Procedure : 2019/2614(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0174/2019

Ingediende teksten :

B8-0174/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0211

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0174/2019</NoDocSe>
PDF 137kWORD 52k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken</Titre>

<DocRef>(2019/2614(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Philippe Lamberts, Terry Reintke, Ernest Urtasun, Linnéa Engström, Molly Scott Cato, Bas Eickhout, Thomas Waitz, Sven Giegold, Monika Vana</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}namens de Verts/ALE-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0171/2019

B8‑0174/2019

Resolutie van het Europees Parlement over genderevenwicht bij benoemingen in de EU op het gebied van economische en monetaire zaken

(2019/2614(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 gezien de gendergelijkheidsindex 2017 van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE),

 gezien zijn voorstel van 1 maart 2019 voor een besluit inzake de benoeming van de nieuwe voorzitter van de Europese Bankautoriteit,

 gezien zijn voorstel van 1 maart 2019 voor een besluit over de aanbeveling van de Raad inzake de benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank,

 gezien zijn voorstel van 1 maart 2019 voor een besluit over het voorstel van de Commissie voor de benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad,

 gezien zijn resolutie van 15 januari 2019 over gendermainstreaming in het Europees Parlement[1],

 gezien zijn resolutie van 14 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van de wettelijke bepalingen en de gezamenlijke verklaring inzake de parlementaire controle op de gedecentraliseerde agentschappen[2],

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid een van de kernwaarden van de EU is en in de EU-Verdragen en het Handvest van de grondrechten is verankerd;

B. overwegende dat in artikel 8 van het VWEU is bepaald dat de Unie bij elk optreden, bij het bepalen en uitvoeren van haar beleid en activiteiten, ernaar streeft ongelijkheden op te heffen, gendergelijkheid te bevorderen en discriminatie te bestrijden;

C. overwegende dat er een structureel gebrek aan genderevenwicht is in de topfuncties van de voornaamste instellingen en agentschappen met betrekking tot de Economische en Monetaire Unie (EMU);

D. overwegende dat uit de gendergelijkheidsindex 2017 van het EIGE opnieuw is gebleken dat de economische besluitvorming het gebied blijft waarop de EU de slechtste resultaten voorlegt op het vlak van gendergelijkheid en vertegenwoordiging van vrouwen;

E. overwegende dat de EU inspanningen levert voor gendergelijkheid in de besluitvorming, maar dat de raden van bestuur van EU-agentschappen desalniettemin kampen met een ernstig gebrek aan genderevenwicht en blijk geven van hardnekkige patronen van gendersegregatie: gemiddeld 33,7 % van de leden van de hoogste besluitvormingsorganen van EU-agentschappen is een vrouw; overwegende dat slechts 10 van de 39 uitvoerende hoofden van EU-agentschappen een vrouw zijn, net als slechts 16 van de 37 voorzitters van EU-agentschappen[3];

F. overwegende dat de directie van de Europese Centrale Bank (ECB) bestaat uit slechts één vrouw en vijf mannen;

G. overwegende dat de Algemene Raad van de ECB momenteel bestaat uit slechts één vrouw en 29 mannen;

H. overwegende dat de huidige voorzitter van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad een vrouw is, maar dat de andere leden van de raad mannen zijn; overwegende dat het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en de drie Europese toezichthoudende autoriteiten worden voorgezeten door mannen;

I. overwegende dat de mandaten van Daniele Nouy en Sabine Lautenschläger, twee vrouwen in topfuncties met betrekking tot financieel toezicht, recent ten einde zijn gelopen en dat hun plaatsen door mannen zullen worden ingevuld;

J. overwegende dat de nationale topfuncties met betrekking tot economische besluitvorming ook hoofdzakelijk door mannen worden bekleed: in alle centrale banken, op één na, staat een man aan het hoofd; overwegende dat vrouwen slechts 19,6 % van de adjunct- en vicegouverneurs van de centrale banken in de lidstaten en 20 % van de leden van de raden van bestuur van deze banken uitmaken[4];

1. betreurt ten zeerste het gebrek aan vrouwelijke kandidaten op de shortlists voor de functies van voorzitter van de Europese Bankautoriteit (EBA), lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad, en lid van de directie van de ECB; pleit daarom voor uitstel van de stemming over de besluiten van het Parlement inzake het voorstel van de Commissie voor de benoeming van een lid van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en het voorstel van de Raad voor een lid van de directie van de Europese Centrale Bank;

2. betreurt ten zeerste dat bij deze recente benoemingen het pad werd gevolgd van de steeds schevere man-vrouwverhoudingen in topbesluitvormingsfuncties in de bestuursorganen van de EMU;

3. herinnert eraan dat dergelijke ontwikkelingen niet alleen strijdig zijn met de herhaaldelijke verklaringen van de Raad, de Commissie en het Parlement ter zake, maar dat zij ook indruisen tegen de waarden en doelstellingen van de EU als vastgelegd in de Verdragen;

4. benadrukt dat het Parlement benoemingen in raden van bestuur en andere organen van EU-agentschappen alleen zal bekrachtigen als de door de instelling of orgaan in kwestie voorgestelde shortlist van kandidaten genderevenwichtig is;

5. stelt voor de vereiste van een genderevenwichtige shortlist op te nemen in het Genderactieplan dat in de nabije toekomst moet worden goedgekeurd, overeenkomstig artikel 228, onder a), van het Reglement;

6. herhaalt zijn oproep om in het toekomstige interinstitutioneel akkoord voor een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen, op basis van een herziening van de gemeenschappelijke aanpak, te zorgen voor een genderevenwicht onder de leden van de bestuurs- en adviesorganen van EU-agentschappen;

7. verzoekt de Commissie en de Raad te zorgen voor een genderevenwicht onder voorgedragen kandidaten, op shortlists en bij benoemingen voor de raden van bestuur van alle EU-agentschappen, en te ijveren voor open, transparante, competitieve en gendersensitieve aanwervings- en benoemingsprocedures voor uitvoerend directeuren van EU-agentschappen, teneinde diversiteit tussen kandidaten te verzekeren;

8. spoort de Commissie aan de regelgeving van alle EU-agentschappen aan te passen om een horizontale vereiste inzake genderevenwicht in de besluitvorming op te nemen, met name wat managementfuncties betreft;

9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0010.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0134.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling