Procedure : 2019/2678(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0232/2019

Ingediende teksten :

B8-0232/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/04/2019 - 6.25
CRE 04/04/2019 - 6.25

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0357

<Date>{01/04/2019}1.4.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0232/2019</NoDocSe>
PDF 135kWORD 50k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 108, lid 6, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de Verdragen met de voorstellen voor de toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en over de procedure voor deze toetreding</Titre>

<DocRef>(2019/2678(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Claude Moraes, Vilija Blinkevičiūtė</Depute>

<Commission>{CJ01}namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid</Commission>

</RepeatBlock-By>


B8‑0232/2019

Resolutie van het Europees Parlement met een verzoek aan het Hof van Justitie om advies over de verenigbaarheid van de Verdragen met de voorstellen voor de toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en over de procedure voor deze toetreding

(2019/2678(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (COM(2016)0109),

 gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 in Istanbul voor ondertekening werd opengesteld (hierna het "Verdrag van Istanbul" genoemd),

 gezien Besluit (EU) 2017/865 van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken[1],

 gezien Besluit (EU) 2017/866 van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot gendergerelateerd asiel en non-refoulement[2],

 gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld[3],

 gezien artikel 218, lid 11, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien artikel 108, lid 6, van zijn Reglement,

A. overwegende dat in het Verdrag van Istanbul een holistische, alomvattende en gecoördineerde benadering wordt gevolgd, waarbij de rechten van het slachtoffer centraal staan en de kwestie van geweld tegen vrouwen en meisjes en gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huishoudelijk geweld, wordt aangepakt vanuit een ruime waaier aan oogpunten, aan de hand van maatregelen zoals de preventie van geweld, de strijd tegen discriminatie, strafrechtelijke maatregelen ter bestrijding van straffeloosheid, bescherming van en hulp aan slachtoffers, bescherming van kinderen, bescherming van vrouwen die asielzoeker of vluchteling zijn, een betere verzameling van gegevens en bewustmakingscampagnes en -programma's, ook in samenwerking met nationale mensenrechteninstanties en instanties voor gelijke kansen, het maatschappelijk middenveld en ngo's;

B. overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 12 september 2017 heeft opgeroepen tot een brede en onbeperkte toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul; overwegende dat geweld tegen vrouwen een belemmering vormt voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, een van de fundamentele waarden en doelstellingen van de EU, zoals vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en overwegende dat de EU de algemene bevoegdheid heeft om de grondrechten te beschermen;

C. overwegende dat de Overeenkomst van Istanbul op 13 juni 2017 namens de Europese Unie is ondertekend op basis van twee besluiten van de Raad van 11 mei 2017, het ene met betrekking tot asiel en non-refoulement, gebaseerd op artikel 78, lid 2, juncto artikel 218, lid 5, VWEU, en het andere met betrekking tot aangelegenheden in verband met justitiële samenwerking in strafzaken, gebaseerd op artikel 82, lid 2, en artikel 83, lid 1, VWEU, juncto artikel 218, lid 5, VWEU;

D. overwegende dat de twee bij deze procedure betrokken commissies juridische bezwaren hebben geuit ten aanzien van de noodzaak van de opsplitsing in twee besluiten en ten aanzien van de door de Raad gekozen rechtsgrondslag; overwegende dat de Juridische dienst van het Parlement om advies is gevraagd over deze specifieke vragen;

E. overwegende dat artikel 108, lid 6, van het Reglement tot doel heeft de bepalingen van artikel 218, lid 11, van het VWEU in het Reglement op te nemen;

F. overwegende dat artikel 218, lid 11, VWEU, op basis van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, het Hof de mogelijkheid biedt om zich uit te spreken over zowel de verenigbaarheid van de overeenkomst met de Verdragen als over kwesties van bevoegdheid en procedure voor de sluiting van de overeenkomst door de Unie;

1. is van mening dat er rechtsonzekerheid bestaat over de vraag of de door de Raad voorgestelde toetreding tot het Verdrag van Istanbul verenigbaar is met de Verdragen, met name wat betreft de keuze van de juiste rechtsgrondslag voor de besluiten over de ondertekening en sluiting van het verdrag door de Europese Unie, en over de mogelijke opsplitsing in twee besluiten inzake ondertekening en sluiting van het verdrag als gevolg van deze keuze van de rechtsgrondslag;

2. is van mening dat er, gezien de bovenstaande vragen inzake de keuze van de rechtsgrondslag en de opsplitsing in twee besluiten, ook rechtsonzekerheid bestaat ten aanzien van de verenigbaarheid met de Verdragen van de praktijk van een "gemeenschappelijk akkoord" van de Raad in zijn besluitvorming, welke wordt toegepast als aanvulling op of als alternatief voor de desbetreffende besluitvormingsprocedure in de Verdragen, en in dit verband ten aanzien van de toepassing van het beginsel van loyale samenwerking in het licht van de uitdrukkelijke doelstelling van de Unie om de Overeenkomst van Istanbul te sluiten;

3. besluit het Hof van Justitie om advies te vragen over de verenigbaarheid met de Verdragen van de voorgestelde toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul en de procedure voor die toetreding;

4. verzoekt zijn Voorzitter de nodige maatregelen te nemen om het advies van het Hof van Justitie in te winnen en deze resolutie ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

[1] PB L 131 van 20.5.2017, blz. 11.

[2] PB L 131 van 20.5.2017, blz. 13.

[3] PB C 337 van 20.9.2018, blz. 167.

Laatst bijgewerkt op: 2 april 2019Juridische mededeling