Procedure : 2019/2582(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0203/2019

Ingediende teksten :

B8-0203/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0217

<Date>{11/03/2019}11.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0203/2019</NoDocSe>
PDF 183kWORD 66k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over klimaatverandering: een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie</Titre>

<DocRef>(2019/2582(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Lynn Boylan, Younous Omarjee, Marie‑Christine Vergiat, Patrick Le Hyaric, Barbara Spinelli, Anja Hazekamp, Marie‑Pierre Vieu, Stefan Eck, Eleonora Forenza, Luke Ming Flanagan, Rina Ronja Kari, Marisa Matias, Martina Michels</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}namens de GUE/NGL-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0195/2019

B8‑0203/2019

Resolutie van het Europees Parlement over klimaatverandering: een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie

(2019/2582(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 met als titel "Een schone planeet voor iedereen - Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie" (COM(2018)0773),

 gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorende Protocol van Kyoto,

 gezien de Overeenkomst van Parijs, besluit 1/CP.21, de 21e conferentie van de partijen (COP21) bij het UNFCCC en de 11e conferentie van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs, Frankrijk, hebben plaatsgevonden,

 gezien de 24e Conferentie van de partijen (COP24) bij het UNFCCC, de 14e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP14) en het derde deel van de 1e sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA1.3), die van 2 t/m 14 december 2018 in Katowice, Polen, hebben plaatsgevonden,

 gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de Verenigde Naties,

 gezien zijn resolutie van 25 oktober 2018 over de VN-klimaatconferentie van 2018 in Katowice, Polen (COP24)[1],

 gezien de conclusies van de Europese Raad van 22 maart 2018,

 gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) met als titel "Global Warming of 1,5 °C", het vijfde evaluatierapport (AR5) en het samenvattend verslag,

 gezien de negende editie van het UN Environment Emissions Gap Report, aangenomen op 27 november 2018,

 gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD),

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en van de Commissie industrie, onderzoek en energie,

 gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de COP24 in Katowice resulteerde in de goedkeuring van het regelboek van Katowice, dat zorgt voor juridische duidelijkheid bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs;

1. benadrukt dat de Europese burgers reeds worden geconfronteerd met rechtstreekse gevolgen van de klimaatverandering; onderstreept dat volgens het Europees Milieuagentschap de gemiddelde jaarlijkse verliezen ten gevolge van extreme weers- en klimaatgerelateerde omstandigheden in de Unie tussen 2010 en 2016 ongeveer 12,8 miljard EUR bedroegen, en dat indien geen verdere maatregelen worden genomen, de klimaatschade in de EU tegen 2080 zou kunnen oplopen tot ten minste 190 miljard EUR, wat overeenkomt met een nettoverlies aan welvaart van 1,8 % van het huidige bbp; benadrukt dat in een scenario met een hoge uitstoot de jaarlijkse kosten in verband met overstromingen in de EU tegen 2100 kunnen oplopen tot 1 biljoen EUR en dat door het weer veroorzaakte rampen tegen 2100 ongeveer twee derde van de Europese burgers kunnen treffen, ten opzichte van de huidige 5 %; merkt ook op dat volgens het Europees Milieuagentschap 50 % van de bevolkte gebieden in de EU tegen 2030 zullen lijden onder een ernstige waterschaarste;

2. herinnert aan de resultaten van de Eurobarometer van november 2018 volgens welke 93 % van de Europeanen gelooft dat de klimaatverandering wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten en 85 % het ermee eens is dat de bestrijding van de klimaatverandering en een efficiënter gebruik van energie kunnen resulteren in economische groei en werkgelegenheid in Europa; merkt op dat de klimaatverandering een hoge prioriteit heeft onder de mensen in Europa;

3. onderstreept dat het speciaal rapport van het IPCC over de opwarming van de aarde van 1,5 °C de meest uitgebreide en actuele wetenschappelijke beoordeling is van de met de Overeenkomst van Parijs overeenstemmende mitigatietrajecten;

4. benadrukt dat volgens het speciaal rapport van het IPCC over de opwarming van 1,5 °C de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C, met of zonder een beperkte overschrijding, ertoe leidt dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd uiterlijk in 2067 tot nul moet zijn teruggebracht en dat de jaarlijkse wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 tot ongeveer 27,4 GtCO2eq per jaar wordt beperkt; benadrukt dat de Unie in het licht van deze bevindingen als wereldleider moet streven naar het zo vroeg mogelijk en uiterlijk in 2050 realiseren van broeikasgasneutraliteit om een goede kans te hebben de mondiale temperatuurstijging tot 2100 te beperken tot 1,5 °C;

5. uit zijn zorgen over het UN Environment Emissions Gap Report van 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de huidige onvoorwaardelijke nationaal bepaalde bijdragen (NDC's) de opwarmingslimiet van ver onder 2 °C ruim overschrijden en in plaats daarvan leiden tot een geschatte temperatuurstijging van 3,2 °C[2] tegen 2100; benadrukt dat alle partijen bij het UNFCCC hun klimaatambitie tegen 2020 dringend moeten verhogen;

6. is ingenomen met de bekendmaking van de mededeling van de Commissie getiteld "Een schone planeet voor iedereen - Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie", waarin de kansen worden onderstreept die de transitie naar een broeikasgasneutrale economie biedt voor de Europese burger en de Europese economie, met betrokkenheid van EU-instellingen, nationale parlementen, het bedrijfsleven, de sociale sector, niet-gouvernementele organisaties en burgers; steunt de doelstelling van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 en dringt er bij de lidstaten op aan hetzelfde te doen op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019;

Trajecten voor de Europese nulemissiestrategie voor het midden van de eeuw

7. verzoekt de Europese Unie de strijd tegen de opwarming van de aarde tot een van haar grondwaarden te maken;

8. merkt op dat de strategie voor broeikasgasneutraliteit acht trajecten omvat voor de economische, technologische en sociale transformatie die de Unie nodig heeft om te voldoen aan de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs; merkt op dat slechts twee van deze trajecten de Unie in staat zouden stellen uiterlijk in 2050 broeikasgasneutraliteit te realiseren; benadrukt dat alle niveaus, van de lokale en regionale overheden tot de nationale en Europese overheden, met betrokkenheid van alle niet-openbare actoren, hiertoe snel actie moeten ondernemen en aanzienlijke inspanningen moeten leveren; erkent dat regionaal en lokaal bepaalde bijdragen belangrijke instrumenten kunnen zijn om de tekortkoming ten aanzien van de uitstootreductie te overbruggen; herinnert eraan dat de lidstaten op grond van de verordening inzake de governance van de energie-unie verplicht zijn om nationale langetermijnstrategieën vast te stellen[3]; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan duidelijke streefdoelen en beleidslijnen voor de korte en lange termijn in te voeren die stroken met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en investeringsondersteuning te bieden voor broeikasgasneutrale trajecten;

9. stelt met bezorgdheid vast dat de EU momenteel voor 55 % van haar totale energie, evenals voor 90 % van haar olie en 70 % van haar gas, afhankelijk is van invoer; benadrukt dat bij een nulemissiescenario deze afhankelijkheid tegen 2050 zou afnemen tot 20 %, wat positieve gevolgen zou hebben voor de handelsbalans en geopolitieke situatie van de EU; merkt op dat de cumulatieve besparingen op de invoer van fossiele brandstoffen tussen 2031 en 2050 ongeveer 2 tot 3 biljoen EUR zouden bedragen, wat zou kunnen worden uitgegeven voor andere prioriteiten van de Europese burger;

10. benadrukt dat minder luchtvervuiling bij het nulemissiescenario zou leiden tot een afname van vroegtijdige sterfte als gevolg van fijne deeltjes met meer dan 40 %; merkt op dat de gezondheidsschade in een dergelijk scenario met ongeveer 200 miljard EUR per jaar zou afnemen;

11. is ingenomen met de opname van twee trajecten die gericht zijn op het bereiken van broeikasgasneutraliteit tegen 2050 en met de steun van de Commissie voor deze trajecten, en is van mening dat de doelstelling voor het midden van deze eeuw de enige doelstelling is die verenigbaar is met de toezeggingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs; betreurt het dat in de strategie geen trajecten werden overwogen waarmee vóór 2050 broeikasgasneutraliteit wordt gerealiseerd;

12. benadrukt dat klimaatverandering en biodiversiteit onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden; maakt zich ernstig zorgen over het wereldwijde falen om het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen; benadrukt dat biodiversiteit een essentiële intrinsieke waarde heeft en van cruciaal belang is voor ons voortbestaan;

Sociale aspecten van klimaatverandering en een eerlijke transitie

13. is verheugd over de stelling van de Commissie dat broeikasgasneutraliteit kan worden bereikt zonder netto banenverlies en neemt met tevredenheid nota van de gedetailleerde beoordeling van de transitie in de energie-intensieve industrieën; benadrukt dat, indien er correct wordt omgegaan met en wordt voorzien in passende steun voor de meest kwetsbare regio's, sectoren en burgers, een eerlijke overgang naar broeikasgasneutraliteit kan leiden tot een nettowinst van banen in de Unie – de werkgelegenheid in de gehele economie zal toenemen met 2,1 miljoen banen tegen 2050 bij een scenario van broeikasgasneutraliteit in vergelijking met een toename van de werkgelegenheid met 1,3 miljoen banen bij een scenario van een emissiereductie met 80 %; is daarom van mening dat de Commissie in het kader van het EU-vaardighedenpanorama een nieuwe vaardighedenbeoordeling moet ontwikkelen op basis van regionale gegevens over de vaardigheden die nodig zijn voor een klimaatneutraal Europa, zodat steun kan worden verleend aan de meest kwetsbare regio's, sectoren en mensen met het oog op omscholing voor hoogwaardige, toekomstbestendige banen in die regio's;

14. is van mening dat de klimaattransitie van Europa ecologisch, economisch en sociaal duurzaam moet zijn; benadrukt dat het, met het oog op het tot stand brengen van een politiek draagvlak bij alle burgers, belangrijk is om rekening te houden met de verdelingseffecten van beleid inzake klimaat en het koolstofvrij maken van de economie, met name voor personen met een laag inkomen; is dan ook van mening dat bij alle Europese en nationale beleidsmaatregelen ten volle rekening moet worden gehouden met de sociale impact, teneinde een maatschappelijke en ecologische transformatie te kunnen bewerkstelligen; benadrukt in dit verband dat op maat gemaakte en voldoende gefinancierde strategieën op alle niveaus moeten worden bedacht, op basis van inclusieve processen en in nauwe samenwerking met lokale en regionale overheden, vakbonden, onderwijsinstellingen, maatschappelijke organisaties en de particuliere sector, om ervoor te zorgen dat alle Europese burgers eerlijke en gelijke kansen krijgen tijdens deze overgang;

15. herinnert eraan dat ongeveer 50 tot 125 miljoen Europese burgers momenteel het risico lopen op energiearmoede[4]; benadrukt dat de energietransitie mensen met een laag inkomen onevenredig kan treffen en de energiearmoede nog verder kan doen toenemen; erkent dat een sociale dimensie moet worden opgenomen in het energiebeleid en dat moet worden gewaarborgd dat niemand wordt vergeten; verzoekt de lidstaten om toekomstgerichte acties te ondernemen om een eerlijke energietransitie en toegang tot energie voor alle EU-burgers te waarborgen;

16. is van mening dat jongeren zich steeds meer bewust zijn van acute sociale en milieukwesties, zodat onze samenlevingen kunnen worden omgevormd voor een klimaatbestendige toekomst, en dat het onderwijs van jongeren een van de doeltreffendste middelen is om de klimaatverandering tegen te gaan; wijst op de noodzaak om jongere generaties actief te betrekken bij het opbouwen van internationale, interculturele en intergenerationele relaties, die ten grondslag liggen aan de culturele verandering die mondiale inspanningen voor een duurzamere toekomst zullen ondersteunen;

17. is verheugd over het feit dat mensen in heel Europa steeds actiever worden bij het demonstreren voor klimaatrechtvaardigheid, met name door middel van stakingen van scholieren; is ingenomen met de oproepen van deze activisten voor meer ambitie en is van mening dat nationale, regionale en lokale overheden, alsmede de EU, gehoor moeten geven aan deze oproepen;

Tussentijdse doelstellingen

18. benadrukt dat om op de meest kostenefficiënte manier de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 tot nul terug te brengen, het ambitieniveau van 2030 moet worden verhoogd tot en afgestemd op de scenario’s voor broeikasgasneutraliteit tegen 2050; is van mening dat het van het grootste belang is dat de Unie duidelijk het signaal geeft dat zij bereid is haar bijdrage aan de Overeenkomst van Parijs te herzien, en dit uiterlijk in september 2019 tijdens de VN-klimaattop in New York te doen;

19. is voorstander van een actualisering van de NDC's van de Unie met voor de hele economie een doelstelling om de interne broeikasgasemissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990; dringt er daarom bij de EU-leiders op aan een dergelijke verhoging van de NDC's van de Unie te ondersteunen op de speciale EU-top in Sibiu in mei 2019, met het oog op de VN-klimaattop in september 2019;

20. is daarom van mening dat de Commissie uiterlijk tijdens de evaluaties van 2022-2024 van het klimaatpakket 2030 en andere desbetreffende wetgeving, wetgevingsvoorstellen moet overleggen om het ambitieniveau te verhogen in overeenstemming met de geactualiseerde NDC's en de broeikasgasneutraliteitsdoelstelling; gelooft dat onvoldoende ambitie voor 2030 de toekomstige opties zou beperken, mogelijk ook de beschikbaarheid van bepaalde opties voor het kostenefficiënt koolstofvrij maken; beschouwt deze evaluaties als een belangrijke mijlpaal in het waarborgen van de klimaatverbintenissen van de EU;

21. is van mening dat, als middel om de markten verder te stabiliseren, het ook bevorderlijk zal zijn voor de EU om voor 2040 een tussentijdse doelstelling voor de emissiereductie vast te stellen, die extra stabiliteit voorziet en ervoor kan zorgen dat de langetermijndoelstelling voor 2050 wordt gehaald;

Sectorale bijdragen

22. benadrukt het belang van een geïntegreerde, sectoroverschrijdende benadering om de inspanningen voor het koolstofvrij maken van het gehele energiesysteem en andere aanverwante sectoren te bevorderen en de vruchten te plukken van een grotere efficiëntie; erkent dat de integratie van het energiesysteem kan zorgen voor meer flexibiliteit, een efficiënter systeem, meer gebruik van hernieuwbare energieën op alle energiedragers en uiteindelijk een kosteneffectieve energietransitie;

23. benadrukt dat de EU-regeling voor de emissiehandel er sinds de invoering ervan in 2005 niet in is geslaagd voor emissiereducties te zorgen en de discussie over ernstige klimaatactie op EU-niveau heeft vertraagd; is van mening dat de koolstofmarkt een onwettig systeem was dat niet kan worden rechtgezet door herzieningen en dat de klimaatverandering geen halt zal worden toegeroepen als we het alleen aan de werking van de markt overlaten; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan af te stappen van de EU-regeling voor de emissiehandel en de voorkeur te geven aan rechtstreekse regelgeving die de industrie van fossiele brandstoffen en de grootste vervuilers viseert;

24. wijst op het belang van innovatie ten aanzien van een breed scala van technologieën en moedigt deze aan teneinde de economie koolstofvrij te maken, zoals emissievrij vervoer, de circulaire economie en de bio-economie; dringt erop aan de steun aan fossiele energie stop te zetten en de financiering in plaats daarvan toe te kennen aan economische activiteiten, met name gericht op micro-ondernemingen en kmo's die actief zijn op het gebied van onderzoek en ontwerp inzake schone technologie en (lokale) productie van hernieuwbare energie, alsmede aan lokale duurzame voedselproductie, weg van de intensieve landbouw;

25. herinnert eraan dat 71 % van alle energie uitsluitend wordt gebruikt voor de verwarming van ruimten en dat energie-efficiëntie woningen dan ook de norm zullen worden in een klimaatneutrale EU, wat zorgt voor een betere gezondheid en meer comfort voor alle Europeanen;

26. wijst op de centrale rol van hernieuwbare energiebronnen in de transitie naar een broeikasgasneutrale economie, aangezien energie momenteel verantwoordelijk is voor 75 % van de uitstoot van broeikasgassen in Europa;

27. is van mening dat technologische ontwikkelingen en oplossingen, energie-efficiëntie aan zowel de vraag- als aanbodzijde, duurzame hernieuwbare energie in de vervoers-, gebouwen-, verwarmings- en koelings-, en elektriciteitssector en de beginselen van de circulaire economie allemaal van cruciaal belang zijn om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen;

28. vraagt om een zeer energie-efficiënt en op hernieuwbare energie gebaseerd energiesysteem; vraagt de Commissie en de lidstaten om in dit verband alle nodige maatregelen te nemen, aangezien dit overloopeffecten zal hebben voor alle economische sectoren; dringt erop aan dat de energie-efficiëntierichtlijn bindend wordt gemaakt zodat de doelstellingen ervan effectief kunnen worden behaald; benadrukt dat alle trajecten moeten leiden tot een uiterlijk tegen 2050 volledig koolstofvrije energiesector, een drastische vermindering van fossiele brandstoffen en een sterke toename van hernieuwbare energie;

29. benadrukt dat binnen de hele energieketen, van opwekking, transmissie en distributie tot eindgebruik van energie, rekening moet worden gehouden met het beginsel "energie-efficiëntie eerst", en dat energie-efficiëntie altijd een factor moet zijn bij beslissingen over de planning of financiering van relevante energiesystemen;

30. onderstreept dat de richtlijn inzake ecologisch ontwerp[5] aanzienlijk heeft bijgedragen tot de klimaatstreefdoelen van de EU, door de uitstoot van broeikasgassen met 320 miljoen ton CO2-equivalent per jaar te reduceren en dat consumenten in de EU naar schatting tegen 2020 in totaal tot 112 miljard EUR, of ongeveer 490 EUR per huishouden, per jaar zullen besparen als gevolg van de richtlijn; verzoekt om de regulering van aanvullende producten in het kader van de richtlijn ecologisch ontwerp, waaronder tablets en smartphones, en om de voortdurende actualisering van bestaande normen teneinde de technologische ontwikkeling te weerspiegelen;

31. wijst erop dat de strategie bevestigt dat de broeikasgasemissies in de vervoerssector nog steeds stijgen en dat de huidige beleidsmaatregelen niet zullen volstaan om de vervoerssector tegen 2050 koolstofvrij te maken; wijst erop dat het belangrijk is een verschuiving te waarborgen van lucht- naar treinvervoer en naar openbaar vervoer en gedeelde mobiliteit; merkt op dat het wegvervoer verantwoordelijk is voor ongeveer een vijfde van de totale CO2-uitstoot in de EU; roept de lidstaten en de Commissie dan ook op beslissende stappen te zetten om emissiearme en emissievrije voertuigen toegankelijk te maken voor consumenten in alle lidstaten en tegelijkertijd te voorkomen dat er in de lidstaten met een lager inkomen meer oude, sterk vervuilende voertuigen in het verkeer terechtkomen; onderstreept daarnaast de rol van slimme technologieën, zoals slimme oplaadinfrastructuur, bij het zorgen voor synergieën tussen de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

32. benadrukt het feit dat subsidies die sommige lidstaten geven onder het mom van een "conversiebonus" in meer dan 90 % van de gevallen eigenlijk diesel- en benzinevoertuigen goedkoper maken voor consumenten, en roept de betreffende lidstaten ertoe op deze bonussen te wijzigen zodat de effectieve doelstelling voor de aankoop van minstens 50 % elektrische of emissievrije voertuigen wordt behaald;

33. onderstreept dat alle sectoren, met inbegrip van de internationale lucht- en scheepvaart, moeten bijdragen om de klimaatneutraliteit van de gehele EU-economie te kunnen verwezenlijken; merkt op dat uit de analyse van de Commissie blijkt dat de huidige mondiale streefcijfers en maatregelen waarin de Internationale Maritieme Organisatie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie voorzien de noodzakelijke emissiereducties niet behalen, zelfs niet wanneer zij volledig ten uitvoer worden gelegd, en dat aanzienlijke verdere actie nodig is die in overeenstemming is met de doelstelling van broeikasgasneutraliteit voor de hele economie; wijst op de noodzaak van investeringen in koolstofvrije en -arme technologieën en brandstoffen in deze sectoren; verzoekt de Commissie het vervuiler betaalt-beginsel in deze sectoren in de praktijk te brengen, met name ten aanzien van de kerosinebelasting en ticketprijzen in de luchtvaart; herinnert eraan dat de uitstoot van broeikasgassen door de internationale scheepvaart tegen 2050 naar verwachting met 250 % zal stijgen; is verheugd over het feit dat de internationale scheepvaartsector een absoluut reductiestreefcijfer voor broeikasgasemissies voor zichzelf heeft vastgesteld; is verontrust over het gebrek aan vooruitgang in de omzetting van deze doelstelling in concrete actie, zoals het uitroepen van de Middellandse Zee tot beheersgebied voor SOx-emissie (SECA) voor oceaanboten en grote schepen, zoals al het geval is voor de Noordzee en het Kanaal;

34. benadrukt dat de landbouwsector, met name de veeteelt, verantwoordelijk is voor ongeveer 10 % van de totale broeikasgasemissies van de EU, de grootste verantwoordelijke is voor de uitstoot van methaan en wereldwijd een ernstige negatieve impact heeft op de biodiversiteit; maakt zich ernstige zorgen over het feit dat broeikasgasemissies van de landbouw de voorbije jaren zijn toegenomen en nu goed zijn voor ten hoogste 60 % van de huidige wereldwijde uitstoot van methaan; benadrukt dat de vermindering van emissies van het krachtige, maar kortstondige broeikasgas methaan een onontbeerlijke strategie is om de opwarming van de aarde onder 1,5 °C te houden;

35. herinnert eraan dat methaan een sterk broeikasgas is, met een opwarmingsvermogen over een periode van honderd jaar dat 28 keer groter is dan dat van CO2[6] en dat reducties van de uitstoot van methaan ook een belangrijke rol kunnen spelen bij het beperken van de ozonconcentraties op grondniveau en de negatieve gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit en de menselijke gezondheid; is verheugd over de intentie van de Commissie om de uitstoot van methaan in de betrokken sectoren te reduceren, wat de ozonconcentraties in de EU verder kan beperken, en om op internationaal niveau reductie van de methaanuitstoot te bevorderen;

36. merkt op dat de gebouwensector van de EU momenteel verantwoordelijk is voor 40 % van het Europese eindenergieverbruik en voor 36 % van haar CO2-uitstoot[7]; verzoekt om het benutten van het potentieel van de sector voor energiebesparingen en om de beperking van de koolstofvoetafdruk in overeenstemming met de doelstelling in de richtlijn energieprestatie van gebouwen[8] van het verwezenlijken van een zeer energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tegen 2050; benadrukt dat het efficiënter maken van het energieverbruik in gebouwen een aanzienlijk potentieel in zich draagt voor een verdere reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa; is daarnaast van mening dat het zorgen voor energiezuinige gebouwen, die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energie, een sine qua non is voor de Overeenkomst van Parijs en voor een EU-agenda voor groei, lokale werkgelegenheid en betere leefomstandigheden voor burgers in heel Europa;

37. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie zo spoedig mogelijk beleidsopties te verkennen om de uitstoot van methaan snel aan te pakken als onderdeel van een strategisch plan voor methaan van de Unie, en daartoe wetgevingsvoorstellen in te dienen bij het Parlement en de Raad; onderstreept dat de landbouw in 2050 een van de belangrijkste resterende bronnen van broeikasgasemissies in de EU zal zijn, met name als gevolg van de uitstoot van methaan en distikstofoxide; onderstreept het potentieel van de landbouwsector om de uitdagingen van de klimaatverandering aan te pakken, bijvoorbeeld door een verkleining van de veestapel, door middel van ecologische en technologische innovaties en door middel van de afvang van koolstof in bodems;

38. benadrukt de verantwoordelijkheid van EU-beleidsmaatregelen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de jaren heen, die hebben geleid tot een toename van de concentratie van productie, de niveaus van intensieve landbouw en het misbruik van dieren, met het gebruik van hoge dosissen chemicaliën (pesticiden en meststoffen), met als gevolg regionale asymmetrieën en afhankelijkheid van de EU van invoer uit het buitenland van landbouwproducten; verzoekt te vertrekken vanuit een echte traditie van biodiversiteit voor elk land dat de broeikasgasemissies kan verminderen, overeenkomstig de overgang naar een klimaatneutrale economie in plaats van het klimaat harde klappen toe te dienen, wat leidt tot meer vervuiling van land, water en lucht, met name in Europa, en in alle lidstaten opnieuw een duurzaam landbouwbeleid in te voeren;

39. betreurt het dat de mogelijkheid om de EU-actie op het gebied van gefluoreerde broeikasgassen te versterken niet is opgenomen in de strategie van de Commissie; wijst erop dat het voorkomen van de illegale handel in fluorkoolwaterstof (HFC) door middel van de goedkeuring van een vergunningenregeling voor fluorkoolwaterstof, het verbieden van het gebruik van fluorkoolwaterstof in sectoren die deze stof niet langer nodig hebben, het toewijzen van rechten voor fluorkoolwaterstof door middel van een veilingssysteem, en de volledige uitvoering van de verordening inzake gefluoreerde broeikasgassen[9] door al het onnodige gebruik van SF66 te verbieden, duidelijke mogelijkheden zijn om de EU te helpen haar doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs te behalen;

40. is bezorgd over de discrepantie tussen ambities voor vrije handel en klimaatactie en de negatieve impact die toekomstige handelsovereenkomsten, zoals TTIP, CETA en TiSA, op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen hebben; roept de Commissie dan ook op om bindende bepalingen inzake mensenrechten en duurzameontwikkelingsdoelstellingen op te nemen in alle beleidsmaatregelen met betrekking tot handel en de democratische soevereine beleidsruimte van regeringen om regels op te stellen en beslissingen te nemen ten gunste van hun bevolkingen effectief te respecteren;

41. roept op tot de tenuitvoerlegging, met volledige naleving van nationale bevoegdheden, van een breder Europees wettelijk kader waarbinnen het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraken kan doen over klimaat- en milieumisdrijven;

42. benadrukt de noodzaak van de invoering van duurzame bosbeheerpraktijken die het evenwicht tussen drie hoofdpijlers van duurzame ontwikkeling behouden, met name ecologische, economische en socioculturele ontwikkeling, om beheersmaatregelen te ondersteunen met aanzienlijke effecten van de opslag en vastlegging van koolstof, zoals het gebruik van timmerhout als bouwmateriaal, zowel in steden als in plattelandsgebieden, als vervanging van fossiele brandstoffen en als een instrument voor betere waterretentie;

43. erkent het aanzienlijke maar uiteindelijk beperkte potentieel voor bebossing in Europa; is daarom van mening dat bebossingsinitiatieven moeten worden aangevuld met concrete initiatieven en stimulansen die als doel hebben het potentieel voor koolstofvastlegging te verbeteren en tegelijkertijd de gezondheid van bestaande bosgebieden te waarborgen en te verbeteren, teneinde aan het klimaat, de duurzame bio-economie en de biodiversiteit een positieve bijdrage te leveren; is dan ook voorstander van de bebossing van verlaten en amper productieve landbouwgronden, agrobosbouw en de minimalisering van de omzetting van bosgebieden naar ander land, alsook een uitgebreide bescherming en herstelling van bossen en moerasgebieden als natuurlijke koolstofverwijderaars;

44. wijst erop dat de maatregelen en het beleid van de EU ook gevolgen hebben voor natuurlijke putten, land en bossen buiten Europa en dat de EU-strategie voor CO2-neutraliteit schadelijke klimaateffecten van EU-optreden in derde landen moet voorkomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband te pleiten voor robuuste internationale regels in het kader van het regelboek van Parijs, en met name in verband met artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs, teneinde lacunes bij de verrekening en de dubbele telling van bebossingsmaatregelen te voorkomen die de mondiale klimaatinspanningen zouden kunnen afzwakken;

45. roept op tot de invoering van een ontradingsbelasting op papier om het gebruik ervan op alle niveaus tot een minimum te beperken, vooral voor reclame en oververpakking, en tot een verbod op het kappen van hout voor de productie van papier en meubilair buiten gekweekte bossen; dringt erop aan alternatieve werkwijzen uit te werken, wat mogelijk wordt gemaakt door de zeer hoge ontwikkeling van digitale dragers in onze hedendaagse samenlevingen;

46. wijst op de dringende noodzaak om de voetafdruk van de consumptie- en productiepatronen van de EU te verminderen, niet alleen binnen maar ook buiten de EU, waarbij de productie van voornamelijk veevoeder en biobrandstoffen een enorme druk legt op het klimaat en op ecosystemen met hoge koolstofvoorraden zoals regenwouden en veengronden; roept op tot meer steun voor de eiwit- en energietransities die de Europese voetafdruk aanzienlijk kunnen verkleinen; is verheugd over de bijkomende voordelen voor biodiversiteit, voedselveiligheid, menselijke gezondheid en dierenwelzijn die gepaard zullen gaan met het welslagen van deze transities;

47. wijst op de rol van houtproducten met een lange levensduur en de rol hiervan in de sector van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) tegen 2030; benadrukt dat de bijdrage van deze producten, en niet alleen producten uit beheerde bossen en bebost land, maar ook uit de categorie landbouwgrond, in het toekomstige kader in aanmerking moet worden genomen;

48. wijst op het belang van het stroomlijnen van landbouwmodellen die landbouwsystemen ondersteunen die bestand zijn tegen extreem weer en plagen en die zorgen voor verbeteringen van de koolstofvastlegging van bodems, het vasthouden van water en agrobiodiversiteit;

Financiering en onderzoek

49. is van mening dat het meerjarig financieel kader 2021-2027 voor de goedkeuring ervan moet worden geëvalueerd in het licht van de doelstelling om tegen 2050 een klimaatneutrale economie tot stand te brengen en dat een standaardtest moet worden vastgesteld om te verzekeren dat uitgaven in het kader van de EU-begroting klimaatbestendig zijn; onderstreept dat klimaatmainstreaming volledig moet worden geïntegreerd in onderzoeks- en innovatieonderwerpen en in alle stadia van de onderzoekscyclus moet worden toegepast als een van de beginselen van de EU-financiering;

50. benadrukt het belang van de oprichting van een eerlijk transitiefonds, met name voor de regio's die het meest getroffen zijn door het koolstofvrij maken, zoals mijngebieden, waarbij ernstig rekening wordt gehouden met de sociale impact bij bestaande klimaatfinanciering;

51. verzoekt de ECB, die een EU-instelling is en aldus gebonden is door de Overeenkomst van Parijs, om op ambitieuze wijze de toekenning van leningen ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling en ecologische transitie te vergroten en te streven naar een duurzame jaarlijkse toename van deze leningen, te koste van leningen voor de sectoren van fossiele brandstoffen;

52. betreurt het feit dat zowel rechtstreekse als onrechtstreekse subsidies voor fossiele brandstoffen nog steeds toenemen en oplopen tot ongeveer 55 miljard EUR per jaar; roept de EU en de lidstaten[10] op onmiddellijk werk te maken van de uitfasering van alle Europese en nationale subsidies voor fossiele brandstoffen, geen nieuwe vergunningen voor exploratie of exploitatie van olie of gas meer uit te reiken en de exploitatie van de bestaande concessies te laten uitdoven tegen 2030;

De rol van de consumenten en de circulaire economie

53. stelt vast dat, ondanks de statistieken van de FAO die wijzen op een afname van de totale consumptie van vlees en dierlijke producten per capita in de EU-28 sinds de jaren 1990, de totale vleesproductie in diezelfde periode is toegenomen, wat toe te schrijven is aan de expansie van overzeese markten, die nog koolstofintensiever zijn, en aan de handelsagenda van de EU; stelt vast dat de beperkte capaciteit van de EU om vlees en dierlijke producten te produceren betekent dat haar handelsbeleid korte leveringsketens voor deze producten moet aanmoedigen;

54. roept op tot bijkomende maatregelen om deze tendens te ondersteunen, onder meer in de vorm van fiscale hervormingen om gezonde en milieuvriendelijke keuzen aantrekkelijker te maken, steun voor innovaties in duurzame voeding, openbare informatiecampagnes over de klimaatimpact van voeding en een einde aan financiële steun voor de marketing van dierlijke eiwitten;

55. roept op tot een verlaagd btw-tarief voor restaurateurs die producten uit de korte keten en biologische voedingsproducten gebruiken;

56. benadrukt hoe belangrijk het is dat de EU niet alleen overschakelt op een andere energiegrondstof, maar ook op andere producten/materialen, d.w.z. dat zij producten en materialen die zijn gebaseerd op fossiele grondstoffen of tijdens de productie een hoge uitstoot veroorzaken vervangt door producten op basis van hernieuwbare bronnen;

De EU en wereldwijde klimaatactie

57. benadrukt het belang van meer initiatieven en een voortdurende dialoog in relevante internationale fora, en van effectieve klimaatdiplomatie met als doel aan te sporen tot soortgelijke beleidsbeslissingen die een invloed hebben op de klimaatambitie in andere regio's en derde landen; roept de EU op om haar eigen klimaatfinanciering op te trekken en zich actief in te zetten om lidstaten aan te moedigen hun klimaatsteun (eerder ontwikkelingshulp dan leningen) aan derde landen te vergroten, deze steun zou bovenop de overzeese ontwikkelingsbijstand komen en mag niet dubbel worden gerekend als zowel ontwikkelings- als klimaatsteun;

58. betreurt het feit dat veel andere grote economieën nog niet werken aan strategieën tegen 2050 en dat er bijna geen besprekingen zijn over een toename van de NDC's zodat zij voldoen aan de wereldwijde doelstelling van de Overeenkomst van Parijs; verzoekt de Raad en de Commissie dan ook de klimaatdiplomatie te vergroten en andere gepaste maatregelen te nemen om andere grote economieën aan te moedigen zich te houden aan gezamenlijke kaders en actie binnen VN-programma's, zodat we samen de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs kunnen behalen;

59. benadrukt dat de VN-klimaattop in september 2019 het ideale moment zou zijn voor leiders om een grotere ambitie op het gebied van NDC's aan te kondigen; is van mening dat de EU ruim op voorhand een standpunt over de actualisering van haar NDC moet innemen, zodat zij goed voorbereid op de klimaattop aankomt, en nauw moet samenwerken met een internationale coalitie van partijen ter ondersteuning van een uitgebreide klimaatambitie;

 

°

° °

60. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

[1] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0430.

[2] UNEP, "The Emissions Gap Report 2018", blz.10.

[3] Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

[4] http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/563472/IPOL_STU(2015)563472_EN.pdf

[5] Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

[6] Van Dingenen, R., Crippa, M., Maenhout, G., Guizzardi, D., Dentener, F., Global trends of methane emissions and their impacts on ozone concentrations, EUR 29394 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2018, ISBN 978-92-79-96550-0, doi:10.2760/820175, JRC113210.

[7] https://ec.europa.eu/energy/en/topics/energy-efficiency/buildings

[8] Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).

[9] Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).

[10] Energieprijzen en -kosten in Europa, COM(2019) 0001 final, blz. 10.

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling