Procedure : 2019/2574(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0132/2019

Ingediende teksten :

B8-0132/2019

Debatten :

PV 13/02/2019 - 20
CRE 13/02/2019 - 20

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.16

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0130

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 137kWORD 54k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0128/2019
12.2.2019
PE635.357v01-00
 
B8-0132/2019

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de toekomst van het INF-verdrag en de gevolgen voor de EU (2019/2574(RSP))


Urmas Paet, Petras Auštrevičius, Jozo Radoš, Marietje Schaake, Hilde Vautmans namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de toekomst van het INF-verdrag en de gevolgen voor de EU (2019/2574(RSP))  
B8‑0132/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verdrag ter vernietiging van de kernwapens voor de middellange en de korte afstand (INF), dat op 8 december 1987 in Washington is ondertekend door de toenmalige president van de Verenigde Staten en de president van de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken (Sovjet-Unie),

–  gezien de verklaring van de Amerikaanse president Donald Trump van 21 oktober 2018, waarin hij dreigde met de terugtrekking van de VS uit het INF-verdrag,

–  gezien de verklaring van president Trump van 1 februari 2019, waarin hij de terugtrekking van de VS uit het INF-verdrag bevestigde,

–  gezien de verklaring van de Russische president Vladimir Poetin van 2 februari 2019, waarin hij bevestigde dat zijn regering de deelname van Rusland aan het verdrag heeft opschort,

–  gezien de verklaring van zowel de VS als Rusland, waarin wordt gesteld dat zij zich na zes maanden uit het INF-verdrag zullen terugtrekken,

–  gezien de verklaring over het INF-verdrag die de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO op 4 december 2018 in Brussel hebben afgelegd,

–  gezien de opmerkingen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, tijdens de zevende EU-conferentie inzake non-proliferatie en ontwapening, die op 18 en 19 december 2018 plaatsvond in Brussel,

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2016 over nucleaire veiligheid en non-proliferatie(1),

–  gezien de gezamenlijke verklaring over de samenwerking tussen de EU en de NAVO, die op 10 juli 2018 is ondertekend in Brussel,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het INF-verdrag in 1987 door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie werd ondertekend als een wapenbeheersingsovereenkomst bedoeld om alle op land gestationeerde ballistische en kruisraketten en lanceerinrichtingen met een bereik van 500 tot 5 500 km te vernietigen;

B.  overwegende dat de VS en de Sovjet-Unie uit hoofde van het INF-verdrag hun voorraden moesten vernietigen; overwegende dat in mei 1991 circa 2 692 raketten waren vernietigd in overeenstemming met de bepalingen van het verdrag;

C.  overwegende dat het INF-verdrag in de eerste plaats voordelen heeft opgeleverd voor Europa; overwegende dat het INF-verdrag veel verder reikt dan de collectieve veiligheid van Europa en een pijler van internationale vrede en veiligheid is geworden;

D.  overwegende dat de regering van de VS, de regering-Obama, in 2014 stelde dat Rusland "niet voldeed aan zijn verplichtingen uit hoofde van het INF-verdrag om geen vanaf de grond gelanceerde kruisraketten met een bereik van 500 tot 5 500 km te bezitten, te produceren of te testen, of lanceerinrichtingen voor deze raketten te bezitten of te produceren"; overwegende dat in de daaropvolgende verslagen, die in 2015, 2016, 2017 en 2018 werden gepubliceerd, de bewering van de VS dat Rusland het verdrag bleef schenden, werd herhaald;

E.  overwegende dat de VS en de NAVO Rusland herhaaldelijk hebben bevraagd over diens raketontwikkelingsactiviteiten, in het bijzonder met betrekking tot het raketsysteem 9M729, dat volgens hen in strijd is met het INF-verdrag;

F.  overwegende dat president Trump op 20 oktober 2018 heeft aangekondigd dat de VS zich uit het verdrag zou terugtrekken omdat Rusland het verdrag niet naleeft en China geen partij is bij het verdrag; overwegende dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Mike Pompeo, op 4 december 2018, na de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO, heeft aangekondigd dat de VS had vastgesteld dat Rusland een materiële inbreuk op het verdrag had gepleegd en dat de VS in reactie daarop zijn verplichtingen binnen 60 dagen zouden opschorten tenzij Rusland het verdrag weer volledig en op controleerbare wijze zou naleven;

G.  overwegende dat de NAVO op 4 december 2018 een verklaring heeft uitgebracht ter ondersteuning van de bevinding van de VS, waarin werd onthuld dat Rusland een materiële inbreuk op zijn verplichtingen uit hoofde van het verdrag had gepleegd, en Rusland dringend werd gevraagd het verdrag weer volledig en op controleerbare wijze na te leven;

H.  overwegende dat het feit dat Rusland ontkende dat het het INF-verdrag schond, onmiddellijk tot een gebrek aan vertrouwen in de handhaving van het INF-verdrag heeft geleid; overwegende dat Rusland vóór de terugtrekking van de VS uit het verdrag heeft bevestigd dat het begin 2019 intercontinentale ballistische raketten van het type RS-26 zou stationeren op 1 200 km ten oosten van Moskou;

I.  overwegende dat de VS op 1 februari 2019 heeft aangekondigd dat het zijn verplichtingen uit hoofde van het INF-verdrag zou opschorten en het proces van terugtrekking uit het verdrag zou inleiden tenzij Rusland binnen 180 dagen weer zou voldoen aan de bepalingen van het verdrag; overwegende dat Rusland op 2 februari 2019 een soortgelijke besluit heeft genomen om zijn deelname aan het verdrag op te schorten; overwegende dat de secretaris-generaal van de NAVO, Jens Stoltenberg, Rusland heeft verzocht gebruik te maken van de periode van zes maanden die de VS heeft aangeboden om terug te keren naar volledige naleving;

1.  herinnert aan de centrale rol van het INF-verdrag bij het bevorderen van wereldwijde non-proliferatie, ontwapening en de veiligheid van Europa en de wereld; staat volledig achter de voortzetting van het INF-verdrag;

2.  veroordeelt Rusland voor de aanhoudende schending van het INF-verdrag; verzoekt Rusland aan te tonen dat het het verdrag volledig en op controleerbare wijze naleeft teneinde de door de VS en de NAVO geuite bezorgdheid weg te nemen en de voortzetting van het INF-verdrag mogelijk te maken;

3.  erkent het belang van volledige transparantie en dialoog om vertrouwen op te bouwen bij de tenuitvoerlegging van het INF-verdrag en elke andere overeenkomst ter versterking van strategische stabiliteit en veiligheid; spoort in het licht van het bovenstaande aan tot een hernieuwde constructieve dialoog tussen de VS en Rusland en vraagt dat de onderhandelingen over doeltreffende maatregelen met betrekking tot hun nucleaire arsenaal in goed vertrouwen worden voortgezet;

4.  betreurt dat beide partijen het INF-verdrag hebben opgeschort; vreest dat een mogelijke politieke misrekening en misvatting tussen de VS en Rusland kunnen leiden tot een escalatie van de spanningen en een nieuwe raketwedloop;

5.  blijft zich volledig inzetten voor doeltreffende internationale wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie; dringt er bij de VS en Rusland op aan om het New START-verdrag van 2010, dat in 2021 zal aflopen, te verlengen;

6.  dringt er bij de VV/HV op aan om gebruik te maken van het venster van zes maanden om een dialoog aan te gaan met beide ondertekenende staten, en tegelijkertijd de deskundigheid en ervaring van de EU op het gebied van bemiddeling aan te bieden met het oog op het bereiken van een overeenkomst over het INF-verdrag, om zowel de VS als Rusland ervan te proberen te weerhouden zich uit het verdrag terug te trekken; dringt er voorts bij de VV/HV op aan na de periode van zes maanden een alternatief aan te bieden en onderhandelingen aan te moedigen over het sluiten van een nieuwe wapenovereenkomst tussen de VS en Rusland, waarin maximale aantallen of geografische beperkingen voor het gebruik van kernraketten kunnen worden opgenomen;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president en de leden van het Congres van de Verenigde Staten, de president van de Russische Federatie en de leden van de Russische Doema en de Federatieraad en de NAVO.

 

(1)

PB C 215 van 19.6.2018, blz. 202.

Laatst bijgewerkt op: 14 februari 2019Juridische mededeling