Procedure : 2019/2817(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0038/2019

Ingediende teksten :

B9-0038/2019

Debatten :

PV 18/09/2019 - 7
CRE 18/09/2019 - 7

Stemmingen :

PV 18/09/2019 - 9.6
CRE 18/09/2019 - 9.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0016

<Date>{12/09/2019}12.9.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0038/2019</NoDocSe>
PDF 170kWORD 57k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van het debat over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 132, lid 2, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie </Titre>

<DocRef>(2019/2817(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Guy Verhofstadt</Depute>

<Commission>{ECON}Brexit-coördinator van het EP</Commission>

<Depute>Manfred Weber</Depute>

<Commission>{PPE}Voorzitter van de PPE-Fractie</Commission>

<Depute>Iratxe García Pérez</Depute>

<Commission>{S&D}Voorzitter van de S&D-Fractie</Commission>

<Depute>Dacian Cioloş</Depute>

<Commission>{Renew}Voorzitter van de Renew-Fractie</Commission>

<Depute>Philippe Lamberts, Ska Keller</Depute>

<Commission>{Verts/ALE}Covoorzitters van de Verts/ALE-Fractie</Commission>

<Depute>Martin Schirdewan, Manon Aubry</Depute>

<Commission>{GUE/NGL}Covoorzitters van de GUE/NGL-Fractie</Commission>

<Depute>Antonio Tajani</Depute>

<Commission>{CONT}Voorzitter van de Commissie constitutionele zaken</Commission>

</RepeatBlock-By>


B9‑0038/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie

(2019/2817(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

 gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna “het Handvest”), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

 gezien de kennisgeving van de premier van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

 gezien zijn resoluties van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken[1], van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[2], van 13 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk[3], en van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK[4],

 gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarin de richtsnoeren zijn vastgelegd voor de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

 gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 15 december 2017 en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 29 januari 2018 tot aanvulling van het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarbij toestemming wordt verleend voor de start van onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

 gezien het gezamenlijk verslag van de onderhandelaars van de Europese Unie en de regering van het Verenigd Koninkrijk van 8 december 2017 over de voortgang gedurende fase 1 van de onderhandelingen uit hoofde van artikel 50 VEU met betrekking tot de ordelijke terugtrekking van het Verenigd koninkrijk uit de Europese Unie,

 gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals goedgekeurd door de Europese Raad op 25 november 2018 (hierna “het terugtrekkingsakkoord”) en de verklaringen die zijn opgenomen in de notulen van de bijeenkomst van de Europese Raad van die datum,

 gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige relatie tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, zoals goedgekeurd door de Europese Raad van 25 november 2018 (“de politieke verklaring”),

 gezien de conclusies van de Europese Raad (artikel 50) van 13 december 2018,

 gezien de gezamenlijke verklaring ter aanvulling van de politieke verklaring en het instrument met betrekking tot het terugtrekkingsakkoord van 11 maart 2019,

 gezien het Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad van 22 maart 2019, tot verlenging van de in artikel 50, lid 3 VEU bedoelde termijn, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk,

 gezien het Besluit van de Europese Raad (EU) 2019/584 van 11 april 2019, tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk,

 gezien het Besluit (EU) 2019/642 van de Raad van 13 april 2019 tot wijziging van Besluit (EU) 2019/274 van de Raad van 11 januari 2019 waarbij de ondertekening, namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het terugtrekkingsakkoord, is goedgekeurd onder voorbehoud van de sluiting ervan,

 gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de brexit een ongekende en betreurenswaardige gebeurtenis is, waarvan de negatieve gevolgen zouden worden afgezwakt door een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU);

B. overwegende dat het VK en de EU naaste buren blijven en veel gemeenschappelijke belangen zullen houden; overwegende dat het kader voor een dergelijke nauwe relatie wordt uiteengezet in de politieke verklaring, op grond waarvan deze gemeenschappelijke belangen kunnen worden beschermd en bevorderd, onder meer door middel van een nieuwe handelsrelatie;

C. overwegende dat het Europees Parlement de EU-burgers vertegenwoordigt en gedurende het gehele proces dat leidt tot de terugtrekking van het VK ter bescherming van hun belangen zal optreden;

D. overwegende dat er momenteel ongeveer 3,2 miljoen burgers van de overblijvende 27 lidstaten (EU-27) in het VK wonen en 1,2 miljoen burgers van het VK (“Britse burgers”) in de EU-27 wonen; overwegende dat die burgers zich in een andere lidstaat hebben gevestigd op grond van hun rechten uit hoofde van het EU-recht en in de veronderstelling dat zij deze rechten gedurende hun hele leven zouden blijven genieten;

E. overwegende dat er bovendien in Noord-Ierland 1,8 miljoen burgers zijn die op grond van het Goedevrijdagakkoord recht hebben op het Ierse staatsburgerschap en daarmee recht hebben op het EU-burgerschap en de rechten van het EU-burgerschap waar zij wonen;

F. overwegende dat de EU en het VK, als vertrekkende lidstaat, een dwingende verplichting hebben te zorgen voor een volledige en wederkerige benadering van de bescherming van de rechten van EU-burgers in het VK en van Britse burgers in de EU‑27;

G. overwegende dat de recente verklaringen van de regering van het Verenigd Koninkrijk ten gunste van de voortzetting van een beleid van divergentie van de regelgeving van de EU de vraag doet rijzen hoe nauw de toekomstige economische betrekkingen tussen de EU en het VK kunnen zijn;

H. overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU het vredesproces in Noord-Ierland in geen geval in gevaar mag brengen, geen schade mag toebrengen aan de economie van het eiland Ierland, wat het geval zou zijn bij elke verharding van de grens tussen Noord-Ierland en Ierland, en dat de door het VK en de EU in het terugtrekkingsakkoord overeengekomen backstop werd ontworpen om dit te allen tijde te voorkomen;

I. overwegende dat in het Goedevrijdagakkoord “de legitimiteit wordt erkend van de keuze die de meerderheid van de Noord-Ierse bevolking ten aanzien van zijn status in vrijheid heeft gemaakt”;

J. overwegende dat de regering van het VK benadrukt dat de backstop uit het terugtrekkingsakkoord moet worden geschrapt, maar tot dusverre geen juridisch werkbare voorstellen heeft ingediend die de backstop kunnen vervangen;

K. overwegende dat de regering van het VK de planning van een “no deal” tot haar voornaamste beleidsprioriteit lijkt te hebben gemaakt en dat sommige leden van de regering van het VK van mening zijn dat een vertrek zonder akkoord het beste resultaat zou zijn van het terugtrekkingsproces van het VK uit de EU;

L. overwegende dat de premier van het VK gezegd heeft dat een brexit zonder akkoord van een gebrek aan staatsmanschap zou getuigen;

M. overwegende dat, overeenkomstig het op 11 maart 2019 op aandringen van het Verenigd Koninkrijk overeengekomen gemeenschappelijk instrument voor het terugtrekkingsakkoord, de gezamenlijke werkzaamheden inzake alternatieve regelingen de bekrachtiging van het terugtrekkingsakkoord veronderstellen;

N. overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU zonder akkoord voor beide partijen in economisch opzicht zeer nadelig zou zijn, hoewel dergelijke economische schade, zoals blijkt uit officiële cijfers en verslagen van de Britse regering, het VK onevenredig zou treffen, met inbegrip van zijn overzeese gebieden;

O. overwegende dat de eenheid van de EU-instellingen en de EU-27 van cruciaal belang blijft en zal worden gehandhaafd;

Het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring

1. is van mening dat het in het bijzondere belang van het VK en van de EU is dat de terugtrekking van het VK uit de EU ordelijk verloopt;

2. blijft van mening dat het terugtrekkingsakkoord, als instrument om een dergelijke ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU mogelijk te maken, eerlijk en evenwichtig is, met volledige inachtneming van de “rode lijnen” van het VK en de beginselen van de EU;

3. merkt op dat het belang van het terugtrekkingsakkoord bestaat uit de rechtszekerheid die het biedt aan eenieder die door de terugtrekking van het VK uit de EU getroffen wordt en dat in de hoogst mogelijke mate het terugtrekkingsakkoord:

 de rechten en levenskeuzes eerbiedigt van de in het VK woonachtige EU-burgers en van in de EU-27 woonachtige Britse burgers;

 de backstop omvat voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland die, bij afwezigheid van overeengekomen oplossingen in het kader van een toekomstige overeenkomst of van werkbare alternatieve regelingen die dezelfde garanties bieden, het Goedevrijdagakkoord en het Noord-Ierse vredesproces zal beschermen en een “verharding” van de grens zal vermijden, waardoor de samenwerking tussen Noord en Zuid en de economie van het hele eiland worden ondersteund, en de integriteit van de interne markt van de EU wordt gewaarborgd;

 voorziet in één enkele financiële regeling met het VK, die alle wettelijke verplichtingen omvat die voortvloeien uit uitstaande verplichtingen en voorziet in voorzieningen voor posten buiten de balanstelling, voorwaardelijke verplichtingen en andere financiële kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de terugtrekking van het VK;

 met het oog op het waarborgen van de rechtszekerheid en de continuïteit en de tijd om te onderhandelen over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, een overgangsperiode omvat tot en met 31 december 2020, die eenmaal met maximaal twee jaar kan worden verlengd, overeenkomstig het verzoek van het VK;

 andere kwesties in verband met de scheiding aanpakt die een ordelijke uitstap van het VK uit de EU mogelijk zullen maken;

 bepalingen inzake governance bevat die de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) bij de interpretatie van het terugtrekkingsakkoord waarborgen, voor zover van toepassing;

4. merkt op dat de fundamentele opties voor het VK in verband met de grens tussen Ierland en Noord-Ierland gelijk blijven en zullen blijven, ongeacht de samenstelling van de regering van het VK; herinnert eraan dat de regering van het VK het eerste voorstel van de EU voor een enkele backstop voor Noord-Ierland heeft afgewezen en vervolgens heeft verzocht deze te herzien in de vorm die nu in het terugtrekkingsakkoord staat; verklaart bereid te zijn terug te keren naar een enkele backstop voor Noord-Ierland, maar benadrukt niet in te stemmen met een terugtrekkingsakkoord zonder backstop;

5. merkt op dat de backstop wordt ondersteund door een overweldigende meerderheid van de politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in de Noord-Ierse Assemblee en, volgens recente onderzoeken, door een meerderheid van de burgers in Noord-Ierland;

6. herinnert eraan dat de backstop alleen mag worden gebruikt als een tijdelijke maatregel in laatste instantie en is ingenomen met alle maatregelen die dat duidelijk maken; is met name verheugd over het feit dat, zoals bepaald in het terugtrekkingsakkoord zelf, de werkzaamheden en inspanningen erop gericht zijn te onderzoeken hoe alternatieve regelingen voor de grens, gebaseerd op nieuwe technologieën, in de toekomst zouden kunnen worden gebruikt om het ontbreken van een harde grens op het eiland Ierland te waarborgen;

7. merkt op dat deze alternatieve regelingen alleen aanvaardbaar zijn als ze het mogelijk maken fysieke infrastructuur aan de grens of gerelateerde controles te vermijden, de economie van het hele eiland te beschermen, het Goedevrijdagakkoord te handhaven, met inbegrip van het handhaven van de noodzakelijke condities voor voortzetting van de Noord-Zuid-samenwerking, en de integriteit van de interne markt van de EU te waarborgen;

8. is van mening dat het de taak van het VK is om met schriftelijke voorstellen te komen voor dergelijke alternatieve regelingen die volledig operationeel zijn en die alle controles aan de buitengrenzen van de EU alomvattend in aanmerking nemen, in overeenstemming zijn met de punten 43 en 49 van het gezamenlijk verslag van 8 december 2017 en rekening houden met eventuele toekomstige verschillen in regelgeving tussen het VK en de EU; betreurt het dat de regering van het VK, ondanks verklaringen van sommige van haar leden over de beschikbaarheid van alternatieve regelingen, tot op heden nog geen juridisch werkbare voorstellen heeft gedaan die de backstop zouden kunnen vervangen;

9. merkt op dat de politieke verklaring, waarin het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK wordt uiteengezet, in overeenstemming is met de resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, waarin wordt opgeroepen tot een associatieovereenkomst, alsook met de gedetailleerde inbreng van zijn commissies, en de door het VK gemaakte keuzes weerspiegelt met betrekking tot de reikwijdte en diepgang van zijn toekomstige betrekkingen met de EU;

10. spreekt zijn bereidheid uit om de politieke verklaring om te vormen tot een document met een meer formeel en juridisch karakter, waarin het doel van de totstandbrenging van een dermate nauwe associatieovereenkomst tussen de EU en het VK wordt geformuleerd dat, ook als er geen haalbare alternatieve regelingen zijn, de backstop niet behoeft te worden toegepast;

Brexit zonder akkoord

11. herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 50 VEU, bij gebreke van een overeenkomst of een verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn, de Verdragen vanaf 1 november 2019 niet meer van toepassing zullen zijn op het VK;

12. benadrukt dat, mocht het VK zich zonder een akkoord uit de EU terug te trekken, dit geheel de verantwoordelijkheid van de regering van het VK is; wijst voorts op de gevolgen van een dergelijke terugtrekking zonder akkoord voor de grens tussen Noord-Ierland en Ierland en voor de werking en uitvoering van het Goedevrijdagakkoord;

13. wijst op de grote weerstand in het Lagerhuis en daarbuiten tegen het besluit om het parlement van het VK tot 14 oktober 2019 te schorsen, hetgeen de mogelijkheid van de terugtrekking van het VK uit de EU zonder een overeenkomst waarschijnlijker maakt;

14. is ondertussen ingenomen met de maatregelen en noodplannen die de EU-instellingen en de EU-27 hebben vastgesteld om voorbereid te zijn op een “no deal”-scenario; merkt op dat ze unilateraal, in het belang van de EU, en van tijdelijke aard zijn; benadrukt voorts dat deze niet dezelfde gevolgen hebben als een overeenkomst die een ordelijke terugtrekking mogelijk maakt, niet de voordelen van het lidmaatschap van de EU bieden, noch dezelfde voorwaarden bevatten als de voorwaarden inzake enige overgangsperiode als voorzien in het terugtrekkingsakkoord; is ingenomen met de meest recente voorstellen die de Commissie op 4 september 2019 heeft ingediend en verbindt zich ertoe deze zo spoedig mogelijk te behandelen, teneinde ervoor te zorgen dat de uit de administratieve procedures voortvloeiende lasten tot een minimum worden beperkt, met name door te voorzien in financiële steun aan kleine en middelgrote ondernemingen;

15. merkt op dat er zonder het terugtrekkingsakkoord geen overgangsperiode kan zijn en er geen “mini-akkoorden” kunnen worden gesloten om de verstoring van een ongecontroleerde terugtrekking van het VK uit de EU te beperken;

16. benadrukt dat verdere onderhandelingen tussen de EU en het VK na de terugtrekking van het VK uit de EU zonder akkoord, alleen kunnen plaatsvinden op voorwaarde dat het VK zijn verplichtingen en toezeggingen nakomt met betrekking tot de rechten van de burgers, de financiële afwikkeling en het Goedevrijdagakkoord in al zijn onderdelen;

17. merkt op dat in het geval van een terugtrekking zonder akkoord de financiële en andere verplichtingen van het VK nog steeds bestaan; bevestigt dat in een dergelijk geval het Parlement weigert goedkeuring te verlenen aan ongeacht welke overeenkomst of overeenkomsten tussen de EU en het VK, tenzij en totdat het VK zijn verplichtingen nakomt;

18. herinnert eraan dat, zodra deze verplichtingen zijn nagekomen, de toekomstige onderhandelingen over de betrekkingen tussen de EU en het VK krachtige waarborgen en een gelijk speelveld zullen vereisen om de interne markt van de EU te beschermen en te voorkomen dat EU-bedrijven een mogelijk oneerlijk concurrentienadeel ondervinden; herhaalt in dit verband de in zijn resolutie van 14 maart 2018 uiteengezette voorwaarden met betrekking tot het waarborgen van een hoog niveau van milieu-, werknemers- en consumentenbescherming; merkt op dat elke vrijhandelsovereenkomst die niet in overeenstemming is met deze beschermingsniveaus niet door het Europees Parlement zou worden geratificeerd;

19. herinnert eraan dat de bescherming van de rechten en levenskeuzes, met inbegrip van de arbeidsstatus en de sociale rechten van EU-burgers die in het VK wonen en van Britse burgers die in de EU-27 woonachtig zijn, de eerste prioriteit blijft, en dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat die burgers niet worden getroffen door de terugtrekking van het VK uit de EU;

20. spreekt zijn bezorgdheid uit over de tenuitvoerlegging van de vestigingsregeling van het VK en de hoge niveaus aanvragers, tot 42 % volgens de meest recente officiële cijfers van het VK, die slechts een voorlopige verblijfstatus krijgen; herinnert eraan dat dit kan worden vermeden als het VK kiest voor een administratieve procedure die van declaratoire aard is en de bewijslast ligt bij de Britse autoriteiten wanneer de verklaring betwist wordt; dringt er daarom bij het VK op aan zijn aanpak te herzien;

21. moedigt de VK en de EU-27 aan maatregelen te treffen die de in het VK woonachtige EU-burgers en de in de EU-27 woonachtige Britse burgers rechtszekerheid bieden; herinnert aan zijn standpunt dat de EU-27 moet streven naar een consequente en ruimhartige aanpak bij de bescherming van de rechten van in deze lidstaten woonachtige Britse burgers;

22. spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat recente en tegenstrijdige aankondigingen van het ministerie van Binnenlandse Zaken met betrekking tot het vrije verkeer na 31 oktober 2019 een zeer ongewenste onzekerheid hebben opgeleverd voor EU-burgers die in het VK wonen, met het risico dat deze aankondigingen de vijandige houding jegens hen in de hand werken en negatieve gevolgen hebben voor hun vermogen om hun rechten te doen gelden;

23. herhaalt dat vele Britse burgers zich fel hebben uitgesproken tegen het verlies van de rechten die zij momenteel genieten op grond van artikel 20 VWEU; stelt voor dat de EU-27 onderzoekt hoe dit verlies van rechten tot een minimum kan worden beperkt, binnen de mogelijkheden van het primaire EU-recht, met volledige inachtneming van de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie;

Verlenging van de in artikel 50 bedoelde termijn

24. merkt op dat op 9 september 2019 het Britse parlement een wet heeft aangenomen op grond waarvan de regering van het Verenigd Koninkrijk verplicht is om verlenging te verzoeken indien op 19 oktober 2019 nog geen akkoord met de EU is bereikt;

25. geeft aan dat het een verlenging van de in artikel 50 bedoelde termijn zou ondersteunen indien er redenen en een doel voor een dergelijke verlenging zouden zijn (zoals vermijding van een vertrek zonder akkoord, het houden van algemene verkiezingen of een referendum, herroeping van artikel 50 of goedkeuring van een terugtrekkingsakkoord) en de werkzaamheden en het functioneren van de EU‑instellingen niet negatief worden beïnvloed;

26. herinnert eraan dat het geen stemming tot goedkeuring zal organiseren voordat het Britse parlement een akkoord met de EU heeft goedgekeurd;

°

° °

27. neemt kennis van het besluit van de regering van het VK om in de huidige situatie geen kandidaat-commissaris aan te wijzen voor de volgende Europese Commissie en vanaf 1 september 2019 geen vertegenwoordigers van het VK te sturen naar bepaalde EU‑vergaderingen; benadrukt dat dit niet van invloed zal zijn op het vermogen van de EU-instellingen om soepel te functioneren, en herhaalt dat de Britse leden van het Europees Parlement (EP-leden), in de opvatting van het Europees Parlement, tot de terugtrekking van het VK lid van het EP zullen blijven met alle rechten en plichten van dien; herinnert eraan dat zolang het VK een lidstaat blijft, het zijn rechten blijft genieten en gebonden zal blijven aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, met inbegrip van het beginsel van loyale samenwerking;

°

° °

28. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de parlementen van de lidstaten en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

[1] PB C 298 van 23.8.2018, blz. 24.

[2] PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.

[3] PB C 369 van 11.10.2018, blz. 32.

[4] PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

Laatst bijgewerkt op: 16 september 2019Juridische mededeling