Procedure : 2019/2508(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0051/2019

Ingediende teksten :

B8-0051/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/01/2019 - 12.2

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 149kWORD 52k
9.1.2019
PE631.644v01-00
 
B8-0051/2019

ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 6, van het Reglement


met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de Verdragen en de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (2019/2508(RSP))


Patrick Le Hyaric, Heidi Hautala, Paloma López Bermejo, Florent Marcellesi, Jytte Guteland, Cecilia Wikström, Keith Taylor, Jakop Dalunde, Bodil Valero, Pascal Durand, Evelyn Regner, Soraya Post, Marita Ulvskog, Christine Revault d’Allonnes Bonnefoy, Barbara Lochbihler, Jean Lambert, Benedek Jávor, Ana Gomes, Klaus Buchner, Terry Reintke, Bart Staes, Indrek Tarand, Tilly Metz, Yannick Jadot, Eva Joly, Josep‑Maria Terricabras, Ernest Urtasun, Thomas Waitz, Michèle Rivasi, Linnéa Engström, Philippe Lamberts, Margrete Auken, Fredrick Federley, Sergio Gaetano Cofferati, Norbert Neuser, Olle Ludvigsson, Aleksander Gabelic, Joachim Schuster, Anna Hedh, Eugen Freund, Karoline Graswander‑Hainz, Jude Kirton‑Darling, Clare Moody, Theresa Griffin, Marina Albiol Guzmán, Xabier Benito Ziluaga, Malin Björk, Matt Carthy, Kostas Chrysogonos, Javier Couso Permuy, Stefan Eck, Luke Ming Flanagan, Eleonora Forenza, Tania González Peñas, Anja Hazekamp, Dennis de Jong, Rina Ronja Kari, Stelios Kouloglou, Merja Kyllönen, Sabine Lösing, Jiří Maštálka, Marisa Matias, Anne‑Marie Mineur, Liadh Ní Riada, Dimitrios Papadimoulis, Sofia Sakorafa, Lola Sánchez Caldentey, Martin Schirdewan, Helmut Scholz, Barbara Spinelli, Neoklis Sylikiotis, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo, Ángela Vallina, Marie‑Christine Vergiat, Marie‑Pierre Vieu, Gabriele Zimmer, Isabelle Thomas, Edouard Martin, Guillaume Balas, Sylvia‑Yvonne Kaufmann, Karima Delli, Michael Cramer, Miroslavs Mitrofanovs, Judith Sargentini, Julia Reda, Monika Vana, José Bové, Jill Evans, Jordi Solé, Ana Miranda, Alyn Smith, Molly Scott Cato, Maria Heubuch, Sven Giegold, Tamás Meszerics, Ivo Vajgl

Resolutie van het Europees Parlement met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de Verdragen en de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (2019/2508(RSP))  
B8‑0051/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de voorgestelde overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, met name artikel 73 in hoofdstuk XI betreffende niet-zelfbesturende gebieden,

–  gezien het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht tussen staten, met name de artikelen 34 en 36 daarvan,

–  gezien Resolutie 34/37 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het arrest van het Gerecht in zaak T-512/12 van 10 december 2015(1),

–  gezien het arrest van het Hof in zaak C-104/16P van 21 december 2016(2),

–  gezien het arrest van het Hof in zaak C-266/12 van 27 februari 2018(3),

–  gezien de beschikking van het Gerecht in zaak T-180/14 van 19 juli 2018(4),

–  gezien de beschikking van het Gerecht in zaak T-275/18 van 30 november 2018(5),

–  gezien artikel 108, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU en haar lidstaten krachtens artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie de verplichting hebben de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht te eerbiedigen; overwegende dat eerbiediging van het beginsel van zelfbeschikking van volkeren is vastgelegd in artikel 1, lid 2, en artikel 55 van het Handvest van de VN;

B.  overwegende dat op 21 december 2016 het Gerecht van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat de liberaliseringsovereenkomst tussen de EU en Marokko geen rechtsgrondslag bevat op grond waarvan de Westelijke Sahara tot de werkingssfeer van de overeenkomst behoort en derhalve niet van toepassing kan zijn op dit gebied aangezien de Westelijke Sahara niet tot Marokko behoort; overwegende dat het Gerecht dienovereenkomstig in punt 106 heeft gesteld dat de bevolking van de Westelijke Sahara dient te worden beschouwd als een "derde" wat betreft de betrekkingen tussen de EU en Marokko, en dat dergelijke bilaterale overeenkomsten uitsluitend gevolgen kunnen hebben voor het gebied van de Westelijke Sahara indien de instemming van de bevolking van het gebied is verkregen; overwegende dat de Commissie van oordeel is dat het Gerecht niet exact heeft gedefinieerd hoe deze instemming uitgedrukt moet worden;

C.  overwegende dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in Rabat en Brussel gesprekken hebben gevoerd met het oog op de instemming van de bevolking van de Westelijke Sahara; overwegende dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de maatregelen van de Commissie voldoen aan de door het Gerecht opgelegde vereiste van instemming van de bevolking van de Westelijke Sahara;

1.  is van mening dat er juridische onzekerheid bestaat over de verenigbaarheid van de voorgenomen overeenkomst met de Verdragen, en in het bijzonder met het arrest van het Hof in zaak C-104/16P van 21 december 2016;

2.  besluit het Hof van Justitie om een advies te verzoeken over de verenigbaarheid van de Verdragen, en in het bijzonder het arrest van het Hof in zaak C-104/16P van 21 december 2016, en de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds;

3.  verzoekt zijn Voorzitter de nodige maatregelen te nemen om het advies van het Hof van Justitie in te winnen en deze resolutie ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Arrest van het Gerecht van 10 december 2015, Front Polisario/Raad, T-512/12, ECLI:EU:T:2015:953.

(2)

Arrest van het Hof van 21 december 2016, Raad/Front Polisario, C-104/16P, ECLI:EU:C:2016:973.

(3)

Arrest van het Hof van 27 februari 2018 in zaak C-266/16 P, Western Sahara Campaign UK/Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs and Secretary of State for Environment, Food and Rural Affairs, C-266/16, ECLI:EU:C:2018:118.

(4)

Arrest van het Gerecht van 19 juli 2018, Front Polisario/Raad, T-180/14, ECLI:EU:T:2018:496.

(5)

Arrest van het Gerecht van 30 november 2018, Front Polisario/Raad, T-275/18, ECLI:EU:T:2018:869.

Laatst bijgewerkt op: 14 januari 2019Juridische mededeling