Procedure : 2019/2606(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0219/2019

Ingediende teksten :

B8-0219/2019

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0316

<Date>{20/03/2019}20.3.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0219/2019</NoDocSe>
PDF 163kWORD 60k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 106, leden 2 en 3, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2‑ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.)</Titre>

<DocRef>(D060866/01 – 2019/2606(RSP))</DocRef>


<Commission>{ENVI}Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid</Commission>

Verantwoordelijke leden: <Depute>Pavel Poc, Bas Eickhout, Kateřina Konečná</Depute>


B8‑0219/2019

Resolutie van het Europees Parlement over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.)

(D060866/01 – 2019/2606(RSP))

 

Het Europees Parlement,

 gezien over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie tot gedeeltelijke verlening van een autorisatie voor bepaalde vormen van gebruik van bis(2‑ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (Grupa Azoty Zakłady Azotowe Kędzierzyn S.A.) (D060866/01),

 gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie[1] ("de Reach-verordening"), en met name artikel 64, lid 8,

 gezien de adviezen van het Comité risicobeoordeling (Committee for Risk Assessment, RAC) en het Comité sociaaleconomische analyse (Committee for Socio-economic Analysis, SEAC)[2], overeenkomstig artikel 64, lid 5, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1907/2006,

 gezien Verordening (EU) 2018/2005 van de Commissie van 17 december 2018 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft bis(2‑ethylhexyl)ftalaat (DEHP), dibutylftalaat (DBP), benzylbutylftalaat (BBP) en diisobutylftalaat (DIBP)[3],

 gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[4],

 gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit XXX van de Commissie voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van bis(2‑ethylhexyl)ftalaat (DEHP) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad[5],

 gezien het arrest van het Gerecht van de Europese Unie in zaak T-837/16[6],

 gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,

 gezien artikel 106, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A. overwegende dat DEHP in 2008 is toegevoegd aan de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden ingedeeld als zeer zorgwekkende stof uit hoofde van de Reach-verordening[7] omdat het als giftig voor de voortplanting is ingedeeld;

B. overwegende dat DEHP in 2011 in bijlage XIV bij de Reach-verordening is opgenomen[8] wegens die indeling, wegens het wijdverbreide gebruik ervan en wegens het grote productievolume in de Unie[9], met 21 februari 2015 als verbodsdatum;

C. overwegende dat bedrijven die DEHP wilden blijven gebruiken, uiterlijk in augustus 2013 een autorisatieaanvraag moesten indienen; overwegende dat Grupa Azoty, dat zijn aanvraag vóór die termijn heeft ingediend, toestemming heeft gekregen om DEHP te blijven gebruiken in afwachting van het besluit betreffende de autorisatie als bedoeld in artikel 58 van de Reach-verordening;

D. overwegende dat de Commissie in januari 2015 de adviezen van het RAC en het SEAC heeft ontvangen; overwegende dat de vertraging die de Commissie bij de opstelling van het besluit heeft opgelopen, de facto tot gevolg heeft gehad dat het gebruik van DEHP ruim vier jaar na de verbodsdatum nog steeds wordt getolereerd;

E. overwegende dat in 2014 is vastgesteld dat DEHP hormoonontregelende eigenschappen voor mens en dier heeft; overwegende dat de lijst van kandidaten dienovereenkomstig is geactualiseerd, in 2014[10] wat het milieu betreft en in 2017[11] wat de menselijke gezondheid betreft;

F. overwegende dat bij Verordening (EU) 2018/2005 een beperking op het gebruik van DEHP en andere ftalaten in veel voorwerpen is opgelegd wegens een onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid; overwegende dat het RAC er in de context van die beperking op heeft gewezen dat "uit de onzekerheidsbeoordeling blijkt dat de gevaren en dus de risico's van de vier ftalaten wellicht onderschat worden"[12];

G. overwegende dat bij Verordening (EU) 2018/2005 een beperking op het gebruik van DEHP en andere ftalaten in de meeste voorwerpen is opgelegd, met een vrijstelling voor bepaalde toepassingen; overwegende dat, de uitvoer van formuleringen die DEHP bevatten terzijde gelaten, het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie daarom van bijzonder belang is voor die vrijgestelde aanvragen;

H. overwegende dat die toepassingen echter een onaanvaardbaar risico voor het milieu kunnen inhouden, met name door de hormoonontregelende eigenschappen van DEHP;

I. overwegende dat de Reach-verordening, gelet op overweging 16 daarvan, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie[13], als hoofddoel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen;

J. overwegende dat de vervanging van zeer zorgwekkende stoffen door geschikte alternatieve stoffen of technieken volgens artikel 55 en overweging 12 van de Reach-verordening een centrale doelstelling van autorisatie is;

K. overwegende dat artikel 62, lid 4, onder d), van de Reach-verordening bepaalt dat de aanvrager een chemischeveiligheidsrapport overeenkomstig bijlage I moet indienen;

L. overwegende dat in dit geval in het advies van het RAC ernstige tekortkomingen in de door de aanvrager verstrekte informatie zijn vastgesteld[14];

M. overwegende dat het RAC en de Commissie tot de conclusie zijn gekomen dat de aanvrager niet overeenkomstig artikel 60, lid 2, heeft aangetoond dat het risico afdoende wordt beheerst; overwegende dat het RAC ook heeft geconcludeerd dat het risico, in strijd met artikel 60, lid 10, niet tot het laagste technisch en praktisch haalbare niveau is beperkt;

N. overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie weliswaar wordt erkend dat er slechts "beperkte informatie over blootstelling op de werkplek" is ingediend[15], maar dat, in plaats van dat de autorisatie overeenkomstig artikel 60, lid 7, wordt geweigerd, de aanvrager wordt gevraagd de ontbrekende gegevens 18 maanden na de vaststelling van dat besluit te verstrekken in zijn herbeoordelingsverslag[16];

O. overwegende dat het in artikel 61 bedoelde herbeoordelingsverslag niet tot doel heeft bedrijven meer tijd te geven om lacunes op te vullen in de informatie die aanvankelijk moest worden verstrekt, maar wel ervoor te zorgen dat de informatie die aanvankelijk in de aanvraag is verstrekt, na zekere tijd nog steeds actueel is, met name als het erom gaat of er nieuwe alternatieven beschikbaar zijn;

P. overwegende dat het Gerecht duidelijk heeft gesteld dat de voorwaarden voor autorisatie in artikel 60, leden 8 en 9, niet rechtmatig kunnen worden gebruikt om mogelijke tekortkomingen of lacunes in de door de aanvrager verstrekte informatie te verhelpen[17];

Q. overwegende dat artikel 60, lid 4, bepaalt dat moet worden aangetoond dat de sociaaleconomische voordelen van het gebruik van de stof zwaarder wegen dan het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu en er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn;

R. overwegende dat in het advies van het SEAC werd gewezen op ernstige tekortkomingen in de sociaaleconomische analyse die de aanvrager heeft voorgelegd, en dat daar ook in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie op wordt gewezen[18];

S. overwegende dat een aanvrager krachtens artikel 55 en artikel 60, lid 4, moet aantonen dat er geen geschikte alternatieven zijn voor de toepassingen waarvoor hij een aanvraag heeft ingediend;

T. overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie wordt erkend dat gebruik 2 niet specifiek genoeg is[19]; overwegende dat het SEAC in de aanvraag ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de beschikbaarheid van alternatieven[20],[21];

U. overwegende dat de aanvrager zich op zijn status als fabrikant van de stof beroept, maar dat dit geen legitieme rechtvaardiging is om onvoldoende informatie te verstrekken over de geschiktheid van alternatieven voor de vormen van gebruik waarop de aanvraag betrekking heeft;

V. overwegende dat een lid van het SEAC zich officieel van de conclusie van het SEAC over het ontbreken van geschikte alternatieven heeft gedistantieerd omdat de verstrekte gegevens onvolledig waren[22];

W. overwegende dat artikel 60, lid 5, niet zo kan worden uitgelegd dat de geschiktheid van de alternatieven vanuit het oogpunt van de aanvrager de enige en bepalende factor is; overwegende dat artikel 60, lid 5, geen uitputtende lijst bevat van de informatie waarmee rekening moet worden gehouden bij de analyse van alternatieven; overwegende dat artikel 60, lid 4, onder c), ook vereist dat rekening wordt gehouden met informatie uit bijdragen van derden; overwegende dat uit informatie die tijdens de openbare raadpleging is verstrekt, toen reeds bleek dat er alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen in kwestie[23];

X. overwegende dat het Gerecht de Commissie eraan heeft herinnerd dat zij om op wettige wijze een vergunning krachtens artikel 60, lid 4, te verlenen, een voldoende hoeveelheid substantiële en betrouwbare informatie moet controleren om te concluderen dat er geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn voor de toepassingen waarop de aanvraag betrekking heeft of dat de op de datum van goedkeuring resterende onzekerheden over het ontbreken van beschikbare alternatieven van de vergunning verwaarloosbaar zijn[24];

Y. overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie staat dat het met vertraging is vastgesteld omdat rekening is gehouden met "de nieuwe beschikbare informatie afkomstig van de beperkingsprocedure"[25]; overwegende dat het daarom verbazingwekkend is dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie geen rekening is gehouden met de beschikbaarheid van alternatieven, die in het beperkingsdossier duidelijk is gedocumenteerd[26]; overwegende dat de in het beperkingsvoorstel vermelde alternatieven ook relevant zijn voor de vormen van gebruik waarop het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie betrekking heeft[27];

Z. overwegende dat de aanvrager zelf heeft aangekondigd dat hij nu van het gebruik van orthoftalaten, waaronder DEHP, is afgestapt[28];

AA. overwegende dat de Commissie ten slotte geen rekening heeft gehouden met het feit dat DEHP officieel is erkend als hormoonontregelende stof die de menselijke gezondheid en het milieu aantast; overwegende dat de Commissie met deze informatie rekening had moeten houden bij de sociaaleconomische beoordeling overeenkomstig artikel 60, lid 4, omdat de baten van een weigering om autorisatie te verlenen anders worden onderschat;

AB. overwegende dat de door de Commissie voorgestelde autorisatie dus in strijd is met artikel 60, lid 4, en artikel 60, lid 7, van de Reach-verordening;

AC. overwegende dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie achterblijvers zou belonen en negatieve gevolgen zou hebben voor bedrijven die in alternatieven hebben geïnvesteerd[29];

AD. overwegende dat in het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie staat dat "de Commissie nota heeft genomen" van de resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015; overwegende dat veel van de structurele tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het hoofdstuk van de Reach-verordening over autorisatie waarop het Parlement in die resolutie heeft gewezen, ook het onderhavige ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie ondeugdelijk maken[30];

AE. overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving[31] heeft herhaald dat "de overgang naar een circulaire economie een strikte toepassing van de afvalhiërarchie vereist en waar mogelijk de eliminatie van zorgwekkende stoffen, in het bijzonder wanneer veiliger alternatieven voorhanden zijn of zullen worden ontwikkeld";

1. is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Commissie een overschrijding inhoudt van de uitvoeringsbevoegdheden waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1907/2006;

2. verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsbesluit in te trekken en een nieuw ontwerp in te dienen waarin de autorisatieaanvraag wordt verworpen;

3. verzoekt de Commissie snel een einde te maken aan het gebruik van DEHP bij alle resterende toepassingen, in het bijzonder omdat er veiligere alternatieven voor zacht pvc en DEHP beschikbaar zijn;

4. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

[1] PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

[3] PB L 322 van 18.12.2018, blz. 14.

[4] PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

[5] PB C 366 van 27.10.2017, blz. 96.

[8] Verordening (EU) nr. 143/2011 van de Commissie van 17 februari 2011 tot wijziging van bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), (PB L 44 van 18.2.2011, blz. 2).

[12] "Uit de onzekerheidsbeoordeling blijkt dat de gevaren en dus de risico's van de vier ftalaten wellicht onderschat worden. De DNEL's voor DEHP en BBP zijn wellicht lager dan de huidige afgeleide doses. In een aantal experimentele en epidemiologische studies is sprake van mogelijke effecten op het immuunsysteem, het metabolisme en de neurologische ontwikkeling. Uit sommige van deze studies blijkt dat reproductietoxiciteit wellicht niet het gevoeligste eindpunt is en dat de geselecteerde DNEL's misschien niet voldoende bescherming bieden tegen deze andere effecten. Bovendien heeft het Comité lidstaten (MSC) bevestigd dat deze vier ftalaten hormoonontregelende stoffen zijn met betrekking tot de menselijke gezondheid, en de Commissie overweegt ze vast te stellen als stoffen die even zorgwekkend zijn in de zin van artikel 57, onder f), van de Reach-verordening. Dit leidt tot nog meer onzekerheid met betrekking tot het risico van deze stoffen." Zie https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66, blz. 9.

[13] Zaak C-558/07, S.P.C.M. SA e.a. tegen Secretary of State for the Environment, Food and Rural Affairs, punt 45, ECLI:EU:C:2009:430.

[14] "Het RAC is van oordeel dat de blootstellingsgegevens in het chemischeveiligheidsrapport niet representatief zijn voor het uitgebreide toepassingsgebied van de aanvraag. Daardoor kan het RAC geen goed onderbouwde beoordeling van de blootstelling verrichten. De volgende evaluaties zijn alleen gebaseerd op een gebrekkige database en zijn daardoor van weinig betekenis voor de volgende risicobeoordeling" – zie advies van het RAC over gebruik 2, blz. 10.

[15] Ontwerpbesluit, artikel 17.

[16] Ontwerpbesluit, artikel 17.

[17] Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, zaak T-837/16, punten 82 en 83, ECLI:EU:T:2019:144.

[18] "een kwantitatieve beoordeling van de gevolgen van het voortgezette gebruik voor de menselijke gezondheid was niet mogelijk vanwege beperkingen in de beschikbare informatie" – ontwerpbesluit, overweging 5.

[19] Ontwerpbesluit, overweging 18.

[20] "de conclusie van de aanvrager over de geschiktheid en beschikbaarheid van alternatieven [...] is niet voldoende gerechtvaardigd" – advies van het SEAC over gebruik 2, blz. 18.

[21] "in de beoordeling van alternatieven wordt niet specifiek gekeken naar de uiteenlopende situaties die onder het zeer brede toepassingsgebied van deze aanvraag vallen, en wordt dan ook niet aangetoond dat de alternatieven technisch niet haalbaar zijn" – advies van het SEAC over gebruik 2, blz. 19.

[24] Arrest van het Gerecht van 7 maart 2019, Zweden/Commissie, zaak T-837/16, punt 86, ECLI:EU:T:2019:144.

[25] Ontwerpbesluit, overweging 3.

[26] "Voor alle toepassingen in het kader van dit voorstel zijn momenteel technisch haalbare alternatieven met een lager risico beschikbaar tegen vergelijkbare prijzen" – https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66

[27] https://www.echa.europa.eu/documents/10162/713fd91d-2919-0575-836a-f66937202d66, blz.  69 – zie "aanvragen" in de tabel die ook gebruik buitenshuis betreft.

[30] Zie met name de overwegingen N, O, P en R van die resolutie.

[31] Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0353.

Laatst bijgewerkt op: 25 maart 2019Juridische mededeling