Procedure : 2019/2614(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0171/2019

Ingediende teksten :

B8-0171/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0211

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0171/2019</NoDocSe>
PDF 136kWORD 50k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken</Titre>

<DocRef>(2019/2614(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Markus Ferber, Agnieszka Kozłowska‑Rajewicz</Depute>

<Commission>{PPE}namens de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Kay Swinburne</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0171/2019

B8‑0171/2019

Resolutie van het Europees Parlement over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken

(2019/2614(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien het "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" van de Commissie,

 gezien de aanbeveling van de Raad van 11 februari 2019 betreffende de benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank (ECB),

 gezien artikel 283, lid 2, tweede alinea, van het VWEU, op grond waarvan het Parlement door de Europese Raad is geraadpleegd,

 gezien Protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 11.2,

 gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0144/2019),

 gezien de voordracht – door de raad van toezicht van de Europese Bankautoriteit – op 19 februari 2019 van José Manuel Campa voor de functie van voorzitter van de Europese Bankautoriteit,

 gezien artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie[1],

 gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0146/2019),

 gezien het voorstel van de Commissie van 30 januari 2019 om de heer Sebastiano Laviola te benoemen als lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad,

 gezien artikel 56, lid 6, van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010[2],

 gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0148/2019),

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat gendermainstreaming als horizontaal beginsel is vastgelegd in artikel 8 van het VWEU, en dat gendergelijkheid als waarde van de Unie is vastgelegd in artikel 2 van het VEU;

B. overwegende dat gelijke toegang tot kansen en non-discriminatie kernwaarden van de Europese Unie zijn;

C. overwegende dat vrouwen in leidinggevende posities in de sector van bancaire en financiële diensten nog steeds ondervertegenwoordigd zijn;

D. overwegende dat alle EU- en nationale instellingen en organen concrete maatregelen moeten nemen om voor genderevenwicht te zorgen;

E. overwegende dat het Europees Parlement het betreurt dat, ondanks zijn herhaalde oproepen aan de Raad om het gebrek aan genderevenwicht binnen de directie van de ECB aan te pakken, de Europese Raad dit verzoek niet ernstig heeft genomen;

F. overwegende dat het Europees Parlement het betreurt dat, ondanks zijn herhaalde oproepen in het kader van vorige voordrachten om bij de presentatie van een lijst van kandidaten op genderevenwicht te letten, alle kandidaten voor de functie van voorzitter van de Europese Bankautoriteit mannen waren;

G. overwegende dat het Europees Parlement het betreurt dat, ondanks de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) 806/2014 en in weerwil van het herhaaldelijk aandringen van het Parlement om bij de presentatie van een lijst van kandidaten op genderevenwicht te letten, alle kandidaten voor de functie van lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad mannen waren;

1. dringt er bij de Europese Raad, de Raad en de Commissie op aan om in de komende voorstellen voor shortlists en benoemingen actief werk te maken van genderevenwicht, en eist dat het verzoek van het Parlement in acht wordt genomen bij de aanstaande benoemingen;

2. erkent dat het Parlement zelf tot op heden niet aan deze normen voldoet, en neemt zich voor zijn eigen resultaten met betrekking tot de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van economische en monetaire zaken te verbeteren;

3. erkent dat voor een genderevenwicht op uitvoerend niveau in de EU-instellingen en -organen gekwalificeerde kandidaten uit de lidstaten vereist zijn; dringt er daarom bij de lidstaten op aan concrete stappen te ondernemen om het genderevenwicht in nationale instellingen te verbeteren en daarmee de weg te effenen voor zowel mannelijke als vrouwelijke sterke kandidaten voor topfuncties in de EU op het gebied van bancaire en financiële diensten;

4. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

 

[1] PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

[2] PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling