Procedure : 2018/2684(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0099/2019

Ingediende teksten :

B8-0099/2019

Debatten :

PV 12/02/2019 - 21
CRE 12/02/2019 - 21

Stemmingen :

PV 13/02/2019 - 16.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 129kWORD 49k
6.2.2019
PE635.317v01-00
 
B8-0099/2019

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8‑0005/2019

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU (2018/2684(RSP))


Jadwiga Wiśniewska, Arne Gericke namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU (2018/2684(RSP))  
B8‑0099/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is bepaald dat de Unie ernaar streeft "de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen",

–  gezien artikel 168 VWEU over volksgezondheid, en met name lid 7, waarin is bepaald dat de Unie bij haar optreden dient te eerbiedigen dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het bepalen van hun gezondheidsbeleid, alsmede de organisatie en de verstrekking van gezondheidsdiensten en medische zorg,

–  gezien zijn resolutie van 10 december 2013 over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten(1),

–  gezien de vraag aan de Commissie over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU (O-000135/2018 – B8‑0005/2019),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen in de Europese Unie grotendeels is bereikt, maar dat er nog belangrijke kwesties moeten worden aangepakt, zoals de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, geweld tegen vrouwen, gedwongen huwelijken, vrouwelijke genitale verminking, de vertegenwoordiging van vrouwen in politiek en wetenschap, en het evenwicht tussen werk en privéleven;

B.  overwegende dat de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en op het gebied van seksuele voorlichting op school tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren;

C.  overwegende dat de EU, die bij haar optreden verplicht is de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, moet handelen wanneer zij overeenkomstig de Verdragen bevoegd is, maar ook kan helpen bij het bevorderen van goede praktijken tussen de lidstaten op andere gebieden;

1.  betreurt dat de afgelopen jaren weinig vooruitgang is geboekt bij enkele belangrijke initiatieven met betrekking tot het wegwerken van de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, het evenwicht tussen werk en privéleven en de vertegenwoordiging van vrouwen in het openbare leven; roept daarom alle relevante EU-instellingen op ervoor te zorgen dat er binnen de komende jaren substantiële vooruitgang wordt geboekt;

2.  wijst erop dat alle lidstaten het geweld tegen vrouwen bestraffen, maar dat uit statistieken duidelijk blijkt dat het aantal gevallen van dergelijk geweld in veel lidstaten toeneemt; verzoekt alle lidstaten hun inspanningen op te voeren om geweld tegen vrouwen uit te bannen, met bijzondere nadruk op seksueel geweld, vrouwelijke genitale verminking en gedwongen huwelijken van jonge meisjes;

3.  verzoekt de lidstaten bij de vormgeving van hun gezondheidsstrategieën en -beleid altijd rekening te houden met de belangen en specifieke behoeften van vrouwen;

4.  vestigt in het bijzonder de aandacht op het probleem van vooroordelen en de seksualisering van het beeld van vrouwen, wat door alle bevoegde instellingen moet worden aangepakt, onder meer door middel van onderwijsprogramma’s van de lidstaten;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

 

(1)

PB C 468 van 15.12.2016, blz. 66.

Laatst bijgewerkt op: 8 februari 2019Juridische mededeling