Procedure : 2019/2680(DEA)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0235/2019

Ingediende teksten :

B8-0235/2019

Debatten :

Stemmingen :

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0332

<Date>{02/04/2019}2.4.2019</Date>
<NoDocSe>B8‑0235/2019</NoDocSe>
PDF 130kWORD 50k

<TitreType>AANBEVELING VOOR EEN BESLUIT</TitreType>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 105, lid 6, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 28 maart 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten</Titre>

<DocRef>(C(2019)02533 – 2019/2680(DEA))</DocRef>


<Commission>{ECON}Commissie economische en monetaire zaken</Commission>

Verantwoordelijk lid: <Depute>Roberto Gualtieri</Depute>


B8‑0235/2019

Ontwerpbesluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 28 maart 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten

(C(2019)02533 – 2019/2680(DEA))

 

Het Europees Parlement,

 gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)02533),

 gezien het schrijven van de Commissie van 28 maart 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

 gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 1 april 2019,

 gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

 gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters[1], en met name de artikelen 5, lid 2, en artikel 82, lid 6,

 gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396 van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten[2],

 gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

 gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A. overwegende dat overeenkomstig artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396 van de Commissie, de verordening van toepassing is vanaf de dag volgende op die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), tenzij op die datum een terugtrekkingsakkoord van kracht is geworden of de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn van twee jaar is verlengd;

B. overwegende dat de Europese Raad op 22 maart 2019 Besluit (EU) 2019/476[3] heeft vastgesteld om de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk te verlengen, en overwegende dat, dientengevolge, de tweede voorwaarde voor de toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396, namelijk dat de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn van twee jaar niet is verlengd, niet zal zijn vervuld;

C. overwegende dat de onderliggende redenen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396 zullen blijven bestaan, ongeacht of de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn is verlengd, en overwegende dat het Parlement op 13 februari 2019 heeft verklaard dat het geen bezwaar heeft tegen Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396;

D. overwegende dat het Parlement nog steeds onderschrijft dat het van belang is voor bevoegde autoriteiten en financiële markten om bepaalde transacties die voortvloeien uit een vernieuwing voor een beperkte periode van twaalf maanden vrij te stellen, indien de in het VK gevestigde tegenpartij wordt vervangen door een tegenpartij binnen de EU-27, en overwegende dat het Parlement in dit verband verheugd is over de gedelegeerde verordening van 28 maart 2019 die betrekking heeft op de nieuwe ontwikkeling van de uitbreiding van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn bij Besluit (EU) nr. 2019/476 van de Europese Raad;

1. verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

[1] PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.

[2] PB L 71 van 13.3.2019, blz. 11.

[3] Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk, van 22 maart 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 801, 22.3.2019, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 3 april 2019Juridische mededeling