Procedure : 2019/2569(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0105/2019

Ingediende teksten :

B8-0105/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 139kWORD 46k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0104/2019
11.2.2019
PE635.330v01-00
 
B8-0105/2019

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld (2019/2569(RSP))


Sylvia‑Yvonne Kaufmann, Birgit Sippel namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het recht op vreedzaam protest en het evenredig gebruik van geweld (2019/2569(RSP))  
B8‑0105/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de EU-Verdragen, en met name de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest"),

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en de betreffende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien de Basisbeginselen van de VN inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door politiefunctionarissen,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie(1),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU berust op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; overwegende dat deze waarden door alle lidstaten gedragen worden in een samenleving waarin pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, gerechtigheid, solidariteit en gelijkheid van mannen en vrouwen prevaleren;

B.  overwegende dat internationale mensenrechteninstrumenten verplichtingen zijn waaraan de Unie en haar lidstaten moeten voldoen en die nageleefd moeten worden;

C.  overwegende dat de rechtsstaat de ruggengraat van de democratie vormt en een van de grondbeginselen van de EU is, en functioneert op grond van de veronderstelling van wederzijds vertrouwen dat de lidstaten de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten eerbiedigen, als vervat in het Handvest van de grondrechten en het EVRM;

D.  overwegende het van essentieel belang is dat de EU de vrijheid van meningsuiting en informatie alsook de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging handhaaft;

E.  overwegende dat artikel 11 van het EVRM en artikel 12 van het Handvest bepalen dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging met anderen, met inbegrip van het recht om ter bescherming van zijn belangen vakverenigingen op te richten of zich daarbij aan te sluiten;

F.  overwegende dat het EVRM ook bepaalt dat de vrijheid van vergadering "niet [verbiedt] dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat", op basis van de criteria van evenredigheid en noodzakelijkheid;

G.  overwegende dat, wanneer het rechtmatige gebruik van geweld onvermijdelijk is, rechtshandhavingsambtenaren zich terughoudend moeten opstellen bij het gebruik van geweld en hun optreden in verhouding moet staan tot de ernst van het strafbaar feit en het te bereiken legitieme doel; overwegende dat zij schade en letsel moeten vermijden, en het menselijk leven en de lichamelijke integriteit moeten eerbiedigen en beschermen;

H.  overwegende dat in artikel 12 van het Handvest ook wordt bepaald dat politieke partijen op het niveau van de Unie bijdragen tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie;

I.  overwegende dat de vrijheid van vereniging moet worden beschermd; overwegende dat een levendig maatschappelijk middenveld en pluralistische media een vitale rol spelen bij de bevordering van een open en pluralistische samenleving, inspraak in het democratische proces en versterking van de verantwoordingsplicht van regeringen;

J.  overwegende dat de vrijheid van vergadering gepaard gaat met de vrijheid van meningsuiting, zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest en artikel 10 van het EVRM, waarin staat dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen;

K.  overwegende dat in artikel 52 van het Handvest wordt bepaald dat "beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden […] bij wet [moeten] worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden [moeten] eerbiedigen";

L.  overwegende dat het gebruik van minder dodelijke wapens zoals de Flash-Ball, het LBD40-wapen dat rubberkogels afvuurt, en de GLI-F4-granaat tijdens recente demonstraties in de EU tot een groot aantal ernstige verwondingen heeft geleid;

1.  vraagt de lidstaten het recht op vrijheid van vreedzame vergadering, vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting te garanderen;

2.  benadrukt dat het recht van personen om met andere mensen bijeen te komen en gezamenlijk hun stem te laten horen van fundamenteel belang is voor een goed werkende democratie;

3.  veroordeelt het gebruik van gewelddadige en onevenredige interventies door de autoriteiten van verscheidene lidstaten tijdens protesten en vreedzame betogingen; vraagt de bevoegde autoriteiten te zorgen voor een transparant, onpartijdig en doeltreffend onderzoek wanneer buitensporig geweld is gebruikt;

4.  dringt er bij de lidstaten op aan geen buitensporig geweld te gebruiken tegen vreedzame betogers;

5.  benadrukt dat het gebruik van wapens welke aard dan ook beperkt moet blijven en dat de rechtshandhavingsautoriteiten er voorrang aan moeten geven dat betogers vrijwillig uiteengaan zonder het gebruik van geweld;

6.  ziet in dat de politie, onder wie er ook veel slachtoffers zijn gevallen, onder moeilijke omstandigheden werkt, voornamelijk vanwege de vijandige houding van sommige betogers, maar ook vanwege een buitensporige werkdruk; veroordeelt elke vorm van geweld tegen personen of eigendommen door gewelddadige, militante betogers, die alleen komen met het doel geweld te plegen en die de legitimiteit van vreedzame betogingen schaden;

7.  verzoekt de lidstaten politie-eenheden meer opleiding te verstrekken in technieken voor het beheersen van mensenmenigten en het gebruik van bepaalde wapens; verzoekt de lidstaten alternatieve praktijken toe te passen die al effectief zijn gebleken in sommige EU-landen, in het bijzonder communicatie met de betogers via grote beeldschermen, het zo veel mogelijk vermijden van fysiek contact met betogers en de inzet van bemiddelingsfunctionarissen met een achtergrond in de psychologie en sociologie;

8.  moedigt de rechtshandhavingsambtenaren van de lidstaten aan actief deel te nemen aan de opleiding van het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) op het gebied van "openbare orde – ordehandhaving bij grote evenementen"; moedigt de lidstaten aan om beste praktijken op dit gebied uit te wisselen;

9.  merkt op dat de VN heeft verzocht bepaalde soorten minder dodelijke wapens te verbieden;

10.  merkt op dat de lidstaten verschillende drempels hanteren voor het gebruik van geweld en wapens; betreurt dat EU-burgers zeer verschillend worden behandeld door de rechtshandhavingsautoriteiten en dat de bescherming van hun grondrechten varieert;

11.  verzoekt de Commissie aanvullende richtsnoeren te ontwikkelen inzake het gebruik van minder dodelijke wapens en is ingenomen met het besluit van een aantal lidstaten om het gebruik van bepaalde typen minder dodelijke wapens op te schorten of te verbieden;

12.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat zij voldoen aan hun verplichtingen ten aanzien van de grondrechten, en dat het gebruik van geweld door de rechtshandhavingsautoriteiten bij protesten en demonstraties altijd een uiterste middel en evenredig en noodzakelijk is;

13.  herinnert eraan dat bij beleidsmaatregelen, instructies en acties voor de rechtshandhaving in het bijzonder rekening moet worden gehouden met personen die bijzonder kwetsbaar zijn voor de schadelijke gevolgen van het gebruik van geweld in het algemeen, en voor de effecten van specifieke minder dodelijke wapens;

14.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle wapens onafhankelijk worden beoordeeld en getest voordat ze in de handel worden gebracht en dat alle actuele gegevens over al het gebruik van geweld worden verzameld zodat bewijs kan worden vergaard over het gebruik, misbruik, onverwachte gevolgen, sterfgevallen en de oorzaken daarvan;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Verenigde Naties.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0032.

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2019Juridische mededeling