integriteit van de financiële markten of de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie in gevaar kunnen brengen",

–  gezien artikel 40 van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten(3), dat de ESMA interventiebevoegdheden verleent om het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van bepaalde financiële instrumenten, bepaalde soorten financiële activiteiten of praktijken tijdelijk te verbieden of te beperken, wanneer a) de voorgestelde maatregel tot doel heeft een significante bedreiging van het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of grondstoffenmarkten of van de stabiliteit van het financiële stelsel in de Unie of een deel daarvan aan te pakken, b) de vereisten op grond van het Unierecht die van toepassing zijn op het betreffende financiële instrument of de betreffende activiteit de bedreiging niet afwenden, en c) een bevoegde autoriteit of bevoegde autoriteiten geen maatregelen heeft of hebben genomen om de bedreiging af te wenden of de maatregelen die zijn genomen de bedreiging niet adequaat afwenden,

–  gezien de onthullingen van 18 oktober 2018 door een consortium van onderzoeksjournalisten onder leiding van de Duitse non-profitmediaorganisatie CORRECTIV over cum-expraktijken,

–  gezien de vierde onderzoekscommissie met betrekking tot het schandaal van de Duitse Bondsdag, die in juni 2017 met een verslag(4) kwam,

–  gezien de onderzoeken van de Duitse en Deense belastingautoriteiten,

–  gezien zijn resoluties van 25 november 2015(5) en 6 juli 2016(6) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(7),

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(8),

–  gezien zijn besluit van 1 maart 2018(9) over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3),

–  gezien zijn debat in de plenaire vergadering van 23 oktober 2018 over het cum-ex-schandaal,

–  gezien de gezamenlijke vergadering van de Commissie ECON en de Commissie TAX3 op 26 november 2018,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat "cum-ex"-constructies erin bestaan dat banken en effectenmakelaars snel aandelen met ("cum") en zonder ("ex") dividendrechten verhandelen, met als doel de identiteit van de werkelijke eigenaar te kunnen verhullen; overwegende dat deze constructies beide partijen in staat stelden een korting te vragen op vermogenswinstbelasting die slechts eenmaal was betaald;

B.  overwegende dat, hoewel het lastig is om de maximale schade te berekenen omdat veel praktijken al aan het einde van de jaren negentig zijn begonnen en al enige tijd verjaard zijn, de totale schade van het cum-ex-schandaal voor de betrokken lidstaten wordt geschat op ten minste 55 miljard EUR, wat neerkomt op circa een derde van de totale EU-begroting voor 2017;

C.  overwegende dat deze constructies naar verluidt zijn bedacht door de Duitse advocaat Hanno Berger, die ontkent dat de cum-ex-transacties waaraan hij werkte, illegaal waren; overwegende dat de heer Berger voor een rechtbank in Wiesbaden is aangeklaagd wegens het ontvangen van ongeoorloofde terugbetalingen voor transacties die volgens de aanklacht een waarde van 15,8 miljard EUR (18 miljard USD) hadden, waardoor de belastingautoriteiten 106 miljoen EUR zouden hebben misgelopen; overwegende dat het openbaar ministerie in Duitsland naar verluidt onderzoekt welke rol tientallen banken, makelaarsbedrijven, accountantsbedrijven en advocatenkantoren bij de constructies hebben gespeeld;

D.  overwegende dat de cum-ex-dossiers hebben aangetoond dat er in Europa sprake is van professionele georganiseerde financiële criminaliteit op ongekende schaal, waarbij de betrokkenen naar verluidt gebruik maken van grensoverschrijdende fiscale achterpoortjes en legale handelspraktijken die aandeelhouders in staat stellen dubbel eigenaarschap te claimen van dezelfde aandelen;

E.  overwegende dat bij deze criminele activiteiten volgens de berichtgeving financiële instellingen uit Duitsland en andere EU-lidstaten zijn betrokken, inclusief enkele bekende grote commerciële banken;

F.  overwegende dat in 2016 werd onthuld dat de Deense belastingautoriteit niet had opgetreden na talrijke waarschuwingen dat buitenlandse bedrijven misbruik maakten van Deense belastingregels en documenten vervalsten om op frauduleuze wijze restitutie van dividendbelasting aan te vragen, een fraude die de Deense belastingautoriteit naar schatting meer dan 1,5 miljard EUR heeft gekost(10);

G.  overwegende dat de Duitse regering naar verluidt reeds enkele jaren op de hoogte was van deze frauduleuze belastingpraktijken maar de overige lidstaten er pas in 2015 over informeerde; overwegende dat het Duitse Ministerie van Financiën naar verluidt heeft verklaard op de hoogte te zijn van 418 verschillende gevallen van cum-ex-fraude voor een totale waarde van 5,7 miljard EUR;

H.  overwegende dat in het eindverslag van de vierde onderzoekscommissie van de Duitse bondsdag alsook door de Duitse rechtbanken wordt geconcludeerd dat belastingpraktijken zoals de cum-ex-deals met short sales illegaal zijn en dat de vereniging van Duitse banken het probleem heeft verergerd in plaats van dat zij heeft geholpen een oplossing te vinden;

I.  overwegende dat, zoals in deze en andere zaken is aangetoond, de invloed van de zakenlobby diepgeworteld is in nationale en Europese instellingen, gezien de berichten dat adviesgroepen die de Europese Centrale Bank adviseren gedomineerd worden door vertegenwoordigers van de bankensector(11), terwijl de grootste accountantsbedrijven betrokken zijn bij de EU-beleidsvorming(12);

J.  overwegende dat het onderzoek van het consortium van Europese journalisten Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië en Frankrijk als vermeende belangrijkste doelmarkten voor cum-ex-handelspraktijken aanwijst, gevolgd door Noorwegen, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië, en overwegende dat een onbekend aantal EU-lidstaten mogelijk bij deze praktijken betrokken is, evenals landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (zoals Zwitserland);

K.  overwegende dat overheidsinstanties niet in staat of niet bereid waren om een diepgravend onderzoek uit te voeren naar aanleiding van de informatie van openbaar aanklagers uit andere lidstaten met betrekking tot het cum-ex-schandaal;

L.  overwegende dat de dividend-arbitrage die aan het licht is gekomen door het cum-ex-schandaal erop neerkomt dat financiële instellingen, hedgefunds, equity traders, advocaten en grote internationale belastingkantoren - die in sommige gevallen belangrijke spelers op de Europese kapitaalmarkt zijn - actief aan deze praktijken hebben meegewerkt;

M.  overwegende dat de special purpose vehicles (SPV’s) een centrale rol in het schandaal spelen, omdat investeringsbankiers en hedgefondsen de SPV’s in elkaar zetten en handelaren ze vervolgens doorverkochten aan beleggers, aan wie banken weer leningen verstrekten, waardoor het handelsvolume tot wel twintig keer werd vermenigvuldigd;

N.  overwegende dat het feit dat buitenlandse beleggers mogen verzoeken om restitutie van de ingehouden bronbelasting op dividend een belangrijke rol speelt in het schandaal;

O.  overwegende dat de Commissie in december 2017 nieuwe richtsnoeren heeft gepresenteerd voor de inhouding van bronbelasting om de procedures voor grensoverschrijdend beleggen in de EU te vereenvoudigen, waarbij de lidstaten werden aangemoedigd vrijstellingsregelingen voor bronbelasting in te voeren; overwegende dat deze nieuwe gedragscode inzake bronbelasting(13), waarin het risico op fraude nauwelijks wordt vermeld en waarin wordt gesuggereerd dat dit kan worden opgelost met IT-systemen of vrijstellingsregelingen, nationale processen voor de goedkeuring van de terugvordering van ingehouden bronbelasting versnelt;

P.  overwegende dat de Commissie erop wijst dat de nieuwe gedragscode voor bronbelasting het risico op frauduleus gedrag, zoals dubbele terugvorderingsaanvragen en ongerechtvaardigde verzoeken tot terugvordering of aanvragen voor belastingvermindering, zou elimineren; overwegende dat het er in de context van het cum-ex-schandaal evenwel op lijkt dat belastingvrijstelling het risico op dubbele-niet-heffing of nulheffing alleen maar zal vergroten;

Q.  overwegende dat het gebruik van bronbelasting een fundamenteel instrument is dat lidstaten kunnen gebruiken om de uitholling van hun belastinggrondslag en het verschuiven van gemaakte winsten eenzijdig tegen te gaan, en dienovereenkomstig door de hen moet worden gebruikt;

R.  overwegende dat klokkenluiders de afgelopen 25 jaar een aanzienlijke rol hebben gespeeld bij het aan het licht brengen van gevoelige informatie die essentieel is voor het algemeen belang;

S.  overwegende dat het mandaat van de Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3) uitdrukkelijk betrekking heeft op relevante ontwikkelingen die zich tijdens haar mandaatsperiode voordoen;

1.  spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de belastingfraude, de diefstal van het geld van de Europese belastingbetaler en de belastingontwijkingspraktijken die kenmerkend zijn voor de in het cum-ex-schandaal onthulde praktijken van handel in dividendarbitrage, die de belastinggrondslag van meerdere lidstaten hebben ondermijnd waardoor burgers hoogst noodzakelijke publieke goederen en sociale voorzieningen werd onthouden;

2.  wijst erop dat volgens de antiwitwasrichtlijn van de EU(14) "fiscale misdrijven" met betrekking tot directe en indirecte belastingen onder de brede definitie van "criminele activiteiten" vallen en worden beschouwd als basisdelicten voor het witwassen van geld;

3.  wijst erop dat het cum-ex-schandaal het vertrouwen van burgers in de belastingstelsels van de EU en de lidstaten heeft geschaad en benadrukt hoe essentieel het is om het publieke vertrouwen te herstellen en ervoor te zorgen dat de aangerichte schade niet nogmaals wordt berokkend;

Europese toezichthoudende autoriteiten

4.  dringt er bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Bankautoriteit (EBA) op aan om overeenkomstig artikel 22 van de ESMA-verordening en de EBA-verordening een onderzoek in te stellen naar het gebruik van complexe financiële regelingen voor agressieve belastingontwijking en -ontduiking, met inbegrip van alle vormen van dividendarbitrage, teneinde de potentiële bedreiging ervan voor de integriteit van de financiële markten en de stabiliteit van het financiële stelsel te beoordelen;

5.  beveelt aan dat in dit onderzoek wordt vastgesteld waar de coördinatie en het toezicht door de financiële toezichthouders en de beurs- en belastingautoriteiten in de lidstaten tekort is geschoten, waardoor deze regelingen waarmee belastinggeld werd gestolen jaren konden worden voortgezet, ondanks het feit dat ze al jaren geleden zijn geïdentificeerd;

6.  pleit ervoor dat in dit onderzoek een analyse, meting, details en benoeming van de rol van de verschillende marktspelers - banken, beleggingsmaatschappijen, vermogensbeheerders, verzekeraars, hedgers, depositarissen en bewaarders - en hun aandeel in de door deze transacties gegenereerde waardeketen, worden opgenomen;

7.  beveelt aan dat in het onderzoek de juridische aard van de hiervoor gebruikte middelen wordt vastgesteld, waarbij de oorsprong en de uiteindelijke eigenaren worden getraceerd, en dat de vergunningen van marktdeelnemers die zijn betrokken bij frauduleuze transacties worden herzien;

8.  stelt voor dat in dit onderzoek aanbevelingen voor maatregelen voor de bevoegde autoriteiten worden opgenomen en dat de resultaten en conclusies ervan openbaar worden gemaakt;

9.  verzoekt de Raad met klem artikel 18 van de ESMA-verordening en de EBA-verordening in werking te stellen om een snelle en gecoördineerde Europese respons te waarborgen, met de toezegging van de ESMA en de EBA om in te grijpen op grond van een aanhoudende bedreiging van de integriteit van het Europese financiële stelsel, gezien het uitgesproken grensoverschrijdende karakter van deze regelingen;

10.  dringt aan op een gecoördineerd pan-Europees onderzoek naar het schandaal, waarbij alle belastingdiensten, rechtshandhavings- en vervolgingsautoriteiten van de betrokken lidstaten informatie uitwisselen en zo nodig gezamenlijke onderzoeken verrichten;

11.  verlangt dat nationale en Europese toezichthoudende autoriteiten een mandaat krijgen om belastingontwijkingspraktijken onder de loep te nemen, aangezien deze praktijken een risico voor de financiële stabiliteit en de integriteit van de interne markt vormen;

Onderzoek en sancties

12.  verzoekt de lidstaten die als vermeende belangrijke doelmarkten voor de handel in dividendarbitrage zijn genoemd, met name Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië, Frankrijk, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk, Noorwegen en Tsjechië, onderzoek te blijven verrichten naar potentiële fraude en andere praktijken van financiële instellingen, juristen, accountants en belastingadviseurs in hun rechtsgebied;

13.  dringt er bij alle lidstaten op aan de praktijken rond dividendbetalingen in hun rechtsgebied grondig te onderzoeken en te analyseren, de mazen in hun belastingwetgeving te identificeren die mogelijkheden creëren voor misbruik door belastingfraudeurs en belastingontwijkers, alle mogelijke grensoverschrijdende aspecten van deze praktijken te analyseren en een einde te maken aan alle schadelijke belastingpraktijken;

14.  moedigt de nationale rekenkamers aan onderzoeken in te stellen naar de kapitaalwinsten die zijn geboekt met de procedures voor restitutie van belasting op dividend en aandelentransacties, om in kaart te brengen welke schade mogelijk is aangericht door het cum-ex-schandaal en welke mazen er in de nationale wetgeving zitten;

15.  spoort de bevoegde autoriteiten aan om vervolging in te stellen, verdachte activa tijdelijk te bevriezen, onderzoek te verrichten naar raden van bestuur die mogelijk bij het schandaal betrokken waren, passende geldboetes en sancties op te leggen aan de betrokkenen, en de noodzakelijke maatregelen te treffen om alle uit de staatskas gestolen activa terug te vorderen;

16.  benadrukt dat er moet worden gezorgd voor een gecoördineerd optreden van de nationale autoriteiten om te waarborgen dat alle activa die uit de staatskassen zijn gestolen, worden teruggevorderd;

17.  is van mening dat zowel de daders van deze misdrijven als degenen die deze misdrijven mede mogelijk hebben gemaakt, onder wie niet alleen belastingadviseurs, maar ook advocaten, accountants en banken, onverwijld voor de rechter moeten worden gebracht waar zij strafrechtelijke sancties opgelegd kunnen krijgen; benadrukt dat er dringend een einde moet worden gemaakt aan de straffeloosheid ten aanzien van witteboordencriminaliteit en dat de financiële regelgeving dringend beter moet worden gehandhaafd;

Belastingen

18.  dringt er bij de lidstaten op aan bilaterale overeenkomsten inzake belastingheffing tussen lidstaten en met derde landen te herzien en bij te werken om de mazen te dichten die aanzetten tot fiscaal geïnspireerde handelspraktijken met het oog op belastingontwijking;

19.  dringt er bij de Commissie op aan de stand van zaken met betrekking tot alle mogelijk schadelijke belastingovereenkomsten en eventuele mazen in de EU-regelgeving inzake gemeenschappelijke belastingheffing voor moeder- en dochterondernemingen te beoordelen, met nieuwe verbeterde beleidsmaatregelen te komen om dividend-arbitragepraktijken aan te pakken, en de nodige stappen te zetten om te voorkomen dat handelaars misbruik maken van de mazen in de belastingwetgeving;

20.  dringt er bij de Commissie op aan lidstaten niet langer aan te moedigen vrijstellingsregelingen voor bronbelasting in te voeren;

21.  verzoekt de Europese toezichthoudende autoriteiten na te denken over een verbod op fiscaal geïnspireerde financiële instrumenten, activiteiten of praktijken, met name op dividendarbitrage, indien de betrokkenen niet kunnen aantonen dat deze complexe financiële regelingen een ander wezenlijk economisch doel hebben dan belastingontwijking;

  verlangt dat de rol van special purpose vehicles (SPV's) en special purpose entities (SPE's) wordt onderzocht en vraagt de Commissie te overwegen het gebruik van deze instrumenten in te perken, daarbij rekening houdend met het feit dat veelvuldig gebruik van deze instrumenten in buitenlandse directe investeringen een indicator blijkt te zijn van agressieve belastingplanning(15);

23.  wijst erop dat de Franse senaat, in een poging dividend-arbitragepraktijken te bestrijden, een amendement op de ontwerpbegroting heeft ingediend, dat het mogelijk zou maken 30 % van de waarde van de transactie naar een buitenlandse begunstigde, in te houden, waarbij dit bedrag achteraf wordt terugbetaald indien de betrokkene bewijst de uiteindelijke begunstigde te zijn; dringt er bij de Europese wetgevers op aan de mogelijkheid te overwegen om deze maatregel op EU-niveau toe te passen;

Samenwerking en uitwisseling van informatie

24.  betreurt het dat deze nieuwe onthullingen lijken te wijzen op mogelijke tekortkomingen in de huidige systemen voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten op het gebied van belastingen en financiële criminaliteit; herinnert de lidstaten aan hun verplichting krachtens artikel 4, lid 3, VEU om oprecht, loyaal en vlot samen te werken; verzoekt de nationale belastingautoriteiten het volledige potentieel te benutten van de verplichte automatische uitwisseling van informatie op belastinggebied waarin is voorzien bij de opeenvolgende wijzigingen van Richtlijn 2011/16/EU betreffende administratieve samenwerking op het gebied van belastingen(16);

25.  betreurt dat de recentelijk aangenomen Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 (DAC6)(17) de uitwisseling van informatie over de cum-ex-transacties niet zou hebben mogelijk gemaakt, omdat zij niet als transacties zouden zijn aangemerkt waarover verslag moet worden uitgebracht, en dringt erop aan dat DAC6 zodanig wordt gewijzigd dat dividend-arbitrage-regelingen verplicht openbaar moeten worden gemaakt, inclusief het verstrekken van dividend en kapitaalwinsten die zijn geboekt met procedures voor restitutie van belasting;

26.  dringt er bij alle belastingautoriteiten van de lidstaten op aan om, in overeenstemming met de Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration van de OESO, centrale contactpunten aan te wijzen, en verzoekt de Commissie samenwerking tussen de lidstaten te garanderen en te vergemakkelijken om ervoor te zorgen dat informatie over gevallen met grensoverschrijdende relevantie snel en efficiënt tussen de lidstaten wordt gedeeld;

27.  dringt er bij de lidstaten op aan hun samenwerking in fiscale aangelegenheden te intensifiëren door middel van de automatische uitwisseling van informatie alsmede de samenwerking tussen financiële inlichtingeneenheden (FIU's) via FIU.net, ter verbetering van de transparantie, administratieve samenwerking en coördinatie en informatie-uitwisseling; dringt er bij de Commissie op aan te overwegen een wetgevingsvoorstel in te dienen voor een financiële-inlichtingeneenheid van de EU, een Europese hub voor gezamenlijke onderzoekswerkzaamheden en een systeem van vroegtijdige waarschuwing;

28.  herhaalt zijn oproep om binnen de structuur van de Commissie een EU-centrum voor de coherentie en coördinatie van het fiscaal beleid (EUTPCCC) op te richten(18), dat een doeltreffende en snelle samenwerking tussen de lidstaten zou waarborgen en vroegtijdige waarschuwing in zaken zoals het cum-ex-schandaal zou vergemakkelijken; dringt er bij de lidstaten op aan deze oproep te steunen en verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor een dergelijk mechanisme in te dienen;

Betere regulering van de financiële markten

29.  benadrukt dat degenen die belastingfraude mogelijk maken en bevorderen wettelijk medeaansprakelijk moeten worden gesteld wanneer zij cum-ex-transacties en vergelijkbare agressieve fiscale plannen ontwerpen; wijst erop dat wanneer zij deelnemen aan fraude, zij stelselmatig bloot moeten staan aan zowel strafrechtelijke sancties als disciplinaire maatregelen;

30.  verzoekt de Commissie met klem na te denken over de noodzaak van een Europees kader voor de belasting op kapitaalinkomsten, dat de stimuli wegneemt die grensoverschrijdende financiële stromen destabiliseren, die leiden tot fiscale concurrentie tussen de lidstaten en de belastinggrondslagen ondermijnen die de houdbaarheid van de Europese welzijnsstaten waarborgen;

31.  vraagt de lidstaten die aan de procedure voor nauwere samenwerking deelnemen, zo spoedig mogelijk overeenstemming te bereiken over een belasting op financiële transacties (FTT); benadrukt dat als reeds een FTT was ingevoerd, dergelijke praktijken zouden zijn ontmoedigd en niet zo winstgevend zouden zijn geweest voor belastingfraudeurs;

Meer middelen om financiële misdrijven te bestrijden

32.  betreurt het feit dat de financiële crisis heeft geresulteerd in stelselmatige bezuinigingen op middelen en mensen in de EU-belastingadministraties; verzoekt de lidstaten te investeren in de instrumenten waarover de belasting en FIE-autoriteiten beschikken, deze te moderniseren en er de nodige personele middelen voor uit te trekken, teneinde het toezicht te verbeteren en de tijds- en informatiekloof tussen overheidsdiensten en belastingplichtigen te verkleinen, om zo veel mogelijk te voorkomen dat claims voor belastingteruggaven kunnen worden ingediend en terugbetaald zonder bewijs dat de belastingen daadwerkelijk zijn betaald;

33.  dringt er bij de Commissie, de ESMA en de EBA op aan hun personele en financiële middelen voor de bestrijding van financiële misdrijven aanzienlijk te verhogen.

De vaststelling van andere EU-wetgeving versnellen

34.  betreurt dat verscheidene wetgevingsdossiers, zoals die betreffende verslaglegging per land en de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), met het oog op harmonisatie van de belastingregels, meer transparantie en uitwisseling van informatie momenteel in de Raad door de lidstaten worden geblokkeerd; roept de lidstaten op om snel overeenstemming over deze dossiers te bereiken; dringt er bovendien op aan dat in de Raad de unanimiteitsregel voor belastingkwesties wordt afgeschaft;

35.  benadrukt dat klokkenluiders, die bijvoorbeeld informatie over belastingfraude en belastingontduiking op nationaal en EU-niveau openbaar maken, moeten worden beschermd; roept iedereen die over informatie beschikt die waardevol is voor het publieke belang, op dit te melden - intern, extern bij de nationale autoriteiten of, indien nodig, rechtstreeks aan het publiek; dringt aan op de spoedige goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2018 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218), met inachtneming van de door de betrokken commissies van het Europees Parlement aangenomen adviezen;

36.  herinnert eraan dat het betalen van belastingen zowel een essentiële bijdrage van ondernemingen aan de samenleving als een instrument van goed bestuur is, en daarom een vereiste is voor verantwoord ondernemen; benadrukt dat schadelijke belastingpraktijken moeten worden opgenomen in het toepassingsgebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO);

37.  herinnert eraan dat zowel kredietinstellingen en financiële instellingen als belastingadviseurs, accountants en advocaten in het kader van de antiwitwasrichtlijn als "meldingsplichtige entiteiten" worden beschouwd en dat zij derhalve een reeks verplichtingen moeten nakomen om witwasactiviteiten te voorkomen, op te sporen en te melden;

38.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie van 12 september 2018 om, samen met andere verordeningen, de verordening tot oprichting van de EBA te wijzigen, teneinde de EBA een grotere rol te geven bij het antiwitwastoezicht op de financiële sector (COM(2018)0646); benadrukt dat de ECB overeenkomstig het gemeenschappelijk toezichtmechanisme tot taak heeft vroegtijdige-interventiemaatregelen zoals vastgesteld in het betreffende Unierecht ten uitvoer te leggen; is van mening dat de ECB een rol moet spelen bij het waarschuwen van de bevoegde nationale autoriteiten en eventuele maatregelen moet coördineren als er vermoedens zijn dat gecontroleerde banken of groepen de antiwitwasregels niet naleven;

Institutionele follow-up

39.  verzoekt de Bijzondere Commissie (TAX3) de cum-ex-onthullingen aan een eigen beoordeling te onderwerpen en de uitkomsten daarvan, alsook ter zaken doende aanbevelingen, in haar eindverslag op te nemen;

40.  herhaalt dat een permanente subcommissie belastingontduiking, belastingontwijking en witwassen zo spoedig mogelijk moet worden opgericht, om gevolg te geven aan de aanbevelingen die op 13 december 2017 in de plenaire vergadering zijn aangenomen(19);

41.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank, de Europese Bankautoriteit en de Europese Autoriteit voor effecten en markten.

 

(1)

PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

(2)

PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

(3)

PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84.

(4)

Deutscher Bundestag, Drucksache 18/12700, 20.6.2017.

(5)

PB C 366 van 27.10.2017, blz. 51.

(6)

PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79.

(7)

PB C 399 van 24.11.2017, blz. 74.

(8)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0048.

(10)

European Network on Debt and Development, Tax Games - the Race to the Bottom:

https://eurodad.org/tax-games-2017

(11)

Haar, Kenneth, Open door for forces of finance at the ECB, Corporate Europe Observatory, October 2017: https://corporateeurope.org/sites/default/files/attachments/open_door_for_forces_of_finance_report.pdf

(12)

Accounting for influence: how the Big Four are embedded in EU policy-making on tax avoidance, Corporate Europe Observatory, juli 2018:

https://corporateeurope.org/power-lobbies/2018/07/accounting-influence

(13)

Persbericht van de Europese Commissie, Capital Markets Union: Commission announces new tax guidelines to make life easier for cross-border investors, 11 december 2017:

http://europa.eu/rapid/press-release_IP-17-5193_en.htm

(14)

Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.

(15)

IHS, Aggressive tax planning indicators, opgesteld voor de Europese Commissie, DG TAXUD Taxation papers, werkdocument nr. 71, oktober 2017.

(16)

PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1.

(17)

PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1.

(18)

Zie de resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 101, 16.3.2018, blz. 79.

(19)

PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.

Laatst bijgewerkt op: 29 november 2018Juridische mededeling