Procedure : 2019/2582(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0188/2019

Ingediende teksten :

B8-0188/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0188/2019</NoDocSe>
PDF 197kWORD 63k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de strategie voor een langetermijnreductie van de broeikasgasuitstoot in de EU, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs</Titre>

<DocRef>(2019/2582(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Peter Liese, Jytte Guteland, Nils Torvalds, Bas Eickhout, Lynn Boylan, Eleonora Evi</Depute>

<Commission>{ENVI}namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</Commission>

</RepeatBlock-By>


B8‑0188/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de strategie voor een langetermijnreductie van de broeikasgasuitstoot in de EU, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs

(2019/2582(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie" (COM(2018)0773),

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

 gezien de 24e Conferentie van de partijen (COP24) bij het UNFCCC, de 14e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP14) en het derde deel van de eerste sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA1.3), die van 2 t/m 14 december 2018 in Katowice, Polen, hebben plaatsgevonden,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie van 2018 in Katowice, Polen (COP24)[1],

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 maart 2018,

 gezien het speciaal verslag van Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) met als titel "Global Warming of 1.5 °C", het vijfde evaluatierapport (AR5) en het samenvattend verslag,

 gezien de negende editie van het UN Environment Emissions Gap Report, aangenomen op 27 november 2018,

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COP24 in Katowice resulteerde in de goedkeuring van het regelboek van Katowice, dat zorgt voor juridische duidelijkheid bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

1. benadrukt dat de Europese burgers reeds worden geconfronteerd met rechtstreekse gevolgen van de klimaatverandering; onderstreept dat volgens het Europees Milieuagentschap de gemiddelde jaarlijkse verliezen ten gevolge van extreme weers- en klimaatgerelateerde omstandigheden in de Unie tussen 2010 en 2016 ongeveer 12,8 miljard EUR bedroegen, en dat indien geen verdere maatregelen worden genomen, de klimaatschade in de EU tegen 2080 zou kunnen oplopen tot ten minste 190 miljard EUR, wat overeenkomt met een nettoverlies aan welvaart van 1,8 % van het huidige bbp; benadrukt dat in een scenario met een hoge uitstoot de jaarlijkse kosten in verband met overstromingen in de EU tegen 2100 kunnen oplopen tot 1 biljoen EUR en dat door het weer veroorzaakte rampen tegen 2100 ongeveer twee derde van de Europese burgers kunnen treffen, ten opzichte van de huidige 5 %; benadrukt ook dat volgens het Europees Milieuagentschap 50 % van de bevolkte gebieden in de EU tegen 2030 zullen lijden onder een ernstige waterschaarste;

2. herinnert aan de resultaten van de Eurobarometer van november 2018 volgens welke 93 % van de Europeanen gelooft dat de klimaatverandering wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten en 85 % het ermee eens is dat de bestrijding van de klimaatverandering en een efficiënter gebruik van energie kunnen resulteren in economische groei en werkgelegenheid in Europa; merkt op dat de klimaatverandering een hoge prioriteit heeft onder de mensen in Europa;

3. onderstreept dat het speciaal rapport van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C de meest uitgebreide en actuele wetenschappelijke beoordeling is van de met de Overeenkomst van Parijs overeenstemmende mitigatietrajecten;

4. benadrukt dat volgens het speciaal rapport van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, met of zonder een beperkte overschrijding, ertoe leidt dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd uiterlijk in 2067 tot nul moet zijn teruggebracht en dat de jaarlijkse wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 tot ongeveer 2527,4 GtCO2eq per jaar wordt beperkt; benadrukt dat de Unie, in het licht van deze bevindingen, als wereldleider moet streven naar het zo vroeg mogelijk en uiterlijk in 2050 realiseren van broeikasgasneutraliteit om een goede kans te hebben de mondiale temperatuurstijging tot 2100 te beperken tot 1,5 °C;

5. uit zijn zorgen over het UN Environment Emissions Gap Report van 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige onvoorwaardelijke nationaal bepaalde bijdragen (Nationally Determined Contributions, NDC's) de opwarmingslimiet van ruim onder 2 °C ruim overschrijden en in plaats daarvan leiden tot een geschatte temperatuursstijging van 3,2 °C[2] tegen 2100; benadrukt dat alle partijen bij het UNFCCC hun klimaatambitie dringend moeten opvoeren tegen 2020;

6. is ingenomen met de bekendmaking van de mededeling van de Commissie getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie"; steunt de doelstelling van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 en verzoekt de lidstaten om op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019 hetzelfde te doen, als onderdeel van het debat over het Europa van de toekomst;

Trajecten voor de Europese nulemissiestrategie voor het midden van de eeuw

7. merkt op dat de strategie van de EU acht trajecten omvat voor de economische, technologische en sociale transformatie die de Unie nodig heeft om te voldoen aan de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; merkt op dat slechts twee van de die trajecten ervoor zorgen dat de Unie uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit kan realiseren; benadrukt dat alle niveaus, van de lokale en regionale overheden tot de nationale en Europese overheden, met betrokkenheid van alle niet-openbare actoren, hiertoe snel actie moeten ondernemen en aanzienlijke inspanningen moeten leveren; erkent dat regionaal en lokaal bepaalde bijdragen belangrijke instrumenten kunnen zijn om de tekortkoming ten aanzien van de uitstootreductie te overbruggen; herinnert eraan dat de lidstaten op grond van de Verordening governance van de energie-unie verplicht zijn om nationale langetermijnstrategieën vast te stellen[3]; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan duidelijke streefdoelen en beleidslijnen voor de korte en lange termijn in te voeren die stroken met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en investeringssteun te bieden voor broeikasgasneutrale trajecten;

8. benadrukt dat de eerste categorie trajecten die in de strategie werden voorgesteld, gericht is op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen met slechts zo'n 80 % tegen 2050, ten opzichte van het niveau van 1990; merkt met bezorgdheid op dat deze ambitie het laagste niveau vertegenwoordigt om de opwarming van de aarde onder 2 °C te houden en derhalve niet in overeenstemming is met de doelstelling van Parijs om deze ruim onder de 2 °C te houden, noch met de verdere doelstelling deze onder 1,5 °C te houden;

9. wijst erop dat het bbp van de EU volgens de schattingen van de Commissie bij nulemissiescenario's naar verwachting sterker zal stijgen dan bij scenario's met beperktere emissiereducties, waarbij de effecten in beide gevallen ongelijk over de EU verdeeld zullen zijn vanwege verschillen tussen de lidstaten, onder meer met betrekking tot het bbp per hoofd van de bevolking en de koolstofintensiteit van de energiemix; is van mening dat niet-handelen veruit het duurste scenario zou zijn en niet alleen zou leiden tot een massaal bbp-verlies in Europa, maar ook tot een verdere toename van de economische ongelijkheid tussen en binnen de lidstaten en regio's, aangezien sommigen naar verwachting harder zullen worden getroffen dan anderen door de gevolgen van niet-handelen;

10. merkt met bezorgdheid op dat de EU thans voor ongeveer 55 % afhankelijk is van ingevoerde energie; benadrukt dat bij een nulemissiescenario deze afhankelijkheid tegen 2050 zou afnemen tot 20 %, wat positieve gevolgen zou hebben voor de handelsbalans en geopolitieke situatie van de EU; merkt op dat de cumulatieve besparingen op de invoer van fossiele brandstoffen tussen 2031 en 2050 ongeveer 2 tot 3 biljoen EUR zouden bedragen, wat zou kunnen worden uitgegeven voor andere prioriteiten van de Europese burger;

11. benadrukt dat minder luchtvervuiling bij het nulemissiescenario zou leiden tot een afname van vroegtijdige sterfte als gevolg van fijne deeltjes met meer dan 40 %; merkt op dat de gezondheidsschade in een dergelijk scenario met ongeveer 200 miljard EUR per jaar zou afnemen;

12. is ingenomen met de opname van twee trajecten die gericht zijn op het bereiken van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 en met de steun van de Commissie voor deze trajecten, en is van mening dat de doelstelling voor het midden van deze eeuw de enige doelstelling is die verenigbaar is met de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs; betreurt het dat in de strategie geen trajecten werden overwogen waarmee vóór 2050 broeikasgasneutraliteit wordt gerealiseerd;

13. merkt op dat deze trajecten het gebruik impliceren van een aantal technologieën voor koolstofverwijdering, onder meer door koolstofafvang en -opslag (CCS) of koolstofafvang en -gebruik (CCU) en door CO2 uit de lucht te halen, die nog op grote schaal moeten worden ingezet; is echter van mening dat de nulemissiestrategie van de EU voorrang moet geven aan directe emissiereductie en maatregelen om de natuurlijke putten en reservoirs van de EU te behouden en geschikter te maken, en alleen moet kiezen voor technologieën voor koolstofverwijdering indien er geen mogelijkheden voor directe emissiereductie voorhanden zijn; gelooft dat er tegen 2030 verdere maatregelen nodig zijn als de Unie afhankelijkheid van technologieën voor koolstofverwijdering wil vermijden die aanzienlijke risico's zouden inhouden voor ecosystemen, biodiversiteit en voedselveiligheid, zoals ook bevestigd in het verslag van de IPCC getiteld "Global Warming of 1,5 °C";

14. wijst erop dat alle trajecten voor 2050 moeten worden gebaseerd op de commerciële beschikbaarheid van belangrijke transitietechnologieën totdat de haalbaarheid van die technologieën is bewezen, rekening houdend met de uiteenlopende uitgangspunten van de lidstaten door een eerlijke transitie te ondersteunen in de meest koolstofintensieve regio's en de emissies in alle uitstotende sectoren te reduceren;

Sociale aspecten van klimaatverandering en correcte overgang

15. is verheugd dat de Commissie oordeelt dat broeikasgasneutraliteit kan worden bereikt zonder netto banenverlies en neemt met tevredenheid nota van de gedetailleerde beoordeling van de transitie in de energie-intensieve industrie; benadrukt dat, indien er correct wordt omgegaan met en wordt voorzien in passende steun voor de meest kwetsbare regio's, sectoren en burgers, een eerlijke overgang naar broeikasgasneutraliteit kan leiden tot een nettowinst van banen in de Unie – de werkgelegenheid in de gehele economie zal toenemen met 2,1 miljoen extra banen tegen 2050 bij een scenario van broeikasgasneutraliteit in vergelijking met een toename van de werkgelegenheid met 1,3 miljoen extra banen bij een scenario van een emissiereductie met 80 %; is daarom van mening dat de Commissie in het kader van het EU-vaardighedenpanorama een nieuwe vaardighedenbeoordeling moet ontwikkelen op basis van regionale gegevens over de vaardigheden die nodig zijn voor een klimaatneutraal Europa, zodat steun kan worden verleend aan de meest kwetsbare regio's, sectoren en mensen met het oog op omscholing voor hoogwaardige, toekomstbestendige banen in die regio's;

16. benadrukt dat de transitie eerlijk moet zijn voor alle delen van de samenleving; merkt op dat dit een begrip vereist van een eerlijke transitie dat negatieve en positieve gevolgen in verband met versnelde klimaatactie omvat, zoals banenverlies en nieuwe mogelijkheden op het vlak van werkgelegenheid, evenals de impact van het uitstellen van klimaatactie;

17. wijst op de talrijke gunstige neveneffecten van een klimaatneutrale samenleving voor de volksgezondheid, zowel wat betreft besparingen op de kosten van zorg en lagere lasten voor verzekerings- en gezondheidszorgstelsels als wat betreft het algemene welzijn van Europese burgers dankzij de betere biodiversiteit, minder luchtvervuiling en een verminderde blootstelling aan verontreinigende stoffen;

18. is van mening dat de klimaattransitie van Europa ecologisch, economisch en sociaal duurzaam moet zijn; benadrukt dat het, met het oog op het tot stand brengen van een politiek draagvlak bij alle burgers, belangrijk is om rekening te houden met de verdelingseffecten van beleid inzake klimaat en het koolstofvrij maken van de economie, met name voor personen met een laag inkomen; is daarom van mening dat bij al het Europese en nationale klimaatbeleid ten volle rekening moet worden gehouden met de sociale gevolgen om een maatschappelijke en ecologische transformatie in Europa te kunnen bewerkstelligen; benadrukt in dit verband dat op maat gemaakte en voldoende gefinancierde strategieën op alle niveaus moeten worden bedacht, op basis van inclusieve processen en in nauwe samenwerking met lokale en regionale overheden, vakbonden, onderwijsinstellingen, maatschappelijke organisaties en de particuliere sector, om ervoor te zorgen dat alle Europese burgers eerlijke en gelijke kansen krijgen tijdens deze overgang;

19. herinnert eraan dat ongeveer 50 tot 125 miljoen Europese burgers momenteel risico lopen op energiearmoede[4]; benadrukt dat de energietransitie personen met een laag inkomen onevenredig kan treffen en energiearmoede verder kan vergroten; erkent dat de sociale dimensie moet worden opgenomen in het energiebeleid en dat moet worden gewaarborgd dat niemand wordt vergeten; verzoekt de lidstaten om toekomstgerichte acties te ondernemen om een eerlijke energietransitie en toegang tot energie voor alle EU-burgers te waarborgen;

20. is van mening dat jongeren zich steeds meer bewust zijn van sociale en milieukwesties, zodat onze samenlevingen kunnen worden omgevormd voor een klimaatbestendige toekomst, en dat het onderwijs voor jongeren een van de doeltreffendste middelen is om de klimaatverandering tegen te gaan; wijst op de noodzaak om jongere generaties actief te betrekken bij het opbouwen van internationale, interculturele en intergenerationele relaties, die ten grondslag liggen aan de culturele verandering die de mondiale inspanningen voor een duurzamere toekomst zullen ondersteunen;

21. is verheugd over het feit dat mensen in heel Europa steeds actiever worden bij het demonstreren voor klimaatrechtvaardigheid, met name door middel van stakingen van scholieren; is ingenomen met de oproepen van deze activisten voor meer ambitie en is van mening dat nationale, regionale en lokale overheden, alsmede de EU, gehoor moeten geven aan deze oproepen;

22. benadrukt dat de inclusie en participatie van de Europese burgers essentieel is voor Europa om de broeikasgasneutraliteit uiterlijk in 2050 te kunnen realiseren; moedigt alle niveaus van nationale, regionale en lokale overheden aan om te voorzien in concrete maatregelen ter bevordering en facilitering van de participatie van burgers in de transitie naar een koolstofvrije samenleving;

Tussentijdse doelstellingen

23. erkent dat het decennium van 2020 tot 2030 het belangrijkste decennium zal zijn als de EU broeikasgasneutraliteit tegen 2050 wil realiseren; verzoekt de Commissie en de lidstaten een sterk streefdoel voor de middellange termijn voor 2030 te ondersteunen, omdat dit noodzakelijk is om investeringsstabiliteit op de markt te bewerkstelligen en om het potentieel van technologische innovatie volledig te benutten en om de mogelijkheden voor Europese bedrijven te vergroten zodat ze mondiale marktleiders kunnen worden op het gebied van koolstofarme productie;

24. benadrukt dat om op de meest kostenefficiënte manier de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 tot nul terug te brengen, het ambitieniveau van 2030 verhoogd moet worden tot en afgestemd moet worden op de scenario's voor broeikasgasneutraliteit tegen 2050; is van mening dat het van het grootste belang is dat de Unie duidelijk het signaal geeft dat ze bereid is om haar bijdrage aan de Overeenkomst van Parijs te herzien, en dit uiterlijk tegen september 2019, tijdens de VN-klimaattop in New York;

25. is voorstander van een actualisering van de NDC's van de Unie met voor de hele economie een doelstelling om de interne broeikasgasemissies tegen 2030 met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990; dringt er daarom bij de EU-leiders op aan een dergelijke verhoging van de NDC's van de Unie te ondersteunen op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019, met het oog op de VN-klimaattop in september 2019;

26. wijst op de impact die de hervorming van de EU-regeling voor de emissiehandel (ETS) heeft gehad op de prijzen van EU-emissierechten en merkt op dat het vertrouwen in de regeling is hersteld;

27. is daarom van mening dat de Commissie uiterlijk tijdens de evaluaties van 2022 en 2024 van het klimaatpakket 2030 en andere desbetreffende wetgeving, wetgevingsvoorstellen moet overleggen om het ambitieniveau te verhogen in overeenstemming met de bijgewerkte NDC's en de broeikasgasneutraliteitsdoelstelling; gelooft dat onvoldoende ambitie voor 2030 de toekomstige opties zou beperken en mogelijk de beschikbaarheid van bepaalde opties voor het kostenefficiënt koolstofvrij maken zou beperken; beschouwt deze evaluaties als een belangrijke mijlpaal in het waarborgen van de klimaatverbintenissen van de EU;

28. is van mening dat, als middel om de markten verder te stabiliseren, het ook bevorderlijk zal zijn voor de EU om voor 2040 een tussentijdse doelstelling voor de emissiereductie vast te stellen, die extra stabiliteit voorziet en ervoor kan zorgen dat de langetermijndoelstelling voor 2050 wordt gehaald;

29. is van mening dat het noodzakelijk is om de EU-strategie voor broeikasgasneutraliteit regelmatig te herzien; is van mening dat een dergelijke herziening moet worden gebaseerd op de mondiale balans, zoals uiteengezet in de Overeenkomst van Parijs, die elke vijf jaar wordt opgemaakt, en rekening moet worden gehouden met technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, evenals met de input van niet-overheidsactoren en het Europees Parlement;

Sectorale bijdrage

30. benadrukt dat in alle economische sectoren, die zonder uitzondering moeten bijdragen aan de collectieve inspanningen tot vermindering van de emissies, de netto-uitstoot tot bijna nul zal moeten worden teruggebracht; verzoekt de Commissie derhalve om trajecten op weg naar klimaatneutraliteit voor alle sectoren te ontwikkelen; beklemtoont in dit verband het belang van het vervuiler betaalt-beginsel;

31. benadrukt het belang van een geïntegreerde, sectoroverschrijdende benadering om de inspanningen voor het koolstofvrij maken van het gehele energiesysteem en andere aanverwante sectoren te bevorderen en de vruchten te plukken van een grotere efficiëntie; erkent dat de integratie van het energiesysteem kan zorgen voor meer flexibiliteit, een efficiënter systeem, meer gebruik van hernieuwbare energieën op alle energiedragers en uiteindelijk een kosteneffectieve energietransitie;

32. benadrukt de rol van energie-intensieve sectoren bij de verwezenlijking van de EU-reducties van de broeikasgasuitstoot op de lange termijn; is van mening dat de handhaving van het leiderschap en de productie van de EU op het gebied van koolstofarme industrie, de instandhouding van het concurrentievermogen van de Europese industrie, alsook het voorkomen van koolstoflekkage intelligente en doelgerichte beleidskaders vergen; verzoekt de Commissie een nieuwe en geïntegreerde industriële EU-klimaatstrategie voor te stellen voor energie-intensieve sectoren, ter ondersteuning van een concurrerende transitie naar CO2-neutraliteit van de zware industrie;

33. roept de Commissie op om een industriële strategie te ontwikkelen op basis van maatregelen die de Europese industrie in staat te stellen om wereldwijd op een gelijk speelveld te concurreren; is van mening dat de Commissie in het kader van dit beleid de doeltreffendheid en verenigbaarheid met de regels van de Wereldhandelsorganisatie moet onderzoeken van de aanvullende maatregelen ter bescherming van sectoren die het risico op koolstoflekkage lopen in verband met de invoer van producten, waardoor bestaande maatregelen tegen koolstoflekkage kunnen worden vervangen, bijgesteld of aangevuld;

34. herinnert eraan dat, doordat de EU de eerste grote economie is die voor klimaatneutraliteit kiest, Europese bedrijven zullen kunnen profiteren van de voordelen van de voortrekkersrol op internationale markten en wereldleider kunnen worden op het gebied van duurzame en hulpbronnenefficiënte productie; benadrukt dat een vertraagd of ontoereikend optreden om uiterlijk in 2050 te zorgen voor broeikasgasneutraliteit zal leiden tot ecologisch, economisch en sociaal ongerechtvaardigde kosten en het toekomstige concurrentievermogen van de industriële sector van Europa effectief zal schaden;

35. merkt op dat een aantal opkomende markten zich positioneert om een belangrijke rol te spelen bij het voorzien in de behoeften van de mondiale markt tijdens de transitie naar een CO2-neutrale economie, bijvoorbeeld ten aanzien van emissievrij vervoer en hernieuwbare energie; benadrukt dat de EU de leidende economie moet blijven op het gebied van groene innovatie en investeringen in groene technologie;

36. merkt op dat in het verslag van de Commissie van 2018 over energieprijzen en -kosten in Europa wordt gewezen op de voortdurende hoge blootstelling van de EU aan volatiele en stijgende fossielebrandstofprijzen en dat de toekomstige productieprijzen voor elektriciteit naar verwachting zullen stijgen voor elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen en zullen dalen voor hernieuwbare bronnen; wijst erop dat de kosten voor de invoer van energie in de EU in 2017 met 26 % zijn gestegen naar 266 miljard EUR, voornamelijk vanwege de stijgende olieprijzen; merkt op dat in het verslag wordt geschat dat de stijging van de olieprijs een negatieve impact heeft gehad op de groei in de EU (in 2017 daalde het bbp met 0,4 %) en op de inflatie (+0,6);

37. wijst op het belang van innovatie ten aanzien van een breed scala van technologieën en moedigt deze aan teneinde de economie koolstofvrij te maken, zoals emissievrij vervoer, de circulaire economie en de bio-economie;

38. herinnert eraan dat 71 % van alle energie uitsluitend wordt gebruikt voor het verwarmen van ruimten; is het eens met de Commissie dat energie-efficiënte huizen de norm zullen worden in een klimaatneutrale EU, waarbij wordt gezorgd voor een betere gezondheid en meer comfort voor alle Europeanen;

39. verzoekt om de harmonisatie van de koolstof- en energieprijzen in de EU, ter ondersteuning van de transitie naar een CO2-neutrale economie, met name voor sectoren die niet vallen onder de EU-ETS;

40. wijst op de centrale rol van hernieuwbare energiebronnen in de transitie naar een broeikasgasneutrale economie, aangezien energie momenteel verantwoordelijk is voor 75 % van de uitstoot van broeikasgassen in Europa;

41. is van mening dat technologische ontwikkelingen en oplossingen, energie-efficiëntie aan zowel de vraag- als aanbodzijde, duurzame hernieuwbare energie in de vervoers-, gebouwen-, verwarmings- en koelings-, en elektriciteitssector en de beginselen van de circulaire economie allemaal van cruciaal belang zijn om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen; onderstreept in dit opzicht het belang van technologiespecifieke strategieën;

42. benadrukt dat emissies van industriële processen op veel grotere schaal moeten worden aangepakt; merkt op dat de reductie van de CO2-uitstoot van de industrie volgens het speciaal rapport van het IPCC met als titel "Global Warming of 1.5 °C" 65 tot 90 % lager moet zijn in 2050 ten opzichte van 2010, en dat dergelijke reducties slechts kunnen worden gerealiseerd door nieuwe en bestaande technologieën, waaronder koolstofafvang, -gebruik (CCU) en -opslag (CCS), te combineren;

43. vraagt om een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energie gebaseerd energiesysteem; vraagt de Commissie en de lidstaten om in dit verband alle nodige maatregelen te nemen, aangezien dit overloopeffecten zal hebben voor alle economische sectoren; benadrukt dat alle trajecten moeten leiden tot een uiterlijk tegen 2050 volledig koolstofvrije energiesector, een drastische vermindering van fossiele brandstoffen en een sterke toename van hernieuwbare energie;

44. benadrukt de bijdrage van energie-efficiëntie aan voorzieningszekerheid, economisch concurrentievermogen, milieubescherming, lagere energiefacturen en kwalitatievere woningen; bevestigt de belangrijke rol van energie-efficiëntie bij het creëren van zakelijke kansen en werkgelegenheid, evenals de wereldwijde en regionale voordelen ervan; herinnert in dit verband eraan dat het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" werd ingevoerd door de verordening inzake de governance van de energie-unie en dat dit beginsel moet worden toegepast in de gehele energieketen en moet worden beschouwd als een basis voor trajecten naar broeikasgasneutraliteit in 2050;

45. erkent de rol die aan CCS wordt toebedeeld in de meeste scenario's voor een beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5° C in het speciaal rapport van het IPCC; benadrukt dat de EU op dit gebied meer ambitie moet tonen; merkt daarnaast de door de lidstaten in het kader van het strategische plan voor energietechnologie (SET-plan) vastgestelde streefdoelen op om CCS vanaf 2020 op commerciële schaal toe te passen in de Europese energie- en industriële sector; acht het noodzakelijk dat het gebruik van milieuvriendelijke CCU en CCS in industriële processen moet toenemen aangezien dit een nettoreductie van de uitstoot tot stand brengt door de vermijding of permanente opslag van CO2; merkt met bezorgdheid op dat veel CCU-technologieën momenteel geen permanente vermindering van de uitstoot opleveren; verzoekt de Commissie daarom technische criteria te ontwikkelen waarmee gewaarborgd wordt dat uitsluitend steun wordt gegeven aan technologieën die aantoonbare resultaten opleveren;

46. onderstreept dat de richtlijn ecologisch ontwerp[5] aanzienlijk heeft bijgedragen tot de klimaatstreefdoelen van de EU, door de uitstoot van broeikasgassen met 320 miljoen ton CO2-equivalent per jaar te reduceren en dat consumenten in de EU naar schatting tegen 2020 in totaal tot 112 miljard EUR, ongeveer 490 EUR per huishouden, per jaar zullen besparen als gevolg van de richtlijn; verzoekt om de regulering van aanvullende producten in het kader van de richtlijn ecologisch ontwerp, waaronder tablets en smartphones, en om de voortdurende actualisering van bestaande normen teneinde de technologische ontwikkelingen te weerspiegelen;

47. wijst erop dat de elektrificatie van de gebouwen- en vervoerssector en de industrie een belangrijke rol zal spelen bij het reduceren van de uitstoot van deze sectoren en een enorme elektriciteitsvoorziening zal vereisen; wijst in dit verband op het belang van beleid dat de energiesector in staat stelt voldoende en betrouwbare koolstofneutrale elektriciteit te leveren voor een concurrerende prijs; dringt er bij de Commissie op aan alle belanghebbenden samen te brengen om deze transitie mogelijk te maken;

48. beklemtoont de noodzaak om de energie-unie en het pakket schone energie zonder uitstel ten uitvoer te leggen en te zorgen voor de verdere integratie van de Europese energiemarkt om de energiesector zo effectief mogelijk koolstofvrij te maken, om investeringen daar te faciliteren waar de meeste hernieuwbare energie kan worden opgewekt en om de actieve deelname van burgers te bevorderen, teneinde de energietransitie naar een koolstofneutrale en duurzame economie te versnellen; vindt het uiterst belangrijk om het niveau van interconnectiviteit tussen de lidstaten te verhogen door meer grensoverschrijdende steunregelingen aan te moedigen;

49. wijst erop dat de strategie bevestigt dat de broeikasgasemissies in de vervoerssector nog steeds stijgen en dat het huidige beleid niet zal volstaan om de vervoerssector tegen 2050 koolstofvrij te maken; wijst erop dat het belangrijk is een verschuiving te waarborgen van lucht- naar treinvervoer en naar openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit; merkt op dat het wegvervoer verantwoordelijk is voor ongeveer een vijfde van de totale uitstoot van koolstofdioxide in de EU; roept de lidstaten en de Commissie dan ook op resolute maatregelen te nemen om voertuigen met geen of heel weinig uitstoot in alle lidstaten voor consumenten toegankelijk te maken en tegelijkertijd te voorkomen dat er in de lidstaten met een lager inkomen meer oude, sterk vervuilende voertuigen in het verkeer terechtkomen; onderstreept daarnaast de rol van slimme technologieën, zoals slimme oplaadinfrastructuur, bij het zorgen voor synergieën tussen de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

50. onderstreept dat alle sectoren, met inbegrip van de internationale lucht- en scheepvaart, moeten bijdragen om de klimaatneutraliteit van de gehele EU-economie te kunnen verwezenlijken; merkt op dat uit de analyse van de Commissie blijkt dat de huidige mondiale streefcijfers en maatregelen waarin de IMO (de Internationale Maritieme Organisatie) en de ICAO (de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie) voorzien de noodzakelijke emissiereducties niet behalen, zelfs niet wanneer zij volledig ten uitvoer worden gelegd, en dat verdere aanzienlijke actie nodig is die in overeenstemming is met de doelstelling van broeikasgasneutraliteit voor de hele economie; wijst op de noodzaak van investeringen in koolstofvrije en -arme technologieën en brandstoffen in deze sectoren; verzoekt de Commissie het vervuiler betaalt-beginsel in deze sectoren in de praktijk te brengen, met name ten aanzien van de kerosinebelasting en ticketprijzen in de luchtvaart; herinnert eraan dat de uitstoot van broeikasgassen door de internationale scheepvaart tegen 2050 naar verwachting met 250 % zal stijgen; is verheugd over het feit dat de internationale scheepvaartsector een absoluut reductiestreefcijfer voor broeikasgasemissies voor zichzelf heeft vastgesteld; neemt met bezorgdheid nota van het gebrek aan vooruitgang ten aanzien van de omzetting van dit streefcijfer in korte- en middellangetermijnmaatregelen en andere concrete acties;

51. verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een Europese spooragenda voor te stellen, met een kader voor het wegnemen van belemmeringen voor de snelle verwezenlijking van een interoperabel hogesnelheidsspoorwegnet in de EU en het mobiliseren van meer investeringen in hogesnelheidsverbindingen op het spoor;

52. merkt op dat ongeveer 60 % van de huidige uitstoot van methaan wereldwijd wordt uitgestoten door bronnen zoals de landbouw, stortplaatsen en afvalwater en de productie en het vervoer via pijpleidingen van fossiele brandstoffen; herinnert eraan dat methaan een sterk broeikasgas is, met een opwarmingsvermogen over een periode van honderd jaar dat 28 keer hoger is dan dat van CO2[6] en dat reducties van de uitstoot van methaan ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het beperken van de ozonconcentraties op grondniveau en de negatieve gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit en de menselijke gezondheid; is verheugd over de intentie van de Commissie om de uitstoot van methaan in de betrokken sectoren te reduceren, wat de ozonconcentraties in de EU verder kan beperken, en om op internationaal niveau reductie van de methaanuitstoot te bevorderen;

53. merkt op dat de EU-bouwsector momenteel verantwoordelijk is voor 40 % van het Europese eindverbruik van energie en voor 36 % van de CO2-uitstoot van de EU[7]; verzoekt om het benutten van het potentieel van de sector voor energiebesparingen en om de beperking van de koolstofvoetafdruk in overeenstemming met de doelstelling in de richtlijn energieprestatie van gebouwen[8] van het verwezenlijken van een zeer energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tegen 2050; benadrukt dat het efficiënter maken van het energieverbruik in gebouwen een aanzienlijk potentieel biedt voor een verdere reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa; is daarnaast van mening dat het zorgen voor energiezuinige gebouwen, die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energie, een sine qua non is voor de Overeenkomst van Parijs en voor een EU-agenda voor groei, lokale werkgelegenheid en betere leefomstandigheden voor burgers in heel Europa;

54. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie zo spoedig mogelijk beleidsopties te verkennen om de uitstoot van methaan snel aan te pakken als onderdeel van een strategisch plan voor methaan van de Unie, en daartoe wetgevingsvoorstellen in te dienen bij het Parlement en de Raad; onderstreept dat de landbouw in 2050 een van de belangrijkste resterende bronnen van broeikasgasemissies in de EU zal zijn, met name als gevolg van de uitstoot van methaan en distikstofoxide. onderstreept het potentieel van de landbouwsector om de uitdagingen van de klimaatverandering aan te pakken, bijvoorbeeld door middel van ecologische en technologische innovaties en door middel van de afvang van koolstof in bodems;

55. onderstreept de rol van energie-intensieve sectoren, als actoren en als ondersteuners van de transitie; verzoekt de Commissie een industrieel transformatiekader voor de EU te ontwikkelen om investeringen in de ontwikkeling van koolstofarme technologieën en producten aan te trekken en om de noodzakelijke industriële proefprojecten voor baanbrekende technologieën op commerciële schaal mogelijk te maken;

56. vraagt om een gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dat bijdraagt tot reductie van de broeikasgasuitstoot, in overeenstemming met de transitie naar een klimaatneutrale economie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het landbouwbeleid, en met name de EU- en nationale fondsen, in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

57. wijst op de noodzaak om de klimaatambitie op te nemen in al het EU-beleid, met inbegrip van het handelsbeleid; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle handelsovereenkomsten die door de EU worden ondertekend volledig in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs, aangezien dit niet alleen de mondiale actie op het vlak van klimaatverandering zou versterken, maar ook een gelijk speelveld voor de desbetreffende sectoren zou waarborgen;

58. benadrukt dat de EU de rol en inspanningen van regio's, steden en gemeenten moet bevorderen; verzoekt de Commissie voort te bouwen op de werkzaamheden van het EU-Burgemeestersconvenant, die 200 miljoen Europese burgers vertegenwoordigt, en hem in staat te stellen een hefboomfunctie te vervullen voor een verdere transitie;

59. betreurt het dat de mogelijkheid om de EU-actie op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen te versterken niet is opgenomen in de strategie van de Commissie; wijst erop dat het voorkomen van de illegale handel in fluorkoolwaterstof door middel van de goedkeuring van een vergunningenregeling voor fluorkoolwaterstof, het verbieden van het gebruik van fluorkoolwaterstof in sectoren die deze stof niet langer nodig hebben, het toewijzen van rechten voor fluorkoolwaterstof door middel van een veilingsysteem, en de volledige uitvoering van de verordening inzake gefluoreerde broeikasgassen[9] door al het onnodige gebruik van SF6 te verbieden, duidelijke mogelijkheden zijn om de EU te helpen haar doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs te behalen;

Maximalisatie van het klimaatpotentieel van bossen in het kader van een duurzame bio-economie

60. ondersteunt actief en duurzaam bosbeheer op nationaal niveau, samen met concrete middelen om een efficiënte en duurzame bio-economie van de EU te stimuleren, gezien het aanzienlijke potentieel van bossen om bij te dragen aan de versterking van de Europese klimaatinspanningen (door middel van vastlegging, opslag en vervanging) en het behalen van de doelstelling van nulemissies uiterlijk tegen 2050; erkent de noodzaak van aanpassing aan de klimaatverandering en de noodzaak om de achteruitgang van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de EU tegen 2020 tot staan te brengen; beklemtoont de noodzaak empirisch onderbouwd beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan de uitvoering en financiering van de maatregelen van de EU voor de instandhouding van de biodiversiteit;

61. wijst op de behoefte om duurzaam bosbeheer commercieel concurrerender te maken en om praktische maatregelen met aanzienlijke opslag- en vastlegeffecten te ondersteunen, zoals het gebruik van hout als bouwmateriaal zowel in steden als in plattelandsgebieden, ter vervanging van fossiele brandstoffen en als instrument voor het beter vasthouden van water;

62. beveelt aan aanzienlijke inspanningen te richten op boslandbouw en de zeer echte voordelen die hiermee kunnen worden behaald, op het gebied van het milieu en de biodiversiteit, bij de opname van bomen en diverse vegetatie in gebruikte landbouwgrond;

63. erkent het positieve, maar uiteindelijk beperkte potentieel voor bebossing in Europa; is daarom van mening dat bebossingsinitiatieven moeten worden aangevuld met concrete initiatieven en stimulansen die als doel hebben het potentieel voor koolstofvastlegging te verbeteren en tegelijkertijd de gezondheid van bestaande bosgebieden te waarborgen en te verbeteren, teneinde aan het klimaat, de duurzame bio-economie en de biodiversiteit een positieve bijdrage te leveren; steunt derhalve de bebossing van verlaten en marginaal productieve landbouwgrond, boslandbouw en het beperken van de omvorming van bosgebieden voor andersoortig landgebruik;

64. wijst erop dat de maatregelen en het beleid van de EU ook gevolgen hebben voor natuurlijke putten, land en bossen buiten Europa en dat de EU-strategie voor broeikasgasneutraliteit schadelijke klimaateffecten van EU-optreden in derde landen moet voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband te pleiten voor robuuste internationale regels in het kader van het regelboek van Parijs, en met name in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van bebossingsmaatregelen te voorkomen die de mondiale klimaatinspanningen zouden kunnen afzwakken;

65. is van mening dat in de langetermijnstrategie onvoldoende aandacht wordt besteed aan de sectoren van de primaire productie van de economie en dat bosbouw- en landbouwsectoren en de respectieve gemeenschappen worden geconfronteerd met een onevenredig hoog risico op negatieve gevolgen van de klimaatverandering; beveelt aan in de strategie een duidelijke indicatie op te nemen van het traject dat deze sectoren moeten doorlopen om hun veerkracht te doen toenemen, de risicopreventie te verbeteren en de ecosystemen en ecosysteemdiensten waarvan de economie afhankelijk is, in stand te houden;

66. benadrukt dat bossen en waterrijke gebieden, als natuurlijke instrumenten voor het verwijderen van koolstof, zo goed mogelijk moeten worden beschermd en hersteld;

67. wijst erop dat meer koolstof in de bodem wordt vastgehouden dan in de biosfeer en atmosfeer samen; onderstreept derhalve het belang van het stoppen van bodemdegradatie in de EU en van het waarborgen van gemeenschappelijk EU-optreden om de kwaliteit van bodems en hun capaciteit om koolstof op te slaan in stand te houden en te verbeteren;

68. benadrukt dat boslandbouw van het totale technische potentieel van de praktijken voor een betere koolstofvastlegging van landbouwgrond in de EU het grootste potentieel heeft[10];

69. wijst op de rol van houtproducten met een lange levensduur en de rol hiervan in de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) tegen 2030; benadrukt dat de bijdrage van deze producten, en niet alleen producten uit beheerde bossen en bebost land, maar ook uit de categorie landbouwgrond, in het toekomstige kader in aanmerking moet worden genomen;

70. wijst op het belang van het stroomlijnen van landbouwmodellen die landbouwsystemen ondersteunen die bestand zijn tegen extreem weer en plagen en die zorgen voor verbeteringen van de koolstofvastlegging van bodems, het vasthouden van water en agrobiodiversiteit;

Financiering en onderzoek

71. dringt aan op snelle invoering van het EU-ETS innovatiefonds en op het uitschrijven van de eerste oproep tot het indienen van voorstellen in 2019, teneinde een impuls te geven aan de demonstratie van baanbrekende koolstofarme industriële technologieën in een groot aantal sectoren, niet alleen op het gebied van elektriciteitsproductie, maar ook bij stadsverwarming en industriële processen; roept ertoe op het meerjarig financieel kader 2021-2027 en de bijbehorende programma's geheel in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs vorm te geven;

72. is van mening dat als de Unie uiterlijk tegen 2050 CO2-neutraliteit wil bereiken, er aanzienlijke particuliere investeringen moeten worden gedaan; gelooft dat hiervoor planning op lange termijn, stabiele regelgeving en voorspelbaarheid voor investeerders nodig zijn en dat toekomstige EU-regelgeving hiermee derhalve op gepaste wijze rekening moet houden; benadrukt daarom dat de uitvoering van het actieplan voor duurzame financiering, dat werd aangenomen in maart 2018, prioriteit moet krijgen, en dat er onder andere werk moet worden gemaakt van een ijking van de kapitaalvereisten van banken en een prudentiële behandeling van activa met een hoge koolstofuitstoot, prudentiële regels voor verzekeringsmaatschappijen en een bijwerking van de plichten van institutionele beleggers en vermogensbeheerders;

73. is van mening dat het MFK 2021-2027 vóór goedkeuring ervan moet worden geëvalueerd in het licht van de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale economie tot stand te brengen en dat een standaardtest moet worden vastgesteld om te waarborgen dat de uitgaven in het kader van de EU-begroting klimaatbestendig zijn;

74. merkt op dat in de EU-strategie inzake bosbouw het beleid inzake plattelandsontwikkeling van het GLB wordt gezien als belangrijkste bron voor de bescherming en het duurzame beheer van de EU-bossen en dat in de strategie inzake de bio-economie de rol van het GLB bij het ondersteunen van de bio-economie, zowel financieel als door grondstoffen te leveren, wordt benadrukt;

75. betreurt het feit dat subsidies voor fossiele brandstoffen nog steeds toenemen en rond 55 miljard EUR per jaar belopen; verzoekt de EU en de lidstaten[11] onmiddellijk te beginnen met het geleidelijk afschaffen van alle Europese en nationale subsidies voor fossiele brandstoffen;

76. benadrukt hoe belangrijk de creatie van een Fonds voor een eerlijke transitie is, met name voor de meest door de decarbonisatie getroffen gebieden, onder meer in mijngebieden, in combinatie met een algemene inachtneming van de sociale aspecten in de bestaande klimaatfinanciering; wijst er in dit verband op dat de langetermijnstrategie een breed publiek draagvlak moet hebben met het oog op de noodzakelijke transformaties in sommige sectoren;

77. onderstreept dat klimaatmainstreaming volledig moet worden geïntegreerd in onderzoeks- en innovatieonderwerpen en in alle stadia van de onderzoekscyclus moet worden toegepast als een van de beginselen van de EU-financiering;

De rol van de consumenten en de circulaire economie

78. wijst op de aanzienlijke effecten van gedragsverandering bij het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen, waaronder in het hele voedselsysteem, de vervoerssector en in het bijzonder de luchtvaartsector; roept de Commissie op om zo spoedig mogelijk de beschikbare beleidsopties te onderzoeken, waaronder de heffing van milieubelastingen, om deze gedragsveranderingen te stimuleren; onderstreept het belang van bottom-upinitiatieven zoals het Burgemeestersconvenant bij het bevorderen van gedragsverandering;

79. merkt op dat uit de statistieken van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN blijkt dat de totale consumptie van vlees en dierlijke producten per persoon in de EU-28 sinds de jaren negentig is gedaald en dat het ondersteunen van deze aanhoudende tendens, in combinatie met technische mitigatiemaatregelen aan de aanbodzijde, de emissies van de landbouwproductie aanzienlijk kan verminderen;

80. benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU niet alleen overschakelt op een andere energiegrondstof, maar, in dezelfde mate, ook op andere producten/materialen, d.w.z. dat zij producten en materialen die zijn gebaseerd op fossiele grondstoffen of tijdens de productie een hoge uitstoot veroorzaken vervangt door producten op basis van hernieuwbare bronnen;

81. onderstreept dat een zeer groot deel van het energieverbruik en dus de uitstoot van broeikasgassen rechtstreeks verband houdt met de verwerving, de verwerking, het vervoer, de conversie, het gebruik en de verwijdering van hulpbronnen; benadrukt dat er in elke fase van hulpbronnenbeheer zeer grote besparingen mogelijk zijn; benadrukt daarom dat het vergroten van de hulpbronnenproductiviteit door verbeterde efficiëntie en het verminderen van hulpbronnenverspilling door middel van maatregelen zoals hergebruik, recycling en herproductie zowel het gebruik van hulpbronnen als de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk kunnen verlagen en tegelijk het concurrentievermogen verbeteren en zakelijke kansen en banen scheppen; onderstreept de kostenefficiëntie van maatregelen in het kader van de circulaire economie; onderstreept dat een verbeterde hulpbronnenefficiëntie en een aanpak gebaseerd op de circulaire economie alsmede circulair productontwerp bijdragen aan een verandering in productie- en consumptiepatronen en de verkleining van de afvalberg;

82. benadrukt het belang van productbeleid, zoals groene overheidsopdrachten en ecologisch ontwerp, dat aanzienlijk kan bijdragen tot energiebesparingen en tot een kleinere koolstofvoetafdruk van producten, en dat tegelijkertijd de materiaalvoetafdruk en de algemene milieueffecten van die producten verbetert; benadrukt dat er vereisten moeten worden vastgesteld op het gebied van circulaire economie als onderdeel van de EU-normen inzake ecologisch ontwerp en dat de huidige methodologie inzake ecologisch ontwerp moet worden uitgebreid naar andere productcategorieën naast energiegerelateerde producten;

83. merkt op dat het welslagen van de transitie naar een klimaatneutraal Europa zal afhangen van de participatie en de inzet van de burgers, hetgeen kan worden gefaciliteerd door energie-efficiëntie en hernieuwbare energie ter plaatse of door nabijgelegen hernieuwbare technologieën;

84. is van mening dat er moet blijven worden gewerkt aan een betrouwbaar model voor het meten van de klimaateffecten op basis van consumptie; neemt kennis van het feit dat uit de diepgaande analyse op basis van de bestaande modellen blijkt dat de inspanningen van de EU om de uitstoot van haar productie te verminderen op de een of andere manier worden afgevlakt door de invoer van goederen met een hogere koolstofvoetafdruk; wijst uitdrukkelijk op de conclusie dat de EU tegen 2016 reeds fors had bijgedragen tot de vermindering van emissies in andere landen door de toegenomen handelsstroom en de verbeterde koolstofefficiëntie van haar uitvoer;

De EU en wereldwijde klimaatactie

85. onderstreept het belang om meer initiatieven te nemen en een duurzame dialoog te voeren op desbetreffende internationale fora, en een effectieve klimaatdiplomatie aan de dag te leggen om een impuls te geven aan soortgelijke beleidsbeslissingen ter versterking van de klimaatambities in andere regio’s en derde landen; roept de EU op haar eigen klimaatfinanciering te verhogen en de lidstaten actief aan te moedigen hun klimaatsteun (ontwikkelingshulp in plaats van leningen) in derde landen te verhogen, als aanvulling op de overzeese ontwikkelingshulp en niet als één financiering voor zowel ontwikkelings- als klimaatfinancieringshulp;

86. betreurt dat veel andere grote economieën nog niet bezig zijn met de uitwerking van 2050-strategieën en dat zij zo goed als geen discussies voeren over het verhogen van de nationaal vastgestelde bijdragen om deze in overeenstemming te brengen met het mondiale streefdoel van de Overeenkomst van Parijs; vraagt de Raad en de Commissie daarom de klimaatdiplomatie op te voeren en andere passende maatregelen te nemen om andere grote economieën aan te moedigen, zodat we samen de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs kunnen bereiken;

87. wijst op het belang van sterke diplomatie en sterk leiderschap van de EU op het gebied van klimaat en energie teneinde de mondiale en multilaterale samenwerking en de ambitie in de strijd tegen klimaatverandering en voor duurzame ontwikkeling te versterken; roept de Commissie en de lidstaten op te pleiten voor gemeenschappelijke kaders en maatregelen binnen VN-fora;

88. benadrukt dat de klimaattop van de Verenigde Naties van september 2019 voor de leiders het ideale moment is om een verhoogde ambitie van de NDC's aan te kondigen; is van mening dat de EU ruim van tevoren een standpunt moet innemen over de bijwerking van haar NDC's, zodat zij goed voorbereid en in nauwe samenwerking met een internationale coalitie van partijen op de top kan ijveren voor een verhoogde klimaatambitie;

89. benadrukt de verdienste om de interoperabiliteit tussen de beleidsinstrumenten van de EU en gelijkwaardige instrumenten van derde landen, met name de koolstofprijsbepalingsmechanismen, te versterken; roept de Commissie op om de samenwerking en steun voor de ontwikkeling van koolstofprijsbepalingsmechanismen buiten Europa voort te zetten en te intensiveren om tot verdere emissiereducties te komen en wereldwijd bij te dragen aan de totstandkoming van een gelijk speelveld; benadrukt dat het belangrijk is milieuwaarborgen vast te stellen om een daadwerkelijke en aanvullende vermindering van broeikasgassen te garanderen; roept de Commissie derhalve op te pleiten voor strikte en krachtige internationale regels met betrekking tot artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs om lacunes in het tellen of dubbeltellingen van emissiereducties te voorkomen;

°

° °

90. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0430.

[2] UNEP, "The Emissions Gap Report 2018", blz. 10.

[3] Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

[4] http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/563472/IPOL_STU(2015)563472_EN.pdf

[5] Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

[6] Van Dingenen, R., Crippa, M., Maenhout, G., Guizzardi, D., Dentener, F., Global trends of methane emissions and their impacts on ozone concentrations, EUR 29394 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2018, ISBN 978-92-79-96550-0, doi:10.2760/820175, JRC113210.

[7] https://ec.europa.eu/energy/en/topics/energy-efficiency/buildings

[8] Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).

[9] Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

[10] Joris Aertsens, Leo De Nocker, Anne Gobin, 2011: Valuing the carbon sequestration potential for European agriculture.

[11] Energieprijzen en -kosten in Europa, COM(2019) 0001 final, blz. 10-11.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling