Procedure : 2019/2580(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0179/2019

Ingediende teksten :

B8-0179/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0215

<Date>{12/03/2019}12.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0179/2019</NoDocSe>
PDF 138kWORD 55k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen</Titre>

<DocRef>(2019/2580(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Charles Tannock, Ryszard Czarnecki, Anna Elżbieta Fotyga</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0177/2019

B8‑0179/2019

Resolutie van het Europees Parlement over een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen

(2019/2580(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het besluit van de Raad van 10 december 2018 om de Commissie te machtigen om voorstellen in te dienen voor een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen,

 gezien zijn eerdere resoluties waarin wordt opgeroepen om een voor de hele EU geldend mechanisme tot stand te brengen voor het opleggen van gerichte sancties aan personen die betrokken zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen, en met name zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de instelling van gemeenschappelijke visumbeperkingen voor Russische functionarissen die betrokken zijn bij de zaak-Magnitski[1],

 gezien zijn eerdere resoluties over Rusland, en met name zijn resolutie van 14 februari 2019 over de situatie in Tsjetsjenië en de zaak van Ojoeb Titiev[2],

 gezien zijn resolutie van 12 maart 2019 over de stand van zaken in de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland[3],

 gezien zijn resolutie van 12 december 2018 over het jaarverslag 2017 over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake[4],

 gezien zijn resolutie van 13 september 2017 over corruptie en het effect op de mensenrechten in derde landen[5],

 gezien het verslag van 30 oktober 2018 van de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over Sergej Magnitski en – bij uitbreiding – de strijd tegen straffeloosheid door middel van gerichte sancties,

 gezien de richtsnoeren inzake de tenuitvoerlegging en evaluatie van de beperkende maatregelen die in 2003 door de Raad zijn vastgesteld en in 2005, 2009, 2012 en 2017 zijn herzien en bijgewerkt,

 gezien zijn studie van april 2018 getiteld "Targeted sanctions against individuals on grounds of grave human rights violations – impact, trends and prospects at EU level" (Gerichte sancties tegen personen op grond van ernstige mensenrechtenschendingen – gevolgen, trends en vooruitzichten op EU-niveau),

 gezien het voorstel van 14 november 2018 over een Europese commissie voor het instellen van een inreisverbod wegens mensenrechtenschendingen,

 gezien artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) over de vaststelling van sancties jegens zowel derde landen als personen, groepen en niet-statelijke entiteiten,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de Nederlandse overheid in november 2018 een debat tussen de EU-lidstaten op gang heeft gebracht over een gerichte sanctieregeling op EU-niveau voor mensenrechtenschendingen, met een mondiale opdracht, en daarin door Duitsland en Frankrijk werd gesteund; overwegende dat de Commissie op 10 december 2018 door de Raad werd gemachtigd om voorstellen in te dienen voor een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen;

B. overwegende dat Estland, Letland, Litouwen, het Verenigd Koninkrijk, Canada en de Verenigde Staten "Magnitski-wetten" hebben aangenomen die hun overheden in staat stellen om gerichte sancties zoals visumverboden en de bevriezing van vermogensbestanddelen op te leggen aan de plegers van ernstige mensenrechtenschendingen en degenen die voordeel halen uit deze mensenrechtenschendingen; overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft gepleit voor de invoering van een dergelijke regeling op EU-niveau;

C. overwegende dat de "Magnitski-wetten" zijn vernoemd naar Sergei Magnitski, de Russische belasting- en boekhouddeskundige die in 2009 in Rusland werd vermoord terwijl hij in voorlopige hechtenis werd gehouden; overwegende dat de heer Magnitski een onderzoek had ingesteld naar grootschalige belastingteruggavefraude met betrekking tot de begroting van de Russische overheid, waarbij sprake was van misbruik van investeringsproducten van de onderneming van zijn cliënt, William Browder, door criminelen die gebruikmaakten van collusies tussen corrupte politie- en belastingambtenaren;

D. overwegende dat gerichte sancties geen economische gevolgen hebben voor onschuldige burgers, aangezien ze tot doel hebben uitsluitend de personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de vermeende daden ter verantwoording te roepen; overwegende dat veel sanctiesceptici in Canada en in andere landen uiteindelijk zijn overtuigd op basis van het argument dat wij, door deze personen onze landen te laten binnenreizen en hen in staat te stellen gebruik te maken van onze instellingen, en met name van onze banken, in wezen medeplichtig zijn aan hun verwerpelijke daden en hen helpen om de opbrengsten van hun misdaden te gebruiken; overwegende dat deze personen volgens de Britse premier Theresa May niet welkom zijn in onze landen;

E. overwegende dat dergelijke wetten kunnen worden ingezet om straffeloosheid en corruptie, beide bedreigingen voor de rechtsstaat, te bestrijden; overwegende dat de gerichtheid van de "Magnitski-wetten" op de bestrijding van corruptie een rechtsgrond kan bieden voor de opstelling van zwarte lijsten van personen die bij corruptiezaken betrokken zijn; overwegende dat de doelstellingen van de bestrijding van corruptie en witwaspraktijken in de rechtshandelingen van de landen die de wetten reeds hebben aangenomen, een even prominente plaats innemen als de reactie op mensenrechtenschendingen;

F. overwegende dat sommige nationale wetshandhavingsinstanties hebben nagelaten de plegers van strafbare feiten ter verantwoording te roepen; overwegende dat een Uniebreed beleid van gerichte sancties in dergelijke gevallen zeer doeltreffend kan zijn;

1. veroordeelt met klem alle mensenrechtenschendingen wereldwijd; vraagt de Commissie en de EDEO om voor het einde van de huidige zittingsperiode een wetgevingsvoorstel op te stellen voor een Uniebrede sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen, op grond waarvan visumverboden en gerichte sancties kunnen worden opgelegd, zoals het bevriezen van vermogens en vermogensbelangen binnen de EU-jurisdictie, aan individuele ambtenaren of in een officiële hoedanigheid optredende personen, statelijke en niet-statelijke actoren en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen;

2. is er vast van overtuigd dat een dergelijke regeling essentieel is als onderdeel van het bestaande EU-instrumentarium inzake mensenrechten en buitenlands beleid en dat de EU hierdoor op het wereldtoneel een grotere rol kan spelen in verband met mensenrechtenkwesties, met name in de strijd tegen straffeloosheid en corruptie, beide bedreigingen voor de rechtsstaat, alsook in de ondersteuning van slachtoffers van misbruik en van mensenrechtenverdedigers overal ter wereld;

3. beklemtoont dat het met de regeling mogelijk moet worden beperkende maatregelen op te leggen – meer bepaald bevriezing van vermogensbestanddelen en EU-inreisverboden – jegens personen of entiteiten die verantwoordelijk zijn voor, betrokken zijn bij, medeplichtig zijn aan, financiering hebben verstrekt voor of hebben bijgedragen aan de planning of aansturing van of het opdracht geven tot ernstige mensenrechtenschendingen; pleit in dit verband voor de vaststelling van een duidelijke definitie van de omvang van de schendingen om de huidige situatie te corrigeren;

4. dringt erop aan dat de besluiten om personen of entiteiten op de lijst te plaatsen of van de lijst te schrappen gebaseerd moeten zijn op duidelijke en precieze criteria, en rechtstreeks verband moeten houden met het gepleegde misdrijf, zodat een grondige rechterlijke toetsing wordt gewaarborgd;

5. benadrukt dat de sancties door alle lidstaten consequent en op dezelfde manier moeten worden toegepast; verzoekt de lidstaten met elkaar samen te werken om te bepalen aan welke personen de sancties precies moeten worden opgelegd, onder meer door gebruik te maken van de relevante Uniemechanismen en door informatie te delen over personen die op sanctielijsten staan en de redenen waarom de lidstaten redelijkerwijs vermoeden dat deze personen verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen; benadrukt dat in het kader van een dergelijke regeling sancties moeten worden opgelegd aan mensensmokkelaars die van migratiestromen profiteren;

6. verzoekt alle lidstaten met klem "Magnitski-wetten" aan te nemen; dringt er bij alle lidstaten op aan een visumverbod af te vaardigen tegen personen die in reeds aangenomen "Magnitski-wetten" worden genoemd, om solidariteit te betuigen met de lidstaten die deze wetten hebben aangenomen en om de EU op gelijke voet te stellen met haar trans-Atlantische partners, de Verenigde Staten en Canada, die reeds soortgelijke wetten hebben ingevoerd;

7. verzoekt alle lidstaten met klem ervoor te zorgen dat de besluiten van de Raad over beperkende maatregelen jegens personen en entiteiten op grond van de gewone wetgevingsprocedure ten uitvoer worden gelegd, met name in het geval van bevriezing van vermogensbestanddelen van personen die in de lijst zijn opgenomen en de beperkingen inzake toegang tot hun respectieve grondgebied als gevolg van mensenrechtenschendingen;

8. benadrukt dat de strafrechtelijke vervolging van plegers van grove mensenrechtenschendingen via nationale of internationale rechtspraak het hoofddoel moet blijven van alle inspanningen die de EU en de lidstaten leveren om straffeloosheid tegen te gaan; verzoekt de Raad grensoverschrijdende schendingen op te nemen in het toepassingsgebied van de regeling;

9. verzoekt de Commissie en de lidstaten de strijd tegen belastingontwijkings- en belastingontduikingsconstructies op te voeren, een eind te maken aan belastingparadijzen in de EU, gerechtelijke hervormingen te steunen in landen waar het gerechtelijk apparaat er niet in slaagt samen te werken in de strijd tegen corruptie, en zich, als preventieve maatregel, niet "medeplichtig" te maken aan de verwerpelijke daden van corrupte buitenlandse ambtenaren en misdadige regimes door hen in staat te stellen gebruik te maken van onze instellingen en hen te helpen om hun onrechtmatig verkregen opbrengsten te gebruiken;

10. verzoekt de Commissie voldoende middelen en deskundigheid in te zetten om de regeling, zodra deze is vastgesteld, te kunnen versterken en monitoren, en om er in het bijzonder op te letten dat burgers zowel in de EU als in de betrokken landen worden ingelicht over de sanctielijsten;

11. steunt de inspanningen van activisten uit het maatschappelijk middenveld voor de invoering van een dergelijke regeling en spoort de discussie aan over het voorstel om eventueel een onafhankelijk adviescomité op EU-niveau op te zetten;

12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de secretaris-generaal van de Raad van Europa.

 

[1] PB C 408 van 30.11.2017, blz. 43.

[2] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0115.

[3] Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0157.

[4] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0515.

[5] PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling