Procedure : 2019/2582(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0199/2019

Ingediende teksten :

B8-0199/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0217

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0199/2019</NoDocSe>
PDF 191kWORD 68k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de klimaatverandering</Titre>

<DocRef>(2019/2582(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Kathleen Van Brempt, Jytte Guteland, Miriam Dalli</Depute>

<Commission>{S&D}namens de S&D-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0195/2019

B8‑0199/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de klimaatverandering

(2019/2582(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie" (COM(2018)0773),

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

 gezien de 24e Conferentie van de partijen (COP24) bij het UNFCCC, de 14e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP14) en het derde deel van de 1e sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA1.3), die van 2 t/m 14 december 2018 in Katowice, Polen, hebben plaatsgevonden,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie van 2018 in Katowice, Polen (COP24)[1],

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 maart 2018,

 gezien het speciaal verslag van Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) met als titel "Global Warming of 1,5 °C", het vijfde evaluatierapport (AR5) en het samenvattend verslag,

 gezien de negende editie van het UN Environment Emissions Gap Report, aangenomen op 27 november 2018,

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en van de Commissie industrie, onderzoek en energie,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COP24 in Katowice resulteerde in de goedkeuring van het regelboek van Katowice, dat zorgt voor juridische duidelijkheid bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

1. Is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie", waarin de kansen en uitdagingen benadrukt worden die de transformatie naar een broeikasgasneutrale economie met zich meebrengt voor de Europese burgers en de economie van Europa, en waarin de basis wordt gelegd voor een breed debat met EU-instellingen, nationale parlementen, het bedrijfsleven, niet-gouvernementele organisaties, de academische wereld en andere onderzoeksorganisaties, vakbonden, regio's, steden en gemeenten, alsook burgers; steunt de doelstelling van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 en dringt er bij de lidstaten op aan op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019 hetzelfde te doen, als onderdeel van het debat over de toekomst van Europa; verzoekt de lidstaten de vereiste ambitie aan de dag te leggen teneinde deze doelstelling te verwezenlijken;

2. benadrukt dat de Europese burgers reeds worden geconfronteerd met rechtstreekse gevolgen van de klimaatverandering; onderstreept dat volgens het Europees Milieuagentschap de gemiddelde jaarlijkse verliezen ten gevolge van extreme weers- en klimaatgerelateerde omstandigheden in de Unie tussen 2010 en 2016 ongeveer 12,8 miljard EUR bedroegen, en dat indien geen verdere maatregelen worden genomen, de klimaatschade in de EU tegen 2080 zou kunnen oplopen tot ten minste 190 miljard EUR, wat overeenkomt met een nettoverlies aan welvaart van 1,8 % van het huidige bbp; benadrukt dat in een scenario met een hoge uitstoot de jaarlijkse kosten in verband met overstromingen in de EU tegen 2100 kunnen oplopen tot 1 biljoen EUR en dat door het weer veroorzaakte rampen tegen 2100 ongeveer twee derde van de Europese burgers kunnen treffen, ten opzichte van de huidige 5 %; benadrukt voorts dat volgens het Europees Milieuagentschap 50 % van de bevolkte gebieden in de EU tegen 2030 zullen lijden onder een ernstige waterschaarste;

3. benadrukt dat volgens het speciaal rapport van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, met of zonder een beperkte overschrijding, ertoe leidt dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd uiterlijk in 2067 tot nul moet zijn teruggebracht en dat de wereldwijde jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 tot ten hoogte 27,4 GtCO2eq per jaar wordt beperkt; benadrukt dat, in het licht van deze bevindingen, de Unie als wereldleider en om een goede kans te hebben de mondiale temperatuurstijging tot 2100 te beperken tot 1,5 °C, moet streven naar het zo vroeg mogelijk en uiterlijk in 2050 realiseren van broeikasgasneutraliteit;

4. uit zijn zorgen over het UN Environment Emissions Gap Report 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige onvoorwaardelijke nationaal bepaalde bijdragen (Nationally Determined Contributions – NDC's) de opwarmingslimiet van ruim onder de 2 °C ruim overschrijden en in plaats daarvan resulteren in een geschatte temperatuurstijging van 3,2 °C[2] tegen 2100; wijst op de dringende noodzaak dat alle partijen bij het UNFCCC hun klimaatambitie tegen 2020 aanscherpen;

Trajecten voor de Europese nulemissiestrategie voor het midden van de eeuw

5. is van mening dat Europa op het gebied van klimaatneutraliteit voorop moet lopen door te investeren in duurzame en innovatieve technologische oplossingen, burgers inspraak te geven en maatregelen op elkaar af te stemmen op belangrijke gebieden zoals energie, industriebeleid en onderzoek, en tegelijkertijd energiearmoede te voorkomen en sociale rechtvaardigheid te waarborgen met het oog op een eerlijke transitie, met inbegrip van omscholings- en bijscholingsprogramma's, wat cruciaal is voor een succesvolle overgang naar een broeikasgasneutrale economie uiterlijk tegen 2050;

6. merkt op dat de strategie inzake CO2-neutraliteit van de EU acht trajecten omvat voor de economische, technologische en sociale transformatie die de Unie nodig heeft om te voldoen aan de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; betreurt het dat in de strategie geen trajecten naar broeikasgasneutraliteit tegen 2050 werden overwogen; merkt op dat slechts twee van die trajecten de Unie in staat zouden stellen om uiterlijk tegen 2050 broeikasgasneutraliteit te bereiken; benadrukt dat dit snel en gecoördineerd optreden en aanzienlijke inspanningen op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau vereist, waarbij ook alle niet-overheidsactoren worden betrokken; erkent dat regionaal en lokaal bepaalde bijdragen belangrijke instrumenten kunnen zijn om de tekortkoming ten aanzien van de uitstootreductie te overbruggen; herinnert aan de verplichting van lidstaten om nationale langetermijnstrategieën aan te nemen zoals vastgelegd in de governanceverordening[3]; verzoekt de lidstaten derhalve duidelijke streefdoelen en beleidslijnen voor de korte en de lange termijn vast te stellen die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en om investeringssteun te verlenen aan trajecten voor broeikasgasneutraliteit;

7. wijst erop dat het bbp van de EU volgens ramingen van de Commissie naar verwachting meer zal toenemen in nulemissiescenario's dan in scenario's met kleinere emissiereducties, waarbij de effecten in beide gevallen ongelijk verdeeld zijn over de EU als gevolg van verschillen tussen de lidstaten, onder andere in termen van het bbp per hoofd van de bevolking en de koolstofintensiteit van de energiemix; is van mening dat niet-handelen veruit het duurste scenario zou zijn en niet alleen zou leiden tot een massaal bbp-verlies in Europa, maar ook tot een verdere toename van de economische ongelijkheid tussen en binnen de lidstaten en regio's, aangezien sommigen naar verwachting harder zullen worden getroffen dan anderen door de gevolgen van niet-handelen;

8. merkt met bezorgdheid op dat de EU momenteel voor ongeveer 55 % afhankelijk is van ingevoerde energie; benadrukt dat bij een nulemissiescenario deze afhankelijkheid tegen 2050 zou afnemen tot 20 %, wat een positief gevolg zou hebben voor de handelsbalans en geopolitieke situatie van de EU; merkt op dat de cumulatieve besparingen op de invoer van fossiele brandstoffen tussen 2031 en 2050 ongeveer 2 tot 3 biljoen EUR zouden bedragen, wat aan duurzame en eerlijke investeringen zou kunnen worden besteed;

9. benadrukt dat minder luchtvervuiling bij het nulemissiescenario zou leiden tot een afname van vroegtijdige sterfte als gevolg van fijne deeltjes met meer dan 40 %; merkt op dat de gezondheidsschade in een dergelijk scenario met ongeveer 200 miljard EUR per jaar zou afnemen;

10. merkt op dat de in de strategie voorgestelde trajecten het gebruik van een aantal technologieën voor koolstofverwijdering omvatten, onder meer door koolstofafvang en -opslag of -gebruik en door CO2 uit de lucht te halen, die nog op grote schaal moeten worden ingezet; is niettemin van mening dat in de strategie voor CO2-neutraliteit van de EU prioriteit moet worden gegeven aan directe emissiereductie en maatregelen tot behoud en versterking van de natuurlijke putten en reservoirs van de EU, en dat die alleen op het gebruik van technologieën voor koolstofverwijdering gericht zou moeten zijn wanneer er geen mogelijkheden voor directe emissiereductie voorhanden zijn; gelooft dat er tegen 2030 verdere maatregelen nodig zijn als de Unie afhankelijkheid van technologieën voor koolstofverwijdering wil vermijden die aanzienlijke risico's zouden inhouden voor ecosystemen, biodiversiteit en voedselveiligheid, zoals tevens bevestigd in het verslag van de IPCC getiteld "Global Warming of 1,5 °C";

Sociale aspecten van klimaatverandering en een correcte overgang

11. is verheugd dat de Commissie verklaart dat broeikasgasneutraliteit kan worden bereikt zonder netto banenverlies en neemt met tevredenheid nota van de gedetailleerde beoordeling van de transitie in de energie-intensieve industrieën; benadrukt dat een correcte overgang naar broeikasgasneutraliteit, indien die naar behoren en met passende steun voor de meest kwetsbare regio's, sectoren en burgers wordt aangepakt, in staat is een netto-banengroei in de Unie tot stand te brengen, waarbij de werkgelegenheid in een nulemissiescenario tegen 2050 voor de hele economie toeneemt met 2,1 miljoen extra banen ten opzichte van een toename van 1,3 miljoen banen in een scenario met een emissiereductie van 80 %; is derhalve van mening dat de Commissie in het kader van het EU-vaardighedenpanorama een hernieuwde audit van vaardigheden moet ontwikkelen met regionale gegevens over de behoeften aan vaardigheden voor een klimaatneutraal Europa om steun te verlenen aan de meest kwetsbare regio's, sectoren en mensen met om- en bijscholing voor toekomstbestendige kwalitatief hoogwaardige arbeidsplaatsen in diezelfde regio's;

12. benadrukt dat er nood is aan een proactieve aanpak om een eerlijke transitie te waarborgen voor de EU-burgers en steun te bieden aan regio's met een economie die sterk afhangt van technologieën waarvan het gebruik zal afnemen, of sectoren die naar verwachting zullen krimpen of zich in de toekomst moeten aanpassen;

13. gelooft dat de klimaattransitie van Europa ecologisch, economisch en sociaal duurzaam moet zijn; benadrukt dat het, om politieke acceptatie door alle burgers te waarborgen, belangrijk is om rekening te houden met de verdelingseffecten van beleid inzake het klimaat en koolstofarm maken, met name voor mensen met een laag inkomen; is derhalve van mening dat sociale effecten ten volle in aanmerking moeten worden genomen in alle beleidsmaatregelen op het gebied van klimaat op EU- en nationaal niveau, teneinde een sociale en ecologische transformatie in Europa te waarborgen; benadrukt in dat opzicht dat er op maat gemaakte en voldoende gefinancierde strategieën op alle niveaus moeten worden ontwikkeld op basis van veelomvattende procedures en in nauwe samenwerking met lokale en regionale overheden, vakbonden, onderwijsinstellingen, organisaties van het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, om sociale rechtvaardigheid te waarborgen en ervoor te zorgen dat in deze overgang alle Europese burgers gelijke kansen krijgen, waarbij onevenredige gevolgen voor mensen met een laag inkomen worden voorkomen;

14. herinnert eraan dat ongeveer 50 tot 125 miljoen Europese burgers momenteel het risico lopen te worden getroffen door energiearmoede[4]; benadrukt dat de energietransitie een onevenredig effect kan hebben op mensen met een laag inkomen en de energiearmoede verder kan doen toenemen; erkent dat er een sociale dimensie moet worden opgenomen in het energiebeleid en dat moet worden gewaarborgd dat niemand wordt vergeten; verzoekt de lidstaten vooruitziende maatregelen te nemen om een eerlijke energietransitie en toegang tot energie voor alle EU-burgers te waarborgen;

15. is van mening dat jongeren zich steeds eerder bewust zijn van sociale en milieukwesties, zodat onze samenlevingen kunnen worden omgevormd met een klimaatbestendige toekomst als doel, en dat onderwijs voor jonge mensen een van de doeltreffendste middelen is om de klimaatverandering tegen te gaan; wijst op de noodzaak om jongere generaties actief te betrekken bij het opbouwen van internationale, interculturele en intergenerationele relaties, die ten grondslag liggen aan de culturele verandering die de mondiale inspanningen voor een duurzamere toekomst zullen ondersteunen;

16. is ingenomen met het feit dat mensen in heel Europa steeds actiever worden bij het demonstreren voor klimaatrechtvaardigheid, met name door middel van stakingen van scholieren; is ingenomen met de oproepen van deze activisten voor meer ambitie en is van mening dat nationale, regionale en lokale overheden, alsmede de EU, gehoor moeten geven aan deze oproepen;

17. benadrukt dat de inclusie en participatie van Europese burgers essentieel is om Europa in staat te stellen de broeikasgasneutraliteit uiterlijk tegen 2050 te realiseren; moedigt alle niveaus van nationale, regionale en lokale overheden aan om te voorzien in concrete maatregelen om de participatie van burgers in de transitie naar een koolstofvrije samenleving te bevorderen en te faciliteren;

Tussentijdse doelstellingen

18. erkent dat het decennium van 2020 tot 2030 het belangrijkste zal zijn als de EU de CO2-neutraliteit tegen 2050 wil realiseren; verzoekt de Commissie en de lidstaten een sterke midellangetermijndoelstelling voor 2030 te steunen, aangezien dit noodzakelijk is om te voorzien in voldoende investeringsstabiliteit voor de markt, het potentieel van technologische innovatie optimaal te benutten en Europese bedrijven meer mogelijkheden te bieden om wereldmarktleiders op het gebied van emissiearme productie te worden;

19. benadrukt dat om op de meest kostenefficiënte manier de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 tot nul terug te brengen, het ambitieniveau van 2030 moet worden verhoogd tot en afgestemd op de scenario's voor broeikasgasneutraliteit tegen 2050; is van mening dat het van het grootste belang is dat de Unie uiterlijk tijdens de VN-klimaattop in New York in september 2019 een duidelijk signaal afgeeft dat ze bereid is haar bijdrage aan de Overeenkomst van Parijs te herzien;

20. is voorstander van een actualisering van de NDC van de Unie met voor de hele economie een doelstelling om de interne broeikasgasemissie tegen 2030 met 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990; dringt er daarom bij de EU-leiders op aan een verhoging van de NDC van de Unie dienovereenkomstig te ondersteunen op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019, met het oog op de VN-klimaattop in september 2019;

21. is derhalve van mening dat de Commissie uiterlijk tijdens de herzieningen in 2022-2024 van het klimaatpakket voor 2030 en van andere toepasselijke wetgeving wetgevingsvoorstellen moet indienen die het ambitieniveau aanscherpen in overeenstemming met de geactualiseerde NDC en de doelstelling inzake CO2-neutraliteit; gelooft dat onvoldoende ambitie voor 2030 de toekomstige opties zou beperken, mogelijk met inbegrip van de beschikbaarheid van bepaalde opties voor het kostenefficiënt koolstofvrij maken; beschouwt deze herzieningen als een belangrijke mijlpaal om de klimaatverbintenissen van de EU te waarborgen;

22. is van mening dat, als middel om de markten verder te stabiliseren, het ook bevorderlijk zal zijn voor de EU om voor 2040 een tussentijdse doelstelling voor de emissiereductie vast te stellen, die extra stabiliteit voorziet en ervoor kan zorgen dat de langetermijndoelstelling voor 2050 wordt gehaald;

23. is van mening dat het noodzakelijk is om de EU-strategie voor CO2-neutraliteit regelmatig te herzien; is van mening dat deze herziening moet worden gebaseerd op de mondiale balans, zoals uiteengezet in de Overeenkomst van Parijs, die elke vijf jaar wordt opgemaakt, en rekening moet worden gehouden met technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, evenals met de input van niet-overheidsactoren en het Europees Parlement;

Sectorale bijdragen

24. benadrukt dat in alle economische sectoren, die zonder uitzondering moeten bijdragen aan de collectieve inspanningen tot vermindering van de emissies, de netto-uitstoot tot bijna nul zal moeten worden teruggebracht; verzoekt derhalve de Commissie om trajecten op weg naar klimaatneutraliteit voor alle sectoren te ontwikkelen; beklemtoont in dit verband het belang van het vervuiler betaalt-principe;

25. onderstreept het belang van de uiteenlopende klimaatmaatregelen en -wetgeving die in de verschillende beleidssectoren zijn ingevoerd, maar waarschuwt dat een versnipperde aanpak tot inconsistenties kan leiden en de Europese transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen vóór 2050 kan belemmeren; is van mening dat een overkoepelende aanpak in de vorm van een klimaatwet van de EU noodzakelijk zal zijn en verzoekt de Commissie dit onverwijld te onderzoeken;

26. wijst op de impact die de hervorming van het emissiehandelssysteem (Emissions Trading System – ETS) heeft gehad op de prijzen van EU-emissierechten en is ingenomen met het feit dat het vertrouwen in de regeling toeneemt;

27. erkent de rol die aan koolstofafvang en -opslag (CCS) wordt toegekend in de meeste scenario's met een opwarming van 1,5 °C in het speciaal rapport van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C; acht het noodzakelijk om de milieuveilige toepassing van CO2-afvang en -benutting (CCU) en CO2-opslag (CCS) in industriële processen uit te breiden om een nettoreductie van de uitstoot tot stand te brengen door het voorkomen van emissies of de permanente opslag van CO2; merkt met bezorgdheid op dat veel CCU-technologieën momenteel geen permanente emissiereducties opleveren; verzoekt de Commissie derhalve om technische criteria vast te stellen die waarborgen dat alleen steun wordt verleend aan technologieën die controleerbare resultaten opleveren;

Energiebeleid

28. brengt in herinnering dat de Unie er in de voorbije decennia in geslaagd is economische groei los te koppelen van de uitstoot van broeikasgassen, en deze uitstoot te verlagen, met name door middel van energie-efficiëntie en de inzet van hernieuwbare energie;

29. is ervan overtuigd dat als de EU leiderschap toont op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie dit de rest van de wereld laat zien dat een overgang naar schone energie mogelijk is en naast de strijd tegen klimaatverandering ook andere voordelen oplevert;

30. wijst erop dat er vergeleken met de huidige stand van zaken aanzienlijk meer moet worden geïnvesteerd in het energiesysteem van de EU en de betrokken infrastructuur, d.w.z. tussen de 175 en 290 miljard EUR per jaar, wil de EU een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen tot stand brengen;

31. benadrukt de noodzaak om een geïntegreerde sectoroverschrijdende aanpak te hanteren om inspanningen op het gebied van koolstofarm maken in het hele energiesysteem en andere aanverwante sectoren te vergemakkelijken en te profiteren van toegenomen efficiëntie; erkent dat de integratie van energiesystemen kan zorgen voor meer flexibiliteit, een efficiënter systeem, meer gebruik van hernieuwbare energieën op alle energiedragers en uiteindelijk een kosteneffectieve energietransitie;

32. wijst op de centrale rol van hernieuwbare energiebronnen in de transitie naar een broeikasgasneutrale economie, aangezien energie momenteel verantwoordelijk is voor 75 % van de uitstoot van broeikasgassen in Europa;

33. vraagt om een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energie gebaseerd energiesysteem; vraagt de Commissie en de lidstaten om in dit verband alle nodige maatregelen te nemen, aangezien dit overloopeffecten zal hebben voor alle economische sectoren; benadrukt dat alle trajecten moeten leiden tot een uiterlijk in 2050 volledig koolstofvrije energiesector, een drastische vermindering van fossiele brandstoffen en een sterke toename van hernieuwbare energie;

34. benadrukt de bijdrage van energie-efficiëntie tot de continuïteit van de bevoorrading, het economisch concurrentievermogen, milieubescherming, de verlaging van energierekeningen en de verbetering van de kwaliteit van huizen; bevestigt de belangrijke rol van energie-efficiëntie in het creëren van zakelijke kansen en werkgelegenheid, alsook van de wereldwijde en regionale voordelen ervan; herinnert in dit verband aan de invoering van het "energie-efficiëntie eerst"-beginsel in het kader van de governanceverordening, en dat de tenuitvoerlegging ervan in de hele energieketen ten volle moet worden benut en als basis moet dienen voor trajecten in de richting van de doelstelling inzake CO2-neutraliteit voor 2050;

35. benadrukt het belang van verdere integratie van de Europese energiemarkt om de energiesector op de meest doeltreffende wijze koolstofvrij te maken, investeringen te faciliteren daar waar de meeste hernieuwbare energie geproduceerd kan worden, en de actieve participatie van burgers aan te moedigen, om de energietransitie naar een koolstofneutrale en duurzame economie te versnellen en tegelijkertijd de energiearmoede terug te dringen; is van mening dat het cruciaal is om hierbij het niveau van interconnectiviteit tussen de lidstaten te verhogen, onder andere door meer grensoverschrijdende steunregelingen aan te moedigen;

36. merkt op dat de bouwsector van de EU momenteel verantwoordelijk is voor 40 % van het Europese eindenergieverbruik en voor 36 % van de CO2-uitstoot[5] ervan; verzoekt om het benutten van het potentieel van de sector voor energiebesparingen en het beperken van de koolstofvoetafdruk, in overeenstemming met de in de richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen[6]bedoelde doelstelling inzake het verwezenlijken van een zeer energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tegen 2050; benadrukt dat het efficiënter maken van het energieverbruik in gebouwen een aanzienlijk potentieel biedt voor een verdere reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa; is daarnaast van mening dat het zorgen voor energiezuinige gebouwen, die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energie, een sine qua non is voor de Overeenkomst van Parijs en voor een EU-agenda voor groei, lokale werkgelegenheid en betere leefomstandigheden voor burgers in heel Europa;

37. roept alle bestuursniveaus, zowel nationaal, regionaal als lokaal, op maatregelen te nemen om de deelname van burgers aan de energietransitie en de uitwisseling van optimale werkwijzen te bevorderen;

Industrieel beleid

38. is van mening dat economische bloei, mondiale industriële concurrentie en ambitieuze klimaatactie elkaar onderling versterken;

39. wijst er nogmaals op dat de transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen uitdagingen en kansen voor de EU met zich meebrengt, en dat investeringen in industriële innovatie, met inbegrip van digitale technologieën, en schone technologie nodig zullen zijn om duurzame groei te stimuleren, het concurrentievermogen op mondiaal niveau te vergroten, toekomstige vaardigheden te verbeteren en miljoenen hoogwaardige banen te creëren, bijvoorbeeld in een groeiende circulaire economie en bio-economie en in emissievrij vervoer;

40. benadrukt de rol van de energie-intensieve sectoren bij het verwezenlijken van de EU-reducties van de broeikasgasuitstoot op de lange termijn; is van mening dat voor het handhaven van het industriële koolstofarme leiderschap van de EU en de industriële productie in de EU, het vasthouden van het concurrentievermogen van Europese industrieën en het voorkomen van het risico van koolstoflekkage intelligente en gerichte beleidskaders vereist zijn; verzoekt de Commissie een nieuwe en geïntegreerde industriële EU-klimaatstrategie voor te stellen voor energie-intensieve sectoren, ter ondersteuning van een concurrerende transitie naar CO2-neutraliteit van de zware industrie;

41. verzoekt de Commissie een industriële strategie te ontwikkelen met maatregelen die de Europese industrie in staat stellen wereldwijd op gelijke voet te concurreren; is van mening dat de Commissie als onderdeel van dit beleid de doeltreffendheid en verenigbaarheid met de regels van de Wereldhandelsorganisatie van aanvullende maatregelen ter bescherming van industrieën die met betrekking tot de invoer van producten het risico van koolstoflekkage lopen moet onderzoeken, die eventuele bestaande maatregelen betreffende koolstoflekkage zouden vervangen, wijzigen of aanvullen;

42. benadrukt dat emissies van industriële processen op veel grotere schaal moeten worden aangepakt; merkt op dat de CO2-uitstoot van de industrie volgens het speciaal rapport over de opwarming van 1,5 °C van het IPCC 65 tot 90 % lager moet zijn in 2050 ten opzichte van 2010, en dat dergelijke reducties slechts kunnen worden gerealiseerd door nieuwe en bestaande technologieën, waaronder CCU en CCS;

43. herinnert eraan dat Europese bedrijven, doordat ze onderdeel zijn van de eerste grote economie die klimaatneutraliteit nastreeft, zullen kunnen profiteren van de voordelen van de voortrekkersrol op internationale markten en wereldleider kunnen worden op het gebied van duurzame en hulpbronnenefficiënte productie; benadrukt dat een vertraagd of ontoereikend optreden om uiterlijk in 2050 te zorgen voor broeikasgasneutraliteit zal leiden tot ecologisch, economisch en sociaal ongerechtvaardigde kosten en het toekomstige concurrentievermogen van de industriële sector van Europa effectief zal schaden;

44. gelooft bovendien dat de EU sterke waardeketens voor innovatieve, koolstofarme producten en technologieën moet opzetten;

Bijdragen van andere sectoren

45. wijst erop dat de strategie bevestigt dat de broeikasgasemissies in de vervoerssector nog steeds stijgen en dat het huidige beleid niet zal volstaan om de vervoerssector tegen 2050 koolstofvrij te maken; wijst erop dat het belangrijk is een verschuiving te waarborgen van lucht- naar treinvervoer en naar openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit; merkt op dat het wegvervoer verantwoordelijk is voor ongeveer een vijfde van de totale uitstoot van koolstofdioxide in de EU; verzoekt de lidstaten en de Commissie derhalve om doorslaggevende stappen te zetten om consumenten in alle lidstaten toegang te bieden tot nul- en lage-emissievoertuigen en tegelijkertijd een toegenomen gebruik van oude, zeer vervuilende voertuigen in lidstaten met een laag inkomenspeil te voorkomen; onderstreept daarnaast de rol van slimme technologieën, zoals slimme oplaadinfrastructuur, bij het zorgen voor synergieën tussen de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

46. onderstreept dat alle sectoren, met inbegrip van de internationale lucht- en scheepvaart, moeten bijdragen om de klimaatneutraliteit van de gehele EU-economie te kunnen verwezenlijken; merkt op dat uit de analyse van de Commissie blijkt dat de huidige mondiale streefcijfers en maatregelen waarin door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) is voorzien de noodzakelijke emissiereducties niet behalen, zelfs niet wanneer zij volledig ten uitvoer worden gelegd, en dat significante verdere actie nodig is die in overeenstemming is met de doelstelling van CO2-neutraliteit voor de hele economie; wijst op de noodzaak van investeringen in koolstofvrije en -arme technologieën en brandstoffen in deze sectoren; verzoekt de Commissie het vervuiler betaalt-principe in deze sectoren in de praktijk te brengen, met name ten aanzien van de kerosinebelasting en ticketprijzen in de luchtvaart; herinnert eraan dat de uitstoot van broeikasgassen door de internationale scheepvaart tegen 2050 naar verwachting met 250 % zal stijgen; is verheugd over het feit dat de internationale scheepvaartsector een absoluut reductiestreefcijfer voor broeikasgasemissies voor zichzelf heeft vastgesteld; neemt met bezorgdheid nota van het gebrek aan vooruitgang ten aanzien van de omzetting van dit streefcijfer in korte- en middellangetermijnmaatregelen en andere concrete acties;

47. merkt op dat ongeveer 60 % van de wereldwijde uitstoot van methaan wordt uitgestoten door bronnen zoals de landbouw, stortplaatsen en afvalwater en de productie en het vervoer via pijpleidingen van fossiele brandstoffen; herinnert eraan dat methaan een sterk broeikasgas is, met een opwarmingsvermogen over een periode van honderd jaar dat 28 keer groter is dan dat van CO2[7] en dat reducties van de uitstoot van methaan ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het beperken van de ozonconcentraties op grondniveau en de negatieve gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit en de menselijke gezondheid; is verheugd over de intentie van de Commissie om de uitstoot van methaan in de betrokken sectoren te reduceren, wat de ozonconcentraties in de EU verder kan beperken, en om op internationaal niveau de reductie van de methaanuitstoot te bevorderen;

48. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie zo spoedig mogelijk beleidsopties te verkennen om de uitstoot van methaan snel aan te pakken als onderdeel van een strategisch plan voor methaan van de Unie, en daartoe wetgevingsvoorstellen in te dienen bij het Parlement en de Raad; onderstreept dat landbouw in 2050 een van de belangrijkste resterende bronnen van broeikasgasemissies in de EU zal zijn, met name als gevolg van de uitstoot van methaan en distikstofoxide; onderstreept het potentieel van de landbouwsector om de uitdagingen van de klimaatverandering aan te pakken, bijvoorbeeld door middel van ecologische en technologische innovaties en door middel van de afvang van koolstof in de bodem;

49. vraagt om een gemeenschappelijk landbouwbeleid dat bijdraagt tot reducties van de broeikasgasuitstoot, in overeenstemming met de transitie naar een klimaatneutrale economie; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het landbouwbeleid, en met name de EU- en nationale fondsen, in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

50. is van mening dat in de langetermijnstrategie onvoldoende aandacht wordt besteed aan de sectoren van de primaire productie van de economie en dat de bosbouw- en landbouwsectoren en de respectieve bijbehorende gemeenschappen worden geconfronteerd met een onevenredig hoog risico op negatieve gevolgen van de klimaatverandering; beveelt aan in de strategie een duidelijke indicatie op te nemen van het traject dat deze sectoren moeten doorlopen om hun veerkracht te doen toenemen, de risicopreventie te verbeteren en de ecosystemen en ecosysteemdiensten waarvan de economie afhankelijk is, in stand te houden;

51. wijst op het belang van het stroomlijnen van landbouwmodellen die landbouwsystemen ondersteunen die bestand zijn tegen extreem weer en plagen en die zorgen voor verbeteringen van de koolstofvastlegging van bodems, het vasthouden van water en agrobiodiversiteit;

52. wijst op het feit dat meer koolstof in bodems wordt opgeslagen dan in de biosfeer en atmosfeer samen; onderstreept derhalve het belang van het stoppen van bodemdegradatie in de EU en van het waarborgen van gemeenschappelijk EU-optreden om de kwaliteit van bodems en hun capaciteit om koolstof op te slaan in stand te houden en te verbeteren;

53. betreurt het dat de mogelijkheid om de EU-actie op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen te versterken niet is opgenomen in de strategie van de Commissie; wijst erop dat het voorkomen van de illegale handel in fluorkoolwaterstof door middel van de goedkeuring van een vergunningenregeling voor fluorkoolwaterstof, het verbieden van het gebruik van fluorkoolwaterstof in sectoren die deze stof niet langer nodig hebben, het toewijzen van rechten voor fluorkoolwaterstof door middel van een veilingssysteem, en de volledige uitvoering van de verordening inzake gefluoreerde broeikasgassen[8] door al het onnodige gebruik van SF6 te verbieden, duidelijke mogelijkheden zijn om de EU te helpen haar doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs te behalen;

54. wijst op de noodzaak om de klimaatambitie op te nemen in al het EU-beleid, met inbegrip van het handelsbeleid; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat alle handelsovereenkomsten die door de EU worden ondertekend volledig in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs, aangezien dit niet alleen de mondiale actie op het vlak van klimaatverandering zou versterken, maar ook een gelijk speelveld voor de desbetreffende sectoren zou waarborgen;

Maximalisatie van het klimaatpotentieel van bossen in het kader van een duurzame bio-economie

55. ondersteunt actief en duurzaam bosbeheer op nationaal niveau, samen met concrete middelen om een efficiënte en duurzame bio-economie van de EU te stimuleren, gezien het aanzienlijke potentieel van bossen om bij te dragen aan de versterking van de Europese klimaatinspanningen (door middel van vastlegging, opslag en vervanging) en het behalen van de doelstelling van nulemissies uiterlijk tegen 2050; erkent de noodzaak om aan te passen aan de klimaatverandering en een halt toe te roepen aan biodiversiteitsverlies en de verslechtering van ecosysteemdiensten in de EU tegen 2020, en de noodzaak om op bewijs gebaseerd beleid te ontwikkelen dat helpt met de tenuitvoerlegging en financiering van instandhoudingsmaatregelen van de EU;

56. wijst op de noodzaak om duurzaam bosbeheer commercieel concurrerender te maken en om praktische maatregelen met aanzienlijke opslag- en vastleggingseffecten te ondersteunen, zoals het gebruik van hout als bouwmateriaal zowel in steden als in plattelandsgebieden, ter vervanging van fossiele brandstoffen en als instrument voor het beter vasthouden van water;

57. erkent het aanzienlijke maar uiteindelijk beperkte potentieel voor bebossing in Europa; is daarom van mening dat bebossingsinitiatieven moeten worden aangevuld met concrete initiatieven en stimulansen die als doel hebben het potentieel voor koolstofvastlegging te verbeteren en tegelijkertijd de gezondheid van bestaande bosgebieden te waarborgen en te verbeteren, teneinde aan het klimaat, de duurzame bio-economie en biodiversiteit een positieve bijdrage te leveren; steunt derhalve de bebossing van verlaten en marginaal productieve landbouwgrond, boslandbouw en het beperken van de omvorming van bosgebieden voor andersoortig landgebruik;

58. wijst erop dat de maatregelen en het beleid van de EU ook gevolgen hebben voor natuurlijke putten, land en bossen buiten Europa en dat de EU-strategie voor CO2-neutraliteit moet waarborgen dat EU-optreden geen schadelijke klimaateffecten in derde landen heeft; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband te pleiten voor robuuste internationale regels in het kader van het regelboek van Parijs, met name in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van bebossingsmaatregelen te voorkomen die de mondiale klimaatinspanningen zouden kunnen afzwakken;

59. benadrukt de noodzaak de bescherming en het herstel van waterrijke gebieden als natuurlijke instrumenten voor het verwijderen van koolstof te maximaliseren;

60. wijst op de rol van houtproducten met een lange levensduur en de rol hiervan in de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) tegen 2030; benadrukt dat de bijdrage van deze producten, met inbegrip van producten uit de categorie landbouwgrond en niet alleen producten uit beheerde bossen en bebost land, in het toekomstige kader in aanmerking moet worden genomen;

Onderzoek en technologische ontwikkeling

61. benadrukt de noodzaak om een samenhangende en strategische Europese onderzoeks- en innovatieagenda te ontwikkelen waarin de nadruk ligt op de wijze waarop de economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen kan worden verwezenlijkt, en dat nationale onderzoeks- en innovatieprogramma's van de Unie en op nationaal niveau cruciaal zijn ter ondersteuning van de Europese Unie in haar leidende rol in de bestrijding van de klimaatverandering;

62. is van mening dat er bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van onderzoeks- en innovatieprogramma's voldoende aandacht moet worden gegeven aan de klimaatdimensie;

63. is van mening dat er in de komende twintig jaar sterk moet worden ingezet op onderzoek en innovatie, om koolstofarme en koolstofvrije oplossingen voor iedereen toegankelijk en tevens maatschappelijk en economisch haalbaar te maken, en om nieuwe oplossingen aan te kunnen dragen voor de transitie naar een economie met een nettonuluitstoot van broeikasgassen;

64. benadrukt zijn standpunt om ten minste 35 % van de uitgaven in het kader van Horizon Europa te besteden aan klimaatdoelstellingen, past bij de algemene doelstelling van de Unie om klimaatmaatregelen op alle beleidsgebieden toe te passen;

Financiering

65. verzoekt om een spoedige tenuitvoerlegging van het innovatiefonds in het kader van de EU-ETS-richtlijn en om de start van de eerste oproep tot het indienen van voorstellen in 2019 ter stimulatie van investeringen in de demonstratie van koolstofarme, industriële baanbrekende technologieën in zeer uiteenlopende sectoren, niet alleen op het gebied van elektriciteitsproductie, maar ook stadsverwarming en industriële processen; verzoek dat het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 en de bijbehorende programma's volledig in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs;

66. is van mening dat als de Unie uiterlijk tegen 2050 CO2-neutraliteit wil bereiken, er aanzienlijke particuliere investeringen moeten worden gedaan; gelooft dat hiervoor planning op lange termijn en stabiele regelgeving en voorspelbaarheid voor investeerders nodig zijn en dat hiermee dienovereenkomstig rekening moet worden gehouden in toekomstige EU-regelgeving; benadrukt derhalve dat de tenuitvoerlegging van het in maart 2018 aangenomen actieplan duurzame groei financieren prioriteit moet krijgen, met inbegrip van kalibratie van de kapitaalvereisten van banken en de prudentiële behandeling van koolstofrijke activa, prudentiële regels voor verzekeringsmaatschappijen en een actualisering van de taken van institutionele beleggers en vermogensbeheerders;

67. is van mening dat het MFK 2021-2027 voor de goedkeuring ervan moet worden geëvalueerd in het licht van de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale economie tot stand te brengen en dat een standaardtest moet worden vastgesteld om te waarborgen dat uitgaven in het kader van de EU-begroting klimaatbestendig zijn;

68. betreurt het feit dat subsidies voor fossiele brandstoffen nog steeds toenemen en rond 55 miljard EUR per jaar belopen; verzoekt de EU en de lidstaten[9] onmiddellijk te beginnen met het geleidelijk afschaffen van alle Europese en nationale subsidies voor fossiele brandstoffen;

69. benadrukt de noodzaak om een fonds voor een correcte overgang op te richten, met name voor de regio's die het hardst worden getroffen door het koolstof vrij maken, zoals steenkoolwinningsgebieden, waarbij in het algemeen ook wordt stilgestaan bij de sociale gevolgen van de bestaande financiering van het klimaat; wijst er in dit verband op dat de langetermijnstrategie een breed publiek draagvlak moet hebben met het oog op de noodzakelijke transformaties in sommige sectoren;

De rol van de consumenten en de circulaire economie

70. benadrukt het aanzienlijke belang van gedragsverandering in de verwezenlijking van de reductie van broeikasgasemissies, met inbegrip van de voedselvoorziening, de vervoersector en in het bijzonder de luchtvaartsector; verzoekt de Commissie om onverwijld beleidsopties te verkennen, met inbegrip van een milieubelasting, teneinde gedragsverandering te bevorderen; onderstreept het belang van bottom-up initiatieven zoals het Convenant van burgemeesters ter bevordering van gedragsverandering;

71. merkt op dat uit de statistieken van de Wereldvoedselorganisatie van de Verenigde Naties blijkt dat de totale consumptie van vlees en dierlijke producten per persoon in de EU-28 sinds de jaren negentig is gedaald en dat het ondersteunen van deze aanhoudende tendens, in combinatie met technische mitigatiemaatregelen aan de aanbodzijde, de emissies van de landbouwproductie aanzienlijk kan verminderen;

72. benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU niet alleen overschakelt op een andere energiegrondstof, maar ook op andere producten/materialen, d.w.z. dat zij producten en materialen die zijn gebaseerd op fossiele grondstoffen of tijdens de productie een hoge uitstoot veroorzaken vervangt door producten op basis van hernieuwbare bronnen;

73. onderstreept dat een zeer groot gedeelte van het energieverbruik, en derhalve van broeikasgasemissies, rechtstreeks verband houdt met de aankoop, de verwerking, het transport, het gebruik en de verwijdering van hulpbronnen; benadrukt dat er in elk stadium van de keten voor het beheer van hulpbronnen zeer aanzienlijke besparingen kunnen worden gerealiseerd; benadrukt derhalve dat het verhogen van de hulpbronnenproductiviteit ten gevolge van verbeterde efficiëntie en vermindering van hulpbronnenafval door middel van maatregelen zoals hergebruik, recycling en herfabricage zowel het hulpbronnenverbruik als de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk kan verminderen, waarbij tegelijkertijd het concurrentievermogen wordt vergroot en zakelijke kansen en banen worden gecreëerd; onderstreept de kostenefficiëntie van maatregelen in het kader van de circulaire economie; benadrukt dat een aanpak gericht op verbeterde hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie, alsmede een circulair productontwerp, bijdragen tot een verschuiving in de productie- en consumptiepatronen, en terugdringing van de hoeveelheid afval;

74. benadrukt het belang van productbeleid, zoals groene overheidsopdrachten en ecologisch ontwerp; onderstreept dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp[10] aanzienlijk heeft bijgedragen tot de klimaatstreefdoelen van de EU, door de uitstoot van broeikasgassen met 320 miljoen ton CO2-equivalent per jaar te reduceren en dat consumenten in de EU naar schatting tegen 2020 in totaal tot 112 miljard EUR, of ongeveer 490 EUR per huishouden per jaar zullen besparen als gevolg van de richtlijn; benadrukt de noodzaak om eisen betreffende de circulaire economie vast te stellen als onderdeel van de EU-normen inzake ecologisch ontwerp, en om de huidige werkwijze op het gebied van ecologisch ontwerp uit te breiden naar andere productcategorieën in aanvulling op energiegerelateerde producten;

De EU en wereldwijde klimaatactie

75. onderstreept het belang van meer initiatieven en een voortdurende dialoog in relevante internationale fora, en van doeltreffende diplomatie op het gebied van klimaat teneinde vergelijkbare beleidsbeslissingen te bevorderen die de klimaatambitie in andere regio's en derde landen aanscherpen; verzoekt dat de EU haar eigen klimaatfinanciering verhoogt en zich actief inspant om de lidstaten aan te moedigen hun klimaatsteun (eerder ontwikkelingshulp dan leningen) aan derde landen te verhogen, die een aanvulling zou moeten vormen op overzeese ontwikkelingshulp en niet dubbel moeten worden geteld als zowel ontwikkelingshulp als steun in de vorm van klimaatfinanciering;

76. betreurt dat veel andere grote economieën nog niet werken aan de strategieën voor 2050; vraagt de Raad en de Commissie derhalve om meer diplomatie op het gebied van klimaat en om andere passende maatregelen te nemen om andere grote economieën aan te moedigen, zodat we samen de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs kunnen verwezenlijken;

77. wijst op het belang van sterke diplomatie en sterk leiderschap van de EU op het gebied van klimaat en energie teneinde de mondiale en multilaterale samenwerking en de ambitie in de strijd tegen klimaatverandering en voor duurzame ontwikkeling te versterken; roept de Commissie en de lidstaten op te pleiten voor gemeenschappelijke kaders en maatregelen binnen VN-fora;

78. benadrukt dat de VN-klimaattop in september 2019 de ideale gelegenheid zou zijn waarop leiders kunnen aangeven meer ambitie op het gebied van NDC's hebben; is van mening dat de EU een standpunt moet innemen met betrekking tot het ruim van tevoren actualiseren van haar NDC, om goed voorbereid en in nauwe samenwerking met een internationale coalitie van partijen ter ondersteuning van de aangescherpte klimaatambitie op de top te verschijnen;

79. benadrukt de verdienste om interoperabiliteit tussen de beleidsinstrumenten van de EU en gelijkwaardige instrumenten van derde landen, met name de koolstofprijsbepalingsmechanismen, te versterken; verzoekt de Commissie om intensief te blijven samenwerken en de ontwikkeling van koolstofprijsbepalingsmechanismen buiten Europa te ondersteunen teneinde grotere emissiereducties en een gelijker speelveld wereldwijd na te streven; onderstreept het belang van het vaststellen van milieuwaarborgen om een echte en aanvullende reductie van broeikasgasemissies te garanderen; verzoekt de Commissie derhalve om te pleiten voor degelijke internationale regels in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van emissiereducties te voorkomen;

°

° °

80. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0430.

[2] Milieuprogramma van de VN, "The Emissions Gap Report 2018" (verslag inzake de verwezenlijking van de emissiedoelstellingen van 2018), blz. 10.

[3] Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging de Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

[4] http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/563472/IPOL_STU(2015)563472_EN.pdf

[5] https://ec.europa.eu/energy/en/topics/energy-efficiency/buildings

[6] Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).

[7] Van Dingenen, R., Crippa, M., Maenhout, G., Guizzardi, D., Dentener, F., Global trends of methane emissions and their impacts on ozone concentrations, EUR 29394 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2018, ISBN 978-92-79-96550-0, doi:10.2760/820175, JRC113210.

[8] Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

[9] Energieprijzen en -kosten in Europa, COM(2019)0001, blz. 10.

[10] Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling