Procedure : 2019/2614(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0172/2019

Ingediende teksten :

B8-0172/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0211

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0172/2019</NoDocSe>
PDF 134kWORD 52k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken</Titre>

<DocRef>(2019/2614(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Pervenche Berès, Mercedes Bresso</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0171/2019

B8‑0172/2019

Resolutie van het Europees Parlement over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken

(2019/2614(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien het Genderactieplan 2016-2020,

 gezien de brief van de voorzitter van het Europees Parlement aan de fungerend voorzitter van de Raad van de Europese Unie (houder van het roulerend voorzitterschap) van 5 maart 2019,

 gezien de brief van de voorzitter van het Europees Parlement aan de voorzitter van de Europese Commissie van 5 maart 2019,

 gezien de brief van de voorzitter van het Europees Parlement aan de voorzitter van de Europese Raad van 23 maart 2018,

 gezien de brief van de voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken aan de Europees Parlement aan de voorzitter van de Eurogroep van 8 maart 2018,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat in april 2016 het gemiddelde percentage vrouwen in de raden van bestuur van de grootste beursgenoteerde ondernemingen in de EU-28 23,3 % bedroeg, een stijging van 0,6 % ten opzichte van de vorige keer dat gegevens verzameld werden in oktober 2015; overwegende dat er slechts tien landen zijn – Frankrijk, Zweden, Italië, Finland, Nederland, Letland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en België – waar ten minste een kwart van de bestuursleden een vrouw is;

B. overwegende dat de richtlijn vrouwen in raden van bestuur uit 2012 het resultaat was van een reeds lang bestaande oproep van het Parlement aan de Commissie om actie te ondernemen; overwegende dat het Parlement bij de goedkeuring van zijn standpunt in eerste lezing in november 2013 met een substantiële meerderheid van alle partijen slechts zeer weinig wijzigingen heeft aangebracht aan het voorstel, om de Raad erop te wijzen dat een akkoord met het Parlement kon worden bereikt; overwegende dat het Parlement ermee ingestemd heeft ervoor te zorgen dat vrouwen tegen 2020 minstens 40 % van de niet-uitvoerende bestuursleden in de raden van bestuur van beursgenoteerde bedrijven uitmaken; overwegende dat de richtlijn vrouwen in raden van bestuur een zeer belangrijk instrument is om een beter evenwicht tussen mannen en vrouwen te bereiken in de economische besluitvorming op het hoogste niveau, en om, zoals in verschillende studies is aangetoond, het concurrentievermogen van ondernemingen te verbeteren door alle talenten in de maatschappij te benutten;

C. overwegende dat in artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen[1], artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds[2], en artikel 37, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit)[3] verwezen wordt naar genderevenwicht als een belangrijk beginsel dat bij selectieprocedures in acht moet worden genomen;

D. overwegende dat het Parlement het betreurt dat, ondanks zijn herhaaldelijke oproepen aan de Raad en de lidstaten om het gebrek aan genderevenwicht binnen de directie van de ECB op te lossen, de Europese Raad dit verzoek niet ernstig heeft genomen;

E. overwegende dat het Parlement het betreurt dat, ondanks zijn herhaaldelijke oproepen in het kader van vorige voordrachten om bij de presentatie van een lijst van kandidaten op genderevenwicht te letten, alle kandidaten voor de functie van voorzitter van de Europese Bankautoriteit mannen waren;

F. overwegende dat in de selectieprocedures voor de voorzitter, vicevoorzitter en leden van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad tot dusver over het algemeen rekening werd gehouden met het beginsel van genderevenwicht, in overeenstemming met artikel 56, lid 4, van Verordening (EU) nr. 806/2014, maar dat de aan het Parlement voorgestelde shortlist in dit geval enkel uit mannen bestond;

G. overwegende dat het niet kan worden uitgesloten dat er in een bepaalde selectieprocedure op basis van individuele kandidaturen onvoldoende kandidaten van beide geslachten zijn, maar dat het algemene criterium van genderevenwicht geëerbiedigd moet worden in de samenstelling van de raden van de bestuur van de ECB en van de toezichthoudende autoriteiten;

H. overwegende dat de commissie ECON van het Parlement de huidige kandidaten voor de functies van hoofdeconoom bij de ECB, voorzitter van de EBA en lid van de GAR allen ervaren en naar behoren gekwalificeerd heeft geacht, en dat deze kandidaten bij geheime stemming met een ruime meerderheid goedgekeurd werden;

I. overwegende dat vrouwen in leidinggevende posities in de sector van bancaire en financiële diensten nog steeds ondervertegenwoordigd zijn; overwegende dat alle EU- en nationale instellingen en organen concrete maatregelen moeten nemen om voor genderevenwicht te zorgen;

1. eist dat er op genderevenwicht wordt gelet bij de komende benoemingen in alle EU- en nationale instellingen en organen; nodigt de lidstaten uit om elk één man en één vrouw voor te stellen voor de benoemingsprocedure voor de volgende Commissie;

2. neemt zich voor om in de toekomst lijsten van kandidaten enkel in aanmerking te nemen als het beginsel van genderevenwicht werd geëerbiedigd;

3. bevestigt opnieuw zijn krachtige inzet voor gendergelijkheid, zowel in de inhoud van het beleid, de initiatieven en de programma's van de EU als op het politieke, begrotings-, administratieve en uitvoerende niveau;

4. herhaalt zijn verzoek aan de Europese Commissie om een echte Europese gelijkheidsstrategie te presenteren in de vorm van een mededeling met duidelijke en voor zover mogelijk kwantificeerbare doelstellingen, vertaald in alle officiële talen van de EU om te zorgen voor een betere verspreiding en een beter begrip onder burgers en sociale en economische actoren;

5. benadrukt dat het bereiken van gendergelijkheid niet alleen een zaak van vrouwen is, maar de hele samenleving aangaat;

6. herinnert eraan dat gendermainstreaming betrekking heeft op beleidskeuzes, het besluitvormingsproces, procedures en praktijken, alsook uitvoering, monitoring en evaluatie; benadrukt dat bijgevolg niet alleen de inhoud van het beleid, maar ook de gendervertegenwoordiging binnen de administratie en in de besluitvorming in aanmerking moet worden genomen om de stand van zaken van gendermainstreaming in het Parlement grondig te evalueren;

7. vindt het zorgwekkend dat de vertegenwoordiging van vrouwen in EU-instellingen en belangrijke besluitvormingsfuncties op politiek en administratief niveau beperkt blijft, en bevestigt dat het Parlement doeltreffende maatregelen moet nemen om te verzekeren dat besluitvormingsfuncties gelijk verdeeld worden onder beide geslachten;

8. roept op tot nauwere samenwerking tussen procedures en instellingen om te verzekeren dat deze maatregelen doeltreffend zijn, aangezien het ervan overtuigd is dat hechtere interinstitutionele betrekkingen op het vlak van gendermainstreaming kunnen helpen om een gendersensitief EU-beleid te ontwikkelen; betreurt dat nog geen gestructureerde samenwerking inzake gendermainstreaming is opgezet met andere institutionele partners, zoals de Commissie of de Raad, of in de EU-structuren voor economische en financiële aangelegenheden.

 

 

[1] PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

[2] PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.

[3] PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling