Procedure : 2019/2569(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0104/2019

Ingediende teksten :

B8-0104/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 143kWORD 53k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0104/2019
11.2.2019
PE635.329v01-00
 
B8-0104/2019

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld (2019/2569(RSP))


Eva Joly, Ernest Urtasun, Margrete Auken, Josep‑Maria Terricabras, Jordi Solé, Yannick Jadot, Pascal Durand namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld (2019/2569(RSP))  
B8‑0104/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU-Verdragen, en in het bijzonder de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest"),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),

–  gezien de vergelijkende studie over nationale wetgeving inzake de vrijheid van vreedzame vergadering, als aangenomen door de Commissie van Venetië tijdens haar 99e plenaire vergadering (Venetië, 13 en 14 juni 2014),

–  gezien het Mensenrechtenhandboek over ordehandhaving bij massale bijeenkomsten van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (ODIHR),

–  gezien de richtsnoeren voor de vrijheid van vreedzame vergadering van de Commissie van Venetië en het ODIHIR van de OVSE,

–  gezien de Basisbeginselen van de VN inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door politiefunctionarissen en gezien de Gedragscode van de VN voor politiefunctionarissen,

–  gezien het gezamenlijke VN-verslag van de speciale rapporteur voor de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging en van de speciale rapporteur voor buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies, over de juiste beheersing van massale bijeenkomsten,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(1),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU berust op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot een minderheid behoren; overwegende dat deze waarden door alle lidstaten gedragen worden in een samenleving waarin pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, gerechtigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen prevaleren;

B.  overwegende dat de grondrechten algemene beginselen van het recht van de Unie moeten omvatten, aangezien ze voortkomen uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en overwegende dat internationale mensenrechteninstrumenten moeten worden geëerbiedigd;

C.  overwegende dat de rechtsstaat de ruggengraat van de democratie vormt, een van de grondbeginselen van de EU is en functioneert op grond van de veronderstelling van het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten eerbiedigen, als vervat in het Handvest van de grondrechten en het EVRM;

D.  overwegende dat in artikel 12 van het Handvest, artikel 11 van het EVRM en artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) wordt bepaald dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering;

E.  overwegende dat in artikel 4 van het Handvest, artikel 3 van het EVRM en artikel 7 van het IVBPR wordt bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

F.  overwegende dat de vrijheid van vergadering gepaard gaat met de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest, artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR, waarin staat dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de vrijheid een mening te hebben en kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen;

G.  overwegende dat een levendig maatschappelijk middenveld en pluralistische media een cruciale rol spelen bij de bevordering van een open en pluralistische samenleving, inspraak in het democratische proces en een grotere verantwoordingsplicht van regeringen;

H.  overwegende dat in artikel 52 van het Handvest wordt bepaald dat "beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden […] bij wet [moeten] worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden [moeten] eerbiedigen"; overwegende dat er, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts beperkingen kunnen worden opgelegd indien die noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de noodzaak om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen;

I.  overwegende dat rechtshandhavingsinstanties in verscheidene lidstaten kritiek hebben gekregen vanwege de ondermijning van het recht op de vrijheid van vreedzame vergadering en het gebruik van buitensporig geweld;

J.  overwegende dat diverse mensenrechtenexperts van de VN er op 6 februari 2019 bij het VK op hebben aangedrongen geen wetgeving op het vlak van veiligheid en terrorisme te gebruiken om vreedzame betogers te vervolgen, na de veroordeling van de zogenaamde Stansted 15, die actievoerden op de luchthaven in Zuidoost-Engeland om een deportatievlucht te voorkomen;

K.  overwegende dat de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa op 29 januari 2019 zijn verontrusting heeft uitgesproken over het grote aantal mensen dat gewond is geraakt bij de protesten in Frankrijk, onder andere door projectielen uit defensief ingezette wapens zoals rubberen kogels, evenals zorgen over de ontwerpbepalingen om deelname aan een demonstratie te verbieden als preventieve maatregel, op basis van een administratief besluit en zonder voorafgaande beoordeling door een rechterlijke instantie, en over de ontwerpbepaling op grond waarvan het een strafbaar feit zou worden om opzettelijk een deel van of het hele gezicht de bedekken bij of in de buurt van een demonstratie;

L.  overwegende dat diverse mensenrechtenexperts van de VN op 13 december 2018 hun bezorgdheid hebben geuit over meldingen dat verscheidene mensenrechtenactivisten geïntimideerd zijn, willekeurig gevangen zijn gezet en urenlang ondervraagd zijn door de Poolse autoriteiten bij de Conferentie in het kader van het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering (COP24) in Katowice; overwegende dat de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa en de directeur van het ODIHR van de OVSE op 5 december 2016 ernstige bezwaren hebben geuit over wetswijzigingen waarmee de vrijheid van vergadering in Polen wordt ondermijnd;

M.  overwegende dat de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa op 20 november 2018 heeft benadrukt dat de toepassing van de wet inzake burgerveiligheid in Spanje heeft geleid tot sancties die op onduidelijke gronden zijn opgelegd aan journalisten die wetshandhavers aan het filmen waren, en aan personen die deelnamen aan vreedzame betogingen en andere openbare bijeenkomsten, en zijn zorgen heeft geuit over de mogelijkheid om sancties op te leggen aan personen die niet-aangemelde demonstraties organiseren; overwegende dat de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa en diverse mensenrechtenexperts van de VN op 4 oktober 2017 bezwaren hebben geuit in verband met beschuldigingen over het onevenredige gebruik van geweld door rechtshandhavingsautoriteiten in Catalonië op 1 oktober 2017, en hebben aangedrongen op een onderzoek;

N.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 13 november 2018 over de rechtsstaat in Roemenië(2) het gewelddadige en onevenredige ingrijpen van de politie tijdens de protesten in Boekarest in augustus 2018 veroordeelde, en de Roemeense autoriteiten verzocht een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek in te stellen naar het optreden van de oproerpolitie;

1.  verzoekt de lidstaten de vrijheid van vreedzame vergadering en de vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen;

2.  benadrukt dat het openbare debat van cruciaal belang is voor het functioneren van democratische samenlevingen; is van mening dat geweld tegen vreedzame betogers nooit een oplossing kan zijn;

3.  vindt het kwalijk dat er de afgelopen jaren in diverse lidstaten restrictieve wetten over de vrijheid van vergadering zijn aangenomen;

4.  veroordeelt het gebruik van gewelddadige en onevenredige interventies van de autoriteiten tijdens protesten en vreedzame betogingen; spoort de bevoegde autoriteiten aan te zorgen voor een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek wanneer het gebruik van buitensporig geweld wordt verondersteld of is gemeld; herinnert eraan dat rechtshandhavingsinstanties altijd verantwoording moeten afleggen over de uitvoering van hun taken en de naleving van de desbetreffende wettelijke en operationele kaders;

5.  dringt er bij de lidstaten op aan geen buitensporig geweld te gebruiken tegen vreedzame betogers en geen mensen willekeurig gevangen te nemen; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat het gebruik van geweld door de rechtshandhavingsautoriteiten altijd rechtmatig, evenredig, noodzakelijk en een uiterste middel is, en het menselijk leven en de lichamelijke integriteit beschermt; merkt op dat het willekeurige gebruik van geweld tegen menigten indruist tegen het evenredigheidsbeginsel; wijst op de belangrijke rol van journalisten en persfotografen bij het melden van gevallen van onevenredig geweld, en veroordeelt de gevallen waarin zij het doelwit waren;

6.  verzoekt de lidstaten alternatieve praktijken toe te passen die al effectief zijn gebleken, in het bijzonder het vermijden van fysiek contact met betogers en de inzet van bemiddelingsfunctionarissen;

7.  herinnert eraan dat er in het rechtshandhavingsbeleid met name rekening moet worden gehouden met personen die bijzonder kwetsbaar zijn voor de schadelijke gevolgen van het gebruik van geweld in het algemeen, en voor de effecten van specifieke minder dodelijke wapens, zoals kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, personen met een handicap, personen met een psychische aandoening of personen onder invloed van drugs of alcohol;

8.  spoort de politiefunctionarissen van de lidstaten aan actief deel te nemen aan de opleiding van het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) "Openbare orde – ordehandhaving bij grote evenementen”; spoort de lidstaten aan om beste praktijken op dit gebied uit te wisselen; verzoekt de lidstaten de voortdurende scholing van politiediensten op het gebied van nationale en internationale mensenrechtenwetgeving te bevorderen;

9.  benadrukt dat de rechtshandhavingsautoriteiten erop moeten inzetten dat betogers vrijwillig uiteengaan zonder dat daarbij geweld hoeft te worden gebruikt; hamert erop dat vuurwapens nooit rechtmatig mogen worden gebruikt om een menigte uiteen te drijven, maar alleen als het strikt noodzakelijk is wanneer er sprake is van een levensbedreigende situatie of een ernstige verwonding;

10.  veroordeelt het gebruik van bepaalde minder dodelijke wapens, zoals projectielen met kinetische impact en traangasgranaten, door de politie tegen vreedzame betogers – wapens die zelfs zijn gebruikt in regio's waar ze verboden zijn; veroordeelt tevens het gebruik van traangas, waterkanonnen en soortgelijke methoden om betogers uit elkaar te drijven, die ernstige verwondingen kunnen veroorzaken met blijvend letsel; merkt op dat verscheidene internationale organisaties en organen erom hebben verzocht bepaalde soorten minder dodelijke wapens te verbieden;

11.  vindt het zorgelijk dat de lidstaten verschillende drempels hanteren voor het gebruik van geweld en wapens; betreurt het dat EU-burgers zeer verschillend worden behandeld door de rechtshandhavingsautoriteiten en dat hun grondrechten niet overal op dezelfde wijze worden beschermd;

12.  is ingenomen met de beslissing van een aantal lidstaten en hun regio's om bepaalde typen minder dodelijke wapens op te schorten of te verbieden; dringt aan op een verbod op het gebruik van bepaalde typen minder dodelijke wapens en apparaten, zoals afvuurinrichtingen waarmee projectielen met grote snelheid worden weggeschoten, zoals flash-balls of LBD40-kogels, stingball-granaten en traangasgranaten, zoals GLI F4;

13.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle wapens onafhankelijk worden beoordeeld en getest voordat ze in de handel worden gebracht en dat alle actuele gegevens over al het gebruik van geweld worden verzameld zodat bewijs kan worden vergaard over het gebruik, misbruik, onverwachte gevolgen, verwondingen, sterfgevallen en de oorzaken daarvan;

14.  verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een hoorzitting te organiseren over het gebruik van geweld en minder dodelijke wapens bij massale bijeenkomsten, en in samenwerking met het STOA-panel een verslag over dit onderwerp op te stellen met het doel richtsnoeren te ontwikkelen ten behoeve van de lidstaten over het gebruik van geweld en minder dodelijke wapens; spoort de Commissie en het Bureau voor de grondrechten aan om deel te nemen aan dit proces;

15.  verzoekt zijn Commissie verzoekschriften terdege aandacht te besteden aan verzoekschriften over schendingen van de vrijheid van vreedzame vergadering en het gebruik van buitensporig geweld in deze context;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Verenigde Naties.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0446.

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2019Juridische mededeling