Procedure : 2019/2582(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0195/2019

Ingediende teksten :

B8-0195/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0217

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0195/2019</NoDocSe>
PDF 182kWORD 67k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de klimaatverandering</Titre>

<DocRef>(2019/2582(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Eleonora Evi, Dario Tamburrano, Rosa D'Amato, Isabella Adinolfi, Piernicola Pedicini</Depute>

<Commission>{EFDD}namens de EFDD-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0195/2019

B8‑0195/2019

Resolutie van het Europees Parlement over klimaatverandering

(2019/2582(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld "Een schone planeet voor iedereen - Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie" (COM(2018)0773),

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

 gezien de 24e Conferentie van de partijen (COP24) bij het UNFCCC, de 14e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP14) en het derde deel van de 1e sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA1.3), die van 2 t/m 14 december 2018 in Katowice, Polen, hebben plaatsgevonden,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie van 2018 in Katowice, Polen (COP24)[1],

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 maart 2018,

 gezien het speciaal verslag van Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) getiteld "Global Warming of 1,5 °C", het vijfde evaluatierapport (AR5) en het samenvattend verslag,

 gezien de negende editie van het UN Environment Emissions Gap Report, aangenomen op 27 november 2018,

 gezien de vragen met verzoek om mondeling antwoord aan de Raad en de Commissie over de strategie voor langetermijnreductie van de broeikasgasuitstoot van de EU in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs (O-000008/2019 – B8‑0000/2019 en O-000007/2019 – B8‑0000/2019),

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COP24 in Katowice resulteerde in de goedkeuring van het regelboek van Katowice, dat zorgt voor juridische duidelijkheid bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

1. benadrukt dat de Europese burgers reeds worden geconfronteerd met rechtstreekse gevolgen van de klimaatverandering; onderstreept dat volgens het Europees Milieuagentschap de gemiddelde jaarlijkse verliezen ten gevolge van extreme weers- en klimaatgerelateerde omstandigheden in de Unie tussen 2010 en 2016 ongeveer 12,8 miljard EUR bedroegen, en dat indien geen verdere maatregelen worden genomen, de klimaatschade in de EU tegen 2080 zou kunnen oplopen tot ten minste 190 miljard EUR, wat overeenkomt met een nettoverlies aan welvaart van 1,8 % van het huidige bbp; benadrukt dat in een scenario met een hoge uitstoot de jaarlijkse kosten in verband met overstromingen in de EU tegen 2100 kunnen oplopen tot 1 biljoen EUR en dat door het weer veroorzaakte rampen tegen 2100 ongeveer twee derde van de Europese burgers kunnen treffen, ten opzichte van de huidige 5 %; benadrukt verder dat volgens het Europees Milieuagentschap 50 % van de bevolkte gebieden in de EU tegen 2030 zullen lijden onder een ernstige waterschaarste;

2. herinnert aan de resultaten van de Eurobarometer van november 2018, waaruit blijkt dat 93 % van de Europeanen gelooft dat de klimaatverandering wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten en dat 85 % het ermee eens is dat de bestrijding van de klimaatverandering en een efficiënter gebruik van energie kunnen resulteren in economische groei en werkgelegenheid in Europa; merkt op dat de klimaatverandering een hoge prioriteit heeft onder de mensen in Europa;

3. onderstreept dat het speciaal verslag van het IPCC over de opwarming van de aarde van 1,5 C de meest uitgebreide en actuele wetenschappelijke beoordeling is van de met de Overeenkomst van Parijs overeenstemmende mitigatietrajecten;

4. benadrukt dat volgens het speciaal verslag van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, met of zonder een beperkte overschrijding, ertoe leidt dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd uiterlijk in 2067 tot nul moet zijn teruggebracht en dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 tot maximaal 2527,4 GtCO2eq per jaar wordt beperkt; benadrukt in het licht van deze bevindingen dat de Unie, als een wereldleider en om een goede kans te hebben de mondiale temperatuurstijging tot 2100 te beperken tot 1,5 °C, moet streven naar het zo vroeg mogelijk en uiterlijk in 2050 realiseren van broeikasgasneutraliteit;

5. uit zijn zorgen over het UN Environment Emissions Gap Report van 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige onvoorwaardelijke nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) de opwarmingslimiet van ver onder 2 °C ruim overschrijden en in plaats daarvan leiden tot een geschatte temperatuurstijging van 3,2 °C[2] tegen 2100; benadrukt de dringende noodzaak dat alle partijen bij het UNFCCC hun klimaatambitie uiterlijk in 2020 verhogen;

6. is ingenomen met de publicatie van de mededeling van de Commissie getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie", waarin de kansen en de uitdagingen die de overgang naar een broeikasgasneutrale economie met zich meebrengt voor Europese burgers en de economie van Europa worden benadrukt, en waarin de basis wordt gelegd voor een breed debat met EU-instellingen, nationale parlementen, het bedrijfsleven, niet-gouvernementele organisaties, steden en gemeenschappen, alsook met burgers;

7. onderschrijft de doelstelling om tegen 2050 te zorgen voor broeikasgasneutraliteit en dringt er bij de lidstaten op aan om een strategie overeen te komen om deze doelstelling te behalen als onderdeel van het debat over de toekomst van Europa op de speciale EU-top die in mei 2019 in Sibiu zal plaatsvinden; verzoekt de lidstaten om zich te verbinden aan de ambitie die nodig is om dit doel te bereiken;

8. is van mening dat Europa een toonaangevende rol kan spelen bij het streven naar klimaatneutraliteit door te investeren in innovatieve technologische oplossingen, burgers meer zeggenschap te geven, maatregelen op essentiële gebieden zoals energie, industrieel beleid en onderzoek op elkaar af te stemmen, en tegelijkertijd een sociaal rechtvaardige en eerlijke transitie te waarborgen;

9. kan zich vinden in de door de Commissie vastgestelde strategische gebieden waarop gezamenlijke maatregelen genomen moeten worden, en ondersteunt energie-efficiëntie, de inzet van hernieuwbare energie en het mondiale concurrentievermogen van de Europese industrie;

10. onderstreept het belang van de uiteenlopende klimaatmaatregelen en -wetgeving die in de verschillende beleidssectoren zijn ingevoerd, maar waarschuwt dat een versnipperde aanpak tot inconsistenties kan leiden en de Europese transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen vóór 2050 kan belemmeren; pleit daarom voor een allesomvattende aanpak;

Trajecten voor de Europese nulemissiestrategie voor het midden van de eeuw

11. merkt op dat de EU-strategie voor CO2-neutraliteit acht trajecten omvat voor de economische, technologische en sociale transformatie die de Unie nodig heeft om te voldoen aan de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; merkt op dat met slechts twee van deze trajecten de broeikasgasneutraliteit in de Unie uiterlijk tegen 2050 kan worden gerealiseerd; benadrukt dat dit vraagt om snelle actie en aanzienlijke inspanningen op alle niveaus, van lokaal en regionaal tot nationaal en Europees, en om de betrokkenheid van alle niet-overheidsactoren; erkent dat regionaal en lokaal bepaalde bijdragen belangrijke instrumenten kunnen zijn om de tekortkoming ten aanzien van de uitstootreductie te overbruggen; herinnert aan de verplichting van de lidstaten om nationale langetermijnstrategieën vast te stellen, zoals vastgelegd in de governanceverordening[3]; verzoekt de lidstaten dan ook om duidelijke streefcijfers en beleidslijnen voor op de korte en de lange termijn vast te stellen die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en om investeringssteun te verlenen voor CO2-neutraliteitstrajecten;

12. benadrukt dat de eerste categorie trajecten die in de strategie is opgenomen gericht is op het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen met slechts zo'n 80 % tegen 2050, ten opzichte van het niveau van 1990; merkt met bezorgdheid op dat deze ambitie zich in de onderste marge bevindt als het erom gaat de opwarming van de aarde onder 2 °C te houden en derhalve niet in overeenstemming is met de doelstelling van Parijs om deze tot ruim onder de 2 °C te beperken, noch met de verdere doelstelling deze onder 1,5 °C te houden;

13. benadrukt dat de overgang naar schone energie nog steeds de modernisering van de Europese economie in de hand moet werken, moet zorgen voor duurzame economische groei en de Europese burgers maatschappelijke en milieuvoordelen moet bieden; wijst erop dat, volgens de ramingen van de Commissie, het bbp van de EU naar verwachting meer zal stijgen bij nulemissiescenario's dan bij scenario's met kleinere emissiereducties, waarbij in beide gevallen de effecten onevenredig over de EU worden gespreid als gevolg van de verschillen tussen de lidstaten, onder andere op het gebied van bbp per inwoner en de koolstofintensiviteit van de energiemix; is van mening dat niet-handelen veruit het duurste scenario zou zijn en niet alleen zou leiden tot een massaal bbp-verlies in Europa, maar ook tot een verdere toename van de economische ongelijkheid tussen en binnen de lidstaten en regio's, aangezien sommigen naar verwachting harder zullen worden getroffen dan anderen door de gevolgen van niet-handelen;

14. merkt met bezorgdheid op dat de EU thans voor ongeveer 55 % afhankelijk is van ingevoerde energie; benadrukt dat bij een nulemissiescenario deze afhankelijkheid tegen 2050 zou afnemen tot 20 %, wat positieve gevolgen zou hebben voor de handelsbalans en geopolitieke situatie van de EU; merkt op dat de cumulatieve besparingen op de invoer van fossiele brandstoffen tussen 2031 en 2050 ongeveer 2 tot 3 biljoen EUR zouden bedragen, wat zou kunnen worden uitgegeven voor andere prioriteiten van de Europese burger;

15. benadrukt dat minder luchtvervuiling bij het nulemissiescenario zou leiden tot een afname van vroegtijdige sterfte als gevolg van fijne deeltjes met meer dan 40 %; merkt op dat de gezondheidsschade in een dergelijk scenario met ongeveer 200 miljard EUR per jaar zou afnemen;

16. is ingenomen met de opname van twee trajecten die zijn gericht op het bereiken van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 en de steun van de Commissie voor deze trajecten, en is van mening dat de doelstelling voor het midden van deze eeuw de enige doelstelling is die verenigbaar is met de verbintenissen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs; betreurt het feit dat in de strategie geen trajecten werden overwogen aan de hand waarvan voor 2050 broeikasgasneutraliteit wordt gerealiseerd;

17. merkt op dat deze trajecten gepaard gaan met het gebruik van een aantal technologieën voor koolstofverwijdering, onder meer door koolstofafvang en -opslag of gebruik en door CO2 uit de lucht te halen, die nog op grote schaal moeten worden ingezet; is echter van mening dat er in de EU-strategie voor CO2-neutraliteit prioriteit moet worden verleend aan directe emissiereductie en acties voor het behoud en vergroten van de natuurlijke putten en reservoirs en dat ermee alleen naar het gebruik van technologieën voor koolstofverwijdering moet worden gestreefd indien er geen directe opties emissiereductie beschikbaar zijn; gelooft dat er tegen 2030 verdere maatregelen nodig zijn als de Unie afhankelijkheid van technologieën voor koolstofverwijdering wil vermijden die aanzienlijke risico's zouden inhouden voor ecosystemen, biodiversiteit en voedselveiligheid, zoals ook bevestigd in het verslag van de IPCC getiteld "Global Warming of 1,5 °C";

18. merkt met bezorgdheid op dat fossiele brandstoffen in geen enkel scenario volledig worden uitgesloten van de stroommix;

Sociale aspecten van klimaatverandering en correcte overgang

19. is verheugd dat de Commissie vaststelt dat broeikasgasneutraliteit kan worden bereikt zonder netto banenverlies en neemt met tevredenheid nota van de gedetailleerde beoordeling van de transitie in de energie-intensieve industrieën; benadrukt dat, indien er correct wordt omgegaan met en wordt voorzien in passende steun voor de meest kwetsbare regio's, sectoren en burgers, een eerlijke overgang naar broeikasgasneutraliteit kan leiden tot een nettowinst van banen in de Unie – de werkgelegenheid in de gehele economie zal toenemen met 2,1 miljoen banen tegen 2050 bij een scenario van broeikasgasneutraliteit in vergelijking met een toename van de werkgelegenheid met 1,3 miljoen banen bij een scenario van een emissiereductie met 80 %; is derhalve van mening dat de Commissie een vernieuwd bekwaamheidsonderzoek in het kader van het EU-vaardigheidspanorama moet ontwikkelen, met regionale gegevens over de vaardigheden die nodig zijn voor een klimaatneutraal Europa, om een eerlijke transitie voor de EU-burger te waarborgen en om de meest kwetsbare regio's te ondersteunen, van wie de economieën afhankelijk zijn van activiteiten die verband houden met sectoren of technologieën waarvan wordt verwacht dat ze zullen krimpen of moeten worden hervormd, en om mensen te steunen bij omscholing voor hoogwaardige toekomstbestendige banen in dezelfde regio's;

20. benadrukt dat de transitie eerlijk moet zijn voor alle delen van de samenleving; merkt op dat dit een begrip vereist van een eerlijke transitie dat negatieve en positieve gevolgen in verband met versnelde klimaatactie omvat, zoals banenverlies en nieuwe mogelijkheden op het vlak van werkgelegenheid, evenals de impact van het uitstellen van klimaatactie;

21. wijst op de talrijke gunstige neveneffecten van een klimaatneutrale samenleving voor de volksgezondheid, zowel wat betreft besparingen op de zorgkosten en een minder zware last voor verzekerings- en gezondheidszorgstelsels als wat betreft het algemene welzijn van Europese burgers dankzij de betere biodiversiteit, minder luchtvervuiling en een verminderde blootstelling aan verontreinigende stoffen;

22. gelooft dat de klimaattransitie van Europa ecologisch, economisch en sociaal duurzaam moet zijn; benadrukt dat, om politiek draagvlak bij alle burgers te waarborgen, het belangrijk is om rekening te houden met de verdelingsgevolgen van klimaatgerelateerd en decarbonisatiebeleid, met name voor mensen met een laag inkomen; is derhalve van mening dat er volledig rekening moet worden gehouden met de sociale gevolgen in al het nationale klimaatbeleid en dat van de EU, met als doel de waarborging van een sociale en ecologische transformatie in Europa; benadrukt in dit opzicht dat op maat gemaakte en voldoende gefinancierde strategieën op alle niveaus moeten worden bedacht, op basis van inclusieve processen en in nauwe samenwerking met lokale en regionale overheden, vakbonden, onderwijsinstellingen, maatschappelijke organisaties en de particuliere sector, om ervoor te zorgen dat alle Europese burgers eerlijke en gelijke kansen krijgen tijdens deze overgang;

23. herinnert eraan dat ongeveer 50 tot 125 miljoen Europese burgers momenteel risico lopen op energiearmoede[4]; wijst erop dat de energietransitie een onevenredig effect kan hebben op mensen met een laag inkomen en energiearmoede verder kan doen toenemen; erkent dat er een sociale dimensie moet worden opgenomen in het energiebeleid en dat moet worden gewaarborgd dat niemand wordt vergeten; roept de lidstaten ertoe op toekomstgerichte actie te ondernemen om te zorgen voor een eerlijke energietransitie en toegang tot energie voor alle EU-burgers;

24. is van mening dat jongeren zich steeds sterker bewust zijn van sociale en milieukwesties, zodat onze samenlevingen kunnen worden omgevormd met het oog op een klimaatbestendige toekomst, en dat onderwijs voor jongeren een van de doeltreffendste middelen is om de klimaatverandering tegen te gaan; wijst op de noodzaak om jongere generaties actief te betrekken bij het opbouwen van internationale, interculturele en intergenerationele relaties, die ten grondslag liggen aan de culturele verandering die mondiale inspanningen voor een duurzamere toekomst zullen ondersteunen;

25. is verheugd over het feit dat mensen in heel Europa steeds actiever worden bij het demonstreren voor klimaatrechtvaardigheid, met name door middel van stakingen van scholieren; is ingenomen met de oproepen van deze activisten voor meer ambitie en is van mening dat nationale, regionale en lokale overheden, alsmede de EU, gehoor moeten geven aan deze oproepen;

26. benadrukt dat inclusie en participatie van de Europese burgers essentieel is om de broeikasgasneutraliteit in Europa uiterlijk tegen 2050 te kunnen realiseren; verzoekt alle niveaus van nationale, regionale en lokale overheden om concrete maatregelen te nemen om de participatie van burgers te bevorderen en te vergemakkelijken, evenals de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van de energietransitie naar een klimaatneutrale economie;

Tussentijdse doelstellingen

27. erkent dat het decennium van 2020 tot 2030 het belangrijkste decennium is als de EU de CO2-neutraliteit tegen 2050 wil realiseren; verzoekt de Commissie en de lidstaten een krachtig streefcijfer voor op de middellange termijn voor 2030 te ondersteunen, aangezien dit noodzakelijk is om voldoende investeringsstabiliteit op de markt te brengen, om het potentieel van technologische innovatie volledig te benutten en om de kansen voor Europese bedrijven te vergoten om wereldmarktleider te worden op het gebied van uitstootarme productie;

28. benadrukt dat om op de meest kostenefficiënte manier de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 tot nul terug te brengen, het ambitieniveau van 2030 verhoogd moet worden tot en afgestemd moet worden op de scenario's voor broeikasgasneutraliteit tegen 2050; is van mening dat het van het grootste belang is dat de Unie duidelijk het signaal geeft dat ze bereid is om haar bijdrage aan de Overeenkomst van Parijs te herzien, en dit uiterlijk tegen september 2019, tijdens de VN-klimaattop in New York;

29. is voorstander van een actualisering van de NDC's van de Unie met voor de hele economie een doelstelling om de interne broeikasgasemissies tegen 2030 met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990; dringt er daarom bij de EU-leiders op aan een verhoging van de NDC van de Unie dienovereenkomstig te ondersteunen op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019, met het oog op de VN-klimaattop in september 2019;

30. is derhalve van mening dat de Commissie uiterlijk tijdens de herzieningen in 2022-2024 van het klimaatpakket van 2030 en andere relevante wetgeving, met wetgevende voorstellen moet komen waarin het ambitieniveau wordt verhoogd overeenkomstig de geactualiseerde NDC en het streefcijfer voor de klimaatneutraliteit; gelooft dat onvoldoende ambitie voor 2030 de toekomstige opties zou beperken, waaronder mogelijkerwijs de beschikbaarheid van bepaalde opties voor het kostenefficiënt koolstofvrij maken; beschouwt deze evaluaties als een belangrijke mijlpaal om de klimaatverbintenissen van de EU te waarborgen;

31. is van mening dat, als middel om de markten verder te stabiliseren, het ook bevorderlijk zal zijn voor de EU om voor 2040 een tussentijdse doelstelling voor de emissiereductie vast te stellen, die extra stabiliteit voorziet en ervoor kan zorgen dat de langetermijndoelstelling voor 2050 wordt gehaald;

32. is van mening dat het noodzakelijk is de EU-strategie voor CO2-neutraliteit regelmatig te herzien; is van mening dat deze herziening moet worden gebaseerd op de mondiale balans, zoals uiteengezet in de Overeenkomst van Parijs, die elke vijf jaar wordt opgemaakt, en rekening moet worden gehouden met technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, evenals met de input van niet-overheidsactoren en het Europees Parlement;

Sectorale bijdrage

33. benadrukt dat in alle economische sectoren, die zonder uitzondering moeten bijdragen aan de collectieve inspanningen tot vermindering van de emissies, de netto-uitstoot tot bijna nul zal moeten worden teruggebracht; verzoekt de Commissie derhalve om trajecten op weg naar klimaatneutraliteit voor alle sectoren te ontwikkelen; beklemtoont in dit verband het belang van het vervuiler betaalt-beginsel;

34. benadrukt de belangrijke rol die energie vervult bij de transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen;

35. benadrukt dat het belangrijk is een geïntegreerde, sectoroverschrijdende benadering vast te stellen, om inspanningen op het gebied van decarbonisatie in het gehele energiesysteem en andere aanverwante sectoren te stimuleren en te profiteren van de toegenomen efficiëntie; erkent dat de integratie van energiesystemen kan zorgen voor meer flexibiliteit, een efficiënter systeem, meer gebruik van hernieuwbare energieën op alle energiedragers en uiteindelijk een kosteneffectieve energietransitie;

36. benadrukt dat de rol van de energie-intensieve sectoren bij de verwezenlijking van EU-reducties van de broeikasgasuitstoot op de lange termijn; is van mening dat het behouden van het koolstofarm industrieel leiderschap van de EU en de industriële productie in de EU, het in stand houden van het concurrentievermogen van Europese sectoren en het voorkomen van het risico op koolstoflekkage slimme en gerichte beleidskaders noodzakelijk maken; verzoekt de Commissie een nieuwe en geïntegreerde industriële EU-klimaatstrategie voor te stellen voor energie-intensieve sectoren, ter ondersteuning van een concurrerende transitie naar CO2-neutraliteit van de zware industrie;

37. herhaalt dat de transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen de EU voor uitdagingen en kansen stelt, en dat investeringen in industriële innovatie, waaronder digitale technologieën, en schone technologie nodig zijn om de welvaart te stimuleren, het concurrentievermogen te versterken, vaardigheden voor de toekomst te bevorderen en talloze banen te creëren, bijvoorbeeld in de groeiende circulaire economie en de bio-economie;

38. verzoekt de Commissie een industriële strategie te ontwikkelen met daarin maatregelen die de Europese industrie in staat stellen wereldwijd op gelijke voet te concurreren; is van mening dat de Commissie, als deel van dit beleid, de doeltreffendheid van en de verenigbaarheid met regels van de Wereldhandelsorganisatie van aanvullende maatregelen moet onderzoeken, om sectoren die risico lopen op koolstoflekkage te beschermen met betrekking tot de invoer van producten, waarmee bestaande maatregelen tegen koolstoflekkage zouden worden vervangen, aangepast of aangevuld;

39. is van mening dat economische bloei, mondiale industriële concurrentie en klimaatbeleid elkaar onderling versterken; herinnert eraan dat, doordat de EU de eerste grote economie is die voor klimaatneutraliteit kiest, Europese bedrijven zullen kunnen profiteren van de voordelen van de voortrekkersrol op internationale markten en wereldleider kunnen worden op het gebied van duurzame en hulpbronnenefficiënte productie; benadrukt dat een vertraagd of ontoereikend optreden om uiterlijk in 2050 te zorgen voor broeikasgasneutraliteit zal leiden tot ecologisch, economisch en sociaal ongerechtvaardigde kosten en het toekomstige concurrentievermogen van de industriële sector van Europa effectief zal schaden;

40. merkt op dat een aantal opkomende markten zich positioneert om een belangrijke rol te spelen bij het voorzien in de behoeften van de mondiale markt tijdens de transitie naar een CO2-neutrale economie, bijvoorbeeld ten aanzien van emissievrij vervoer en hernieuwbare energie; benadrukt dat de EU de leidende economie moet blijven op het gebied van groene innovatie en investeringen in groene technologie; is ervan overtuigd dat als de EU leiderschap toont op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie dit de rest van de wereld laat zien dat een overgang naar schone energie mogelijk is en naast de strijd tegen klimaatverandering ook andere voordelen oplevert;

41. merkt op dat in het verslag van de Commissie van 2018 over energieprijzen en -kosten in Europa wordt gewezen op de voortdurende hoge blootstelling van de EU aan volatiele en stijgende fossielebrandstofprijzen en dat de toekomstige productieprijzen voor elektriciteit naar verwachting zullen stijgen voor elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen en zullen dalen voor hernieuwbare bronnen; wijst erop dat de kosten voor de invoer van energie in de EU in 2017 met 26 % zijn gestegen naar 266 miljard EUR, voornamelijk vanwege de stijgende olieprijzen; merkt op dat in het verslag wordt geschat dat de stijging van de olieprijs een negatieve impact heeft gehad op de groei in de EU (in 2017 daalde het bbp met 0,4 %) en op de inflatie (+ 0,6);

42. herinnert eraan dat 71 % van alle energie uitsluitend wordt gebruikt voor het verwarmen van ruimten; is het eens met de Commissie dat energie-efficiënte huizen de norm zullen worden in een klimaatneutrale EU, waarbij wordt gezorgd voor een betere gezondheid en meer comfort voor alle Europeanen;

43. roept op tot de vaststelling van een EU-regeling of -mechanisme waarmee wordt beoogd koolstofneutrale producten duidelijk te markeren en te bevorderen, waarin de huidige pijlers van het huidige EU-beleidskader voor klimaat en energie worden geïntegreerd;

44. is van mening dat technologische ontwikkelingen en oplossingen, energie-efficiëntie aan zowel de vraag- als aanbodzijde, duurzame hernieuwbare energie in de vervoers-, gebouwen-, verwarmings- en koelings-, en elektriciteitssector en de beginselen van de circulaire economie allemaal van cruciaal belang zijn om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen; onderstreept in dit opzicht het belang van technologiespecifieke strategieën;

45. benadrukt dat emissies van industriële processen op veel grotere schaal moeten worden aangepakt; wijst erop dat volgens het speciaal verslag van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C, de industrie haar koolstofemissies tegen 2050 met 65-90 % moet verminderen ten opzichte van 2010;

46. vraagt om een zeer energie-efficiënt en op 100 % hernieuwbare energie gebaseerd energiesysteem en vraagt de Commissie en de lidstaten om in dit verband alle nodige maatregelen te nemen, aangezien dit overloopeffecten zal hebben voor alle economische sectoren; benadrukt dat alle trajecten moeten leiden tot een tegen uiterlijk 2050 volledig koolstofvrije energiesector, een drastische vermindering van fossiele brandstoffen en een sterke toename van hernieuwbare energie;

47. benadrukt de bijdrage die door middel van energie-efficiëntie wordt geleverd aan de voorzieningszekerheid, het economisch concurrentievermogen, milieubescherming, de verlaging van energierekeningen en de verbetering van de kwaliteit van huizen; bevestigt de belangrijke rol van energie-efficiënte bij het scheppen van bedrijfsmogelijkheden en werkgelegenheid, evenals de mondiale en regionale voordelen ervan; herinnert in dit verband aan de invoering van het beginsel "energie-efficiëntie eerst" in het kader van de governanceverordening, en dat de toepassing ervan volledig moet worden geëxploiteerd in de gehele energieketen en moet worden beschouwd als de basis voor alle trajecten op weg naar het streefcijfer voor de neutraliteit van 2050;

48. erkent de rol van koolstofafvang en -opslag (CCS) bij de reductie van netto-emissies, zoals is uiteengezet in de meeste 1,5 °C-scenario's in het speciaal verslag van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C, evenals de noodzaak om het inzetten van milieuveilige technologieën voor koolstofafvang en -gebruik (CCU) en CCS-technologieën om een nettoreductie van emissies te realiseren, verder te onderzoeken, en het vermijden of de permanente opslag van CO2-emissies in industriële processen; merkt met bezorgdheid op dat veel CCU-technologieën momenteel geen permanente emissiereducties opleveren; verzoekt de Commissie dan ook om technische criteria op te stellen, waardoor alleen steun wordt gegarandeerd aan die technologieën die verifieerbare resultaten opleveren;

49. onderstreept dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp[5] aanzienlijk heeft bijgedragen tot de klimaatstreefdoelen van de EU, door de uitstoot van broeikasgassen met 320 miljoen ton CO2-equivalent per jaar te reduceren en dat consumenten in de EU naar schatting tegen 2020 in totaal tot 112 miljard EUR, oftewel ongeveer 490 EUR per huishouden, per jaar zullen besparen als gevolg van de richtlijn; verzoekt om de regulering van aanvullende producten in het kader van de richtlijn ecologisch ontwerp, waaronder tablets en smartphones, en om de voortdurende actualisering van bestaande normen teneinde technologische ontwikkelingen te weerspiegelen;

50. wijst erop dat de uitstoot en de milieueffecten van de bouw-, industriële- en vervoerssector alleen doeltreffend kunnen worden verlaagd door de elektrificatie ervan als de daaropvolgende toegenomen vraag naar elektriciteit wordt gedekt door een overeenkomstige toename van de hernieuwbare-energiecapaciteit;

51. beklemtoont de noodzaak om de energie-unie en het pakket schone energie zonder uitstel ten uitvoer te leggen en te zorgen voor de verdere integratie van de Europese energiemarkt om de energiesector zo effectief mogelijk koolstofvrij te maken, om investeringen daar te faciliteren waar de meeste hernieuwbare energie kan worden opgewekt en om de actieve deelname van burgers te bevorderen, teneinde de energietransitie naar een koolstofneutrale en duurzame economie te versnellen;

52. benadrukt dat de betrokkenheid van burgers bij het energiesysteem door middel van gedecentraliseerde zelfopwekking van hernieuwbare energie, de opslag van elektriciteit en participatie in vraagrespons- en energie-efficiëntieregelingen cruciaal is bij de transitie naar broeikasgasneutraliteit; pleit dan ook voor de volledige integratie van actieve betrokkenheid van de burgers bij het emissiereductietraject, met name aan de vraagzijde;

53. wijst erop dat de strategie bevestigt dat de broeikasgasemissies in de vervoerssector nog steeds stijgen en dat het huidige beleid niet zal volstaan om de vervoerssector tegen 2050 koolstofvrij te maken; wijst erop dat het belangrijk is een verschuiving te waarborgen van lucht- naar treinvervoer en naar openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit; merkt op dat het wegvervoer verantwoordelijk is voor ongeveer een vijfde van de totale uitstoot van koolstofdioxide in de EU; roept de lidstaten en de Commissie er dan ook toe op om beslissende stappen te zetten om de toegang tot emissiearme of bijna emissievrije voertuigen voor consumenten in alle lidstaten mogelijk te maken, en tegelijkertijd een toegenomen gebruik van oude, zeer verontreinigende voertuigen in lidstaten met een laag inkomen te vermijden; onderstreept daarnaast de rol van slimme technologieën, zoals slimme oplaadinfrastructuur, bij het zorgen voor synergieën tussen de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

54. onderstreept dat alle sectoren, met inbegrip van de internationale lucht- en scheepvaart, moeten bijdragen om de klimaatneutraliteit van de gehele EU-economie te kunnen verwezenlijken; merkt op dat uit de analyse van de Commissie blijkt dat de huidige mondiale streefcijfers en maatregelen waarin door de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie is voorzien de noodzakelijke emissiereducties niet behalen, zelfs niet wanneer zij volledig ten uitvoer worden gelegd, en dat aanzienlijke verdere actie nodig is die in overeenstemming is met de doelstelling van CO2-neutraliteit voor de hele economie; wijst op de noodzaak van investeringen in koolstofvrije en -arme technologieën en brandstoffen in deze sectoren; verzoekt de Commissie het vervuiler betaalt-beginsel in deze sectoren in de praktijk te brengen, met name ten aanzien van de kerosinebelasting en ticketprijzen in de luchtvaart; herinnert eraan dat de uitstoot van broeikasgassen door de internationale scheepvaart tegen 2050 naar verwachting met 250 % zal stijgen; is verheugd over het feit dat de internationale scheepvaartsector een absoluut reductiestreefcijfer voor broeikasgasemissies voor zichzelf heeft vastgesteld; neemt met bezorgdheid nota van het gebrek aan vooruitgang ten aanzien van de omzetting van dit streefcijfer in korte- en middellangetermijnmaatregelen en andere concrete acties;

55. merkt op dat ongeveer 60 % van de huidige wereldwijde uitstoot van methaan wordt uitgestoten door bronnen zoals de landbouw, stortplaatsen en afvalwater en de productie en het vervoer via pijpleidingen van fossiele brandstoffen; herinnert eraan dat methaan een sterk broeikasgas is, met een opwarmingsvermogen over een periode van honderd jaar dat 28 keer hoger is dan dat van CO2[6] en dat reducties van de uitstoot van methaan ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het beperken van de ozonconcentraties op grondniveau en de negatieve gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit en de menselijke gezondheid; is verheugd over de intentie van de Commissie om de uitstoot van methaan in de betrokken sectoren te reduceren, wat de ozonconcentraties in de EU verder kan beperken, en om op internationaal niveau reductie van de methaanuitstoot te bevorderen;

56. merkt op dat de gebouwensector van de EU momenteel verantwoordelijk is voor 40 % van het Europese eindenergieverbruik en voor 36 % van haar CO2-uitstoot[7]; verzoekt om het benutten van het potentieel van de sector voor energiebesparingen en om de beperking van de koolstofvoetafdruk in overeenstemming met de doelstelling in de richtlijn energieprestatie van gebouwen[8] van het verwezenlijken van een zeer energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tegen 2050; benadrukt dat het efficiënter maken van het energieverbruik in gebouwen een aanzienlijk potentieel in zich draagt voor een verdere reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa; is daarnaast van mening dat het zorgen voor energiezuinige gebouwen, die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energie, een sine qua non is voor de Overeenkomst van Parijs en voor een EU-agenda voor groei, lokale werkgelegenheid en betere leefomstandigheden voor burgers in heel Europa;

57. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie zo spoedig mogelijk beleidsopties te verkennen om de uitstoot van methaan snel aan te pakken als onderdeel van een strategisch plan voor methaan van de Unie, en daartoe wetgevingsvoorstellen in te dienen bij het Parlement en de Raad; benadrukt dat de landbouw een van de belangrijkste resterende bronnen van broeikasgasemissies is en dit in toenemende mate zal blijven in de Unie in 2050, vanwege met name methaan en stikstofoxide, net als emissies van indirecte veranderingen van landgebruik; onderstreept het potentieel van de landbouwsector om de uitdagingen van de klimaatverandering aan te pakken, bijvoorbeeld door middel van ecologische en technologische innovaties en door middel van de afvang van koolstof in de bodem;  

58. vraagt om een gemeenschappelijk landbouwbeleid dat bijdraagt tot reducties van de broeikasgasuitstoot, in overeenstemming met de transitie naar een klimaatneutrale economie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het landbouwbeleid, en met name de EU- en nationale fondsen, in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

59. wijst op de noodzaak om de klimaatambitie op te nemen in al het EU-beleid, met inbegrip van het handelsbeleid; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle handelsovereenkomsten die door de EU worden ondertekend volledig in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs, aangezien dit niet alleen de mondiale actie op het vlak van klimaatverandering zou versterken, maar ook een gelijk speelveld voor de desbetreffende sectoren zou waarborgen;

60. benadrukt dat de EU de rol en inspanningen van regio's, steden en gemeenten moet bevorderen; verzoekt de Commissie voort te bouwen op de werkzaamheden van het EU-Burgemeestersconvenant, dat 200 miljoen Europese burgers vertegenwoordigt, en het in staat te stellen een hefboomfunctie te vervullen voor een verdere transitie;

61. betreurt het dat de mogelijkheid om de EU-actie op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen te versterken niet is opgenomen in de strategie van de Commissie; wijst erop dat het voorkomen van de illegale handel in fluorkoolwaterstof door middel van de goedkeuring van een vergunningsregeling voor fluorkoolwaterstof, het verbieden van het gebruik van fluorkoolwaterstof in sectoren die deze stof niet langer nodig hebben, het toewijzen van rechten voor fluorkoolwaterstof door middel van een veilingssysteem, en de volledige uitvoering van de verordening inzake gefluoreerde broeikasgassen[9] door al het onnodige gebruik van SF6 te verbieden, duidelijke mogelijkheden zijn om de EU te helpen haar doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs te behalen;

Maximalisatie van het klimaatpotentieel van bossen in het kader van een duurzame bio-economie

62. ondersteunt duurzaam bosbeheer op nationaal niveau, samen met concrete middelen om een efficiënte en duurzame bio-economie van de EU te stimuleren, gezien het aanzienlijke potentieel van bossen om bij te dragen aan de versterking van de Europese klimaatinspanningen (door middel van vastlegging, opslag en vervanging) en het behalen van de doelstelling van nulemissies tegen uiterlijk 2050; erkent de noodzaak van de aanpassing aan de klimaatverandering en om de achteruitgang van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de EU tegen 2020 tot staan te brengen; benadrukt de noodzaak van de ontwikkeling van op feiten gebaseerd beleid waarmee wordt bijgedragen aan de tenuitvoerlegging en de financiering van passende maatregelen van de EU voor het behoud van de biodiversiteit;

63. beveelt aan aanzienlijke inspanningen te richten op boslandbouw en de zeer echte voordelen die hiermee kunnen worden behaald, op het gebied van het milieu en de biodiversiteit, door middel van de opname van bomen en diverse vegetatie in gebruikte landbouwgrond;

64. erkent het positieve maar uiteindelijk beperkte , potentieel voor bebossing in Europa; is daarom van mening dat bebossingsinitiatieven moeten worden aangevuld met concrete initiatieven en stimulansen die als doel hebben het potentieel voor koolstofvastlegging te verbeteren en tegelijkertijd de gezondheid van bestaande bosgebieden te waarborgen en te verbeteren, teneinde aan het klimaat, de duurzame bio-economie en de biodiversiteit een positieve bijdrage te leveren; steunt derhalve de bebossing van verlaten en marginaal productieve landbouwgrond, boslandbouw en het beperken van de omvorming van bosgebieden voor andersoortig landgebruik;

65. wijst erop dat de maatregelen en het beleid van de EU ook gevolgen hebben voor natuurlijke putten, land en bossen buiten Europa en dat er aan de hand van de EU-strategie voor CO2-neutraliteit voor moet worden gezorgd dat het EU-optreden geen schadelijke klimaateffecten in derde landen tot gevolg heeft; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband te pleiten voor robuuste internationale regels in het kader van het regelboek van Parijs, en met name in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van bebossingsmaatregelen te voorkomen die de mondiale klimaatinspanningen zouden kunnen afzwakken;

66. is van mening dat in de langetermijnstrategie onvoldoende aandacht wordt besteed aan de sectoren van de primaire productie van de economie en dat bosbouw- en landbouwsectoren en de respectieve gemeenschappen ervan worden geconfronteerd met een onevenredig hoog risico op negatieve gevolgen van de klimaatverandering; beveelt aan in de strategie een duidelijke indicatie op te nemen van het traject dat deze sectoren moeten doorlopen om hun veerkracht te doen toenemen, de risicopreventie te verbeteren en de ecosystemen en ecosysteemdiensten hiervan waarvan de economie afhankelijk is, in stand te houden;

67. benadrukt de noodzaak van de bescherming en het herstel van bossen en waterrijke gebieden, als natuurlijke instrumenten voor het verwijderen van koolstof, te maximaliseren;

68. wijst op het feit dat meer koolstof in bodems wordt vastgehouden dan in de biosfeer en atmosfeer samen; onderstreept derhalve het belang van het stoppen van bodemdegradatie in de EU en van het waarborgen van gemeenschappelijk EU-optreden om de kwaliteit van bodems en hun capaciteit om koolstof op te slaan in stand te houden en te verbeteren;

69. benadrukt dat landbosbouw van het totale technische potentieel van de praktijken voor een betere koolstofvastlegging van landbouwgrond in de EU het grootste potentieel heeft[10];

70. wijst op de rol van houtproducten met een lange levensduur en de rol hiervan in de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) tot 2030; benadrukt dat de bijdrage van deze producten, en niet alleen producten uit beheerde bossen en bebost land, maar ook uit de categorie landbouwgrond, in het toekomstige kader in aanmerking moet worden genomen;

71. wijst op het belang van het stroomlijnen van landbouwmodellen waarmee landbouwsystemen worden ondersteun die bestand zijn tegen extreem weer en plagen en die zorgen voor verbeteringen van de koolstofvastlegging van bodems, het vasthouden van water en agrobiodiversiteit;

Financiering en onderzoek

72. roept op tot een snelle tenuitvoerlegging van het EU-ETS-innovatiefonds en tot de start van de eerste oproep tot het indienen van voorstellen in 2019, om investeringen in de demonstratie van baanbrekende koolstofarme industriële technologieën te stimuleren in een brede waaier van sectoren, niet alleen de elektriciteitsproductie, maar ook stadsverwarming en industriële processen; pleit ervoor dat het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 en zijn programma's volledig in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs;

73. wijst erop dat er vergeleken met de huidige stand van zaken aanzienlijk meer moet worden geïnvesteerd in het energiesysteem van de EU en de betrokken infrastructuur, d.w.z. tussen de 175 en 290 miljard EUR per jaar, wil de EU een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen tot stand brengen; onderstreept dat een stabiel en voorspelbaar energie- en klimaatbeleidskader cruciaal is voor het broodnodige vertrouwen van beleggers en om Europese industrieën in staat te stellen investeringsbeslissingen voor de lange termijn in Europa te nemen; benadrukt daarom dat de uitvoering van het actieplan voor duurzame financiering, dat werd aangenomen in maart 2018, prioriteit moet krijgen, en dat er onder andere werk moet worden gemaakt van een ijking van de kapitaalvereisten van banken en een prudentiële behandeling van activa met een hoge koolstofuitstoot, prudentiële regels voor verzekeringsmaatschappijen en een bijwerking van de plichten van institutionele beleggers en vermogensbeheerders;

74. is van mening dat het MFK 2021-2027 voor de goedkeuring ervan moet worden geëvalueerd in het licht van de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale economie tot stand te brengen en dat een er standaardtest om voor klimaatbestendige uitgaven in het kader van de EU-begroting te zorgen, moet worden vastgesteld;

75. merkt op dat in de EU-strategie inzake bosbouw het beleid inzake plattelandsontwikkeling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) wordt gezien als belangrijkste bron voor de bescherming en het duurzame beheer van de EU-bossen en dat in de strategie inzake de bio-economie de rol van het GLB bij het ondersteunen van de bio-economie, zowel financieel als door grondstoffen te leveren, wordt benadrukt;

76. betreurt het feit dat subsidies voor fossiele brandstoffen nog steeds toenemen en rond 55 miljard EUR per jaar belopen; verzoekt de EU en de lidstaten[11] onmiddellijk te beginnen met het geleidelijk afschaffen van alle Europese en nationale subsidies voor fossiele brandstoffen;

77. benadrukt hoe belangrijk de creatie van een Fonds voor een eerlijke transitie is, met name voor de gebieden die het meest getroffen worden door maatregelen voor het koolstofvrij maken van de economie, zoals in steenkoolgebieden, in combinatie met dat er in het algemeen wordt stilgestaan bij de sociale gevolgen van de bestaande klimaatfinanciering; benadrukt in dit verband de noodzaak voor brede aanvaarding door het publiek van de langetermijnstrategie, met het oog op de veranderingen die in sommige sectoren nodig zijn;

78. benadrukt dat Europese en nationale onderzoeks- en innovatieprogramma's van groot belang zijn om de Unie te ondersteunen bij het vervullen van haar voortrekkersrol in de strijd tegen klimaatverandering;

79. onderstreept dat klimaatmainstreaming volledig moet worden geïntegreerd in onderzoeks- en innovatieprogramma's en in alle stadia van de onderzoekscyclus ten uitvoer moet worden gelegd als een van de beginselen van de EU-financiering;

80. wijst op het verslag van het panel op hoog niveau inzake scenario's voor decarbonisatie[12] over de rol van onderzoek en innovatie bij inspanningen voor het behalen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het bewerkstelligen van concurrentievoordeel voor de EU in de strijd voor verdere decarbonisatie; merkt op dat het panel op hoog niveau een reeks thematische en sectoroverschrijdende aanbevelingen heeft gedaan, met name met betrekking tot de oriëntatie van het nieuwe EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie 2021-2027– Horizon Europa;

81. is van mening dat er in de komende twintig jaar sterk moet worden ingezet op onderzoek en innovatie, om koolstofarme en koolstofvrije oplossingen voor iedereen toegankelijk en tevens maatschappelijk en economisch haalbaar te maken, en om nieuwe oplossingen aan te kunnen dragen voor de transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen;

82. onderstreept zijn standpunt dat ten minste 35 % van de uitgaven in het kader van Horizon Europa moet worden besteed aan klimaatdoelstellingen, past bij de algemene doelstelling van de Unie om klimaatmaatregelen op alle beleidsgebieden toe te passen;

De rol van de consumenten en de circulaire economie

83. wijst op de aanzienlijke impact van gedragsverandering ten aanzien van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, met inbegrip van het gehele voedselsysteem, de vervoerssector en met name de luchtvaart; verzoekt de Commissie zo snel mogelijk beleidsopties, waaronder met betrekking tot milieubelastingen, te onderzoeken om een gedragsverandering aan te moedigen; benadrukt het belang van bottom-up-initiatieven zoals het Burgemeestersconvenant bij de bevordering van gedragsverandering;

84. merkt op dat, hoewel de consumptie van verzadigde vetten en rood vlees in de Unie ruim boven de aanbevolen hoeveelheid ligt, uit statistieken van de FAO blijkt dat de totale consumptie van vlees en dierlijke producten per inwoner in de EU-28 sinds de jaren 1990 is afgenomen; herinnert eraan dat het versnellen van deze aanhoudende trend essentieel is om de broeikasgas- en stikstofemissies van de levensmiddelenindustrie en de landbouw significant te reduceren;

85. benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU niet alleen overschakelt op een andere energiegrondstof, maar ook, in dezelfde mate, op andere producten/materialen, namelijk de vervanging van producten en materialen die zijn gebaseerd op fossiele grondstoffen of die tijdens de productie een hoge uitstoot veroorzaken door producten op basis van hernieuwbare bronnen;

86. benadrukt dat een zeer groot deel van het energiegebruik, en daarmee van broeikasgasemissies, direct is gekoppeld aan de verwerving, verwerking, het vervoer, de omzetting, het gebruik en de verwijdering van hulpbronnen; benadrukt dat er in elke fase van hulpbronnenbeheer zeer grote besparingen mogelijk zijn; benadrukt daarom dat het vergroten van de hulpbronnenproductiviteit door verbeterde efficiëntie en het verminderen van hulpbronnenverspilling door middel van maatregelen zoals hergebruik, recycling en herproductie zowel het gebruik van hulpbronnen als de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk kunnen verlagen en tegelijk het concurrentievermogen verbeteren en zakelijke kansen en banen scheppen; onderstreept de kostenefficiëntie van maatregelen in het kader van de circulaire economie; onderstreept dat verbeterde benaderingen ten aanzien van hulpbronnenefficiëntie en de circulaire economie, net als circulair productontwerp, bijdragen tot een verschuiving in productie- en consumptiepatronen en de hoeveelheid afval zal verminderen;

87. benadrukt het belang van productbeleid, zoals groene overheidsopdrachten en ecologisch ontwerp, waarmee een aanzienlijke bijdrage kan worden geleverd tot energiebesparingen en tot een kleinere koolstofvoetafdruk van producten, en dat tegelijkertijd de voetafdruk van de gebruikte materialen en de algemene milieueffecten van die producten verbetert; benadrukt dat er vereisten moeten worden vastgesteld op het gebied van circulaire economie als onderdeel van de EU-normen inzake ecologisch ontwerp en dat de huidige methodologie inzake ecologisch ontwerp moet worden uitgebreid naar andere productcategorieën naast energiegerelateerde producten;

88. is van mening dat de werkzaamheden in verband met een betrouwbaar model om de klimaateffecten te meten op basis van consumptie moeten worden voortgezet; neemt nota van het feit dat, op basis van de bestaande modellen, uit de diepgaande analyse blijkt dat de inspanningen van de EU om de emissies van haar productie te reduceren om de een of andere reden tot stilstand zijn gekomen door de invoer van goederen met een grotere CO2-voetafdruk; wijst op de conclusie waarin wordt gesteld dat de EU in 2016 al aanzienlijk had bijgedragen aan de reductie van emissies in andere landen, vanwege de toegenomen handelsstromen en verbeterde koolstofefficiëntie van haar export;

De EU en wereldwijde klimaatactie

89. onderstreept het belang van extra initiatieven en een voortdurende dialoog op relevante internationale fora, en van doeltreffende klimaatdiplomatie met als doel vergelijkbare beleidsbeslissingen te stimuleren die de klimaatambitie verhogen in andere regio's en derde landen; verzoekt de EU om haar eigen klimaatfinanciering te verhogen en de lidstaten actief aan te moedigen om hun klimaathulp (eerder ontwikkelingshulp dan leningen) aan derde landen te verhogen, hetgeen een aanvulling moet vormen op overzeese ontwikkelingshulp en niet dubbel mag worden geteld als zowel ontwikkelings- als klimaatfinancieringshulp;

90. wijst op het belang van sterke diplomatie en sterk leiderschap van de EU op het gebied van klimaat en energie teneinde de mondiale en multilaterale samenwerking en de ambitie in de strijd tegen klimaatverandering en voor duurzame ontwikkeling te versterken; roept de Commissie en de lidstaten op te pleiten voor gemeenschappelijke kaders en maatregelen binnen VN-fora;

91. benadrukt dat de VN-klimaattop van september 2019 het ideale moment zou zijn voor leiders om een verhoogde ambitie met betrekking tot NDC's aan te kondigen; is van mening dat de EU ruim van te voren een standpunt moet innemen over het actualiseren van haar NDC's, om goed voorbereid op de top te verschijnen, en in nauwe samenwerking met een internationale coalitie van partijen ter ondersteuning van verhoogde klimaatambitie;

92. benadrukt de verdienste om de interoperabiliteit tussen de beleidsinstrumenten van de EU en gelijkwaardige instrumenten van derde landen, met name de prijsmechanismen met betrekking tot koolstof, te versterken; verzoekt de Commissie om samenwerking en steun bij de ontwikkeling van prijsmechanismen met betrekking tot koolstof buiten Europa voort te zetten en te intensiveren, om wereldwijd toegenomen emissiereducties en een verbeterd gelijk speelveld na te streven; benadrukt het belang van het vaststellen van waarborgen voor het milieu, om een daadwerkelijke en aanvullende reductie in broeikasgassen te waarborgen; verzoekt de Commissie daarom te pleiten voor strenge en robuuste internationale regels in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van bebossingsmaatregelen te voorkomen;

°

° °

93. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

 

[1] Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2018)0430.

[2] Milieuprogramma van de VN, "The Emissions Gap Report 2018", blz. 10.

[3] Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

[4] http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/563472/IPOL_STU(2015)563472_EN.pdf

[5] Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

[6] Van Dingenen, R., Crippa, M., Maenhout, G., Guizzardi, D., Dentener, F., Global trends of methane emissions and their impacts on ozone concentrations, EUR 29394 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2018, ISBN 978-92-79-96550-0, doi:10.2760/820175, JRC113210.

[7] https://ec.europa.eu/energy/en/topics/energy-efficiency/buildings

[8] Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).

[9] Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

[10] Joris Aertsens, Leo De Nocker, Anne Gobin, 2011: Valuing the carbon sequestration potential for European agriculture.

[11] Energieprijzen en -kosten in Europa, COM(2019) 0001 blz. 10-11.

[12] Eindverslag van het panel op hoog niveau inzake het Europees initiatief voor scenario's voor decarbonisatie, Europese Commissie, directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie, november 2018.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling