Procedure : 2019/2800(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0043/2019

Ingediende teksten :

B9-0043/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 19/09/2019 - 7.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0020

<Date>{16/09/2019}16.9.2019</Date>
<NoDocSe>B9‑0043/2019</NoDocSe>
PDF 139kWORD 54k

<TitreType>ONTWERPRESOLUTIE</TitreType>

<TitreSuite>naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B9‑0051/2019</TitreSuite>

<TitreRecueil>ingediend overeenkomstig artikel 136, lid 5, van het Reglement</TitreRecueil>


<Titre>over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard</Titre>

<DocRef>(2019/2800(RSP))</DocRef>


<RepeatBlock-By><Depute>Anthea McIntyre, Bert‑Jan Ruissen, Veronika Vrecionová, Ruža Tomašić</Depute>

<Commission>{ECR}namens de ECR-Fractie</Commission>

</RepeatBlock-By>

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B9-0040/2019

B9‑0043/2019

Resolutie van het Europees Parlement over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard

(2019/2800(RSP))

Het Europees Parlement,

 gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten[1] en zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van essentiële biologische processen[2],–  gezien Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[3], en met name artikel 4, waarin wordt bepaald dat producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard niet octrooieerbaar zijn,

 gezien het Europees Octrooiverdrag (EOV) van 5 oktober 1973, met name artikel 53, onder b), en artikel 33, onder b),

 gezien de mededeling van de Commissie van 8 november 2016 inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[4],

 gezien de conclusies van de Raad van 1 maart 2017 over de mededeling van de Commissie inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen,

 gezien het besluit van de raad van bestuur van het Europees Octrooibureau (EOB) van 29 juni 2017 tot wijziging van de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het Europees Octrooiverdrag (CA/D 6/17),

 gezien het uitvoeringsreglement bij het EOV, en met name artikel 26 en artikel 28, lid 2, waarin wordt gesteld dat Richtlijn 98/44/EG als aanvullend middel voor uitleg moet worden gebruikt voor Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen (artikel 26),

 gezien het besluit van de Technische Kamer van Beroep van het EOB van 18 december 2018 over de octrooieerbaarheid van gewassen (zaak T 1063/18),

 gezien het feit dat de president van het EOB in maart 2019 een rechtsvraag heeft voorgelegd aan de Grote Kamer van Beroep,

 gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht[5], met name artikel 15, onder c) en d),

 gezien de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, met inbegrip van de handel in namaakproducten (TRIPS-Overeenkomst), met name artikel 27, lid 3,

 gezien de vraag aan de Commissie over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard (O-000026/2019 – B9‑0051/2019),

 gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A. overwegende dat de onbelemmerde toegankelijkheid van plantaardig materiaal, met inbegrip van plantenkenmerken, van essentieel belang is voor de innovatieve kracht en het mondiale concurrentievermogen van de Europese veredelingssector, alsook voor de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen, de klimaatverandering tegen te gaan, en tegelijkertijd kmo’s meer kansen te bieden;

B. overwegende dat elke beperking van de toegang tot genetische rijkdommen, evenals elke poging tot beperking ervan, tot een buitensporige marktconcentratie kan leiden op het gebied van gewasveredeling, ten koste van de marktconcurrentie, de consument en de Europese interne markt;

C. overwegende dat gewasveredeling een innovatief proces is dat sinds het ontstaan van de landbouw door landbouwers en landbouwgemeenschappen wordt toegepast; overwegende dat niet-geoctrooieerde rassen en teeltwijzen belangrijk zijn voor de genetische diversiteit;

D. overwegende dat intellectuele-eigendomsrechten van belang zijn voor de instandhouding van economische prikkels om nieuwe plantaardige producten te ontwikkelen en voor de bevordering van het concurrentievermogen;

E. overwegende dat Richtlijn 98/44/EG wetsvoorschriften voor biologische uitvindingen en in het bijzonder gentechnologie bevat;

F. overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 8 november 2016 heeft geconcludeerd dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid;

G. overwegende dat de Raad zich in zijn conclusies van 3 februari 2017 ingenomen toont met de mededeling van de Commissie; overwegende dat alle Uniewetgevers expliciet hebben aangegeven dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid;

H. overwegende dat octrooien op conventioneel voortgebrachte producten of op genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doen aan de uitzondering die is opgenomen in artikel 53, onder b), van het EOV, en in artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

I. overwegende dat de raad van bestuur van het EOB op 29 juni 2017 de artikelen 27 en 28 van het uitvoeringsreglement bij het EOV[6] heeft gewijzigd en heeft vastgesteld dat octrooien op gewassen en dieren verboden zijn;

J. overwegende dat de 38 landen die partij zijn bij het EOV, hebben bevestigd dat hun nationale wetgeving en praktijk zodanig worden afgestemd dat producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard daadwerkelijk worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

K. overwegende dat de Technische Kamer van Beroep van het EOB op 5 december 2018 de geldigheid van artikel 28, lid 2, van het uitvoeringsreglement bij het EOV in twijfel heeft getrokken[7];

L. overwegende dat de president van het EOB in maart 2019 twee rechtsvragen over de octrooieerbaarheid van gewassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard heeft voorgelegd aan de Grote Kamer van Beroep;

M. overwegende dat zowel het internationale stelsel voor kwekersrecht, dat gebaseerd is op het UPOV-verdrag, als het EU-stelsel, dat gebaseerd is op Verordening (EG) 2100/94 van de Raad, als grondbeginsel hebben dat een houder van een kweekproduct anderen er niet van mag weerhouden het beschermde product voor verdere kweekactiviteiten te gebruiken;

1. herhaalt dat plantenrassen, werkwijzen van wezenlijk biologische aard en via deze werkwijzen verkregen producten krachtens Richtlijn 98/44/EG en de bedoeling van de Uniewetgever op geen enkele wijze octrooieerbaar mogen zijn;

2. is van mening dat elke poging om producten te octrooieren die op conventionele wijze zijn voortgebracht of genetisch materiaal dat noodzakelijk is voor conventionele voortbrenging, afbreuk doet aan de uitzondering die is opgenomen in artikel 53, onder b), van het EOV, en in artikel 4 van Richtlijn 98/44/EG;

3. is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 8 november 2016, waarin wordt verduidelijkt dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid; is verheugd dat de landen die partij zijn bij het EOV hun wetgeving en praktijk afstemmen, en is ingenomen met het besluit van de raad van bestuur van het EOB om het toepassingsgebied en de betekenis van artikel 53, onder b), van het EOV te verduidelijken voor wat betreft uitzonderingen op de octrooieerbaarheid uit hoofde van artikel 28, lid 2, van het EOV;

4. vindt het zeer verontrustend dat het door de raad van bestuur van het EOB goedkeurde besluit van de Technische Kamer van Beroep van 5 december 2018 om de geldigheid van artikel 28, lid 2, van het EOV in twijfel te trekken ertoe leidt dat er langer en onnodig onzekerheid blijft bestaan over de uitsluiting van deze producten van de octrooieerbaarheid;

5. dringt er bij de Commissie op aan om vóór 1 oktober als amicus curiae opmerkingen in te dienen bij de Grote Kamer van het EOB, ter ondersteuning van de in haar mededeling van 2016 getrokken conclusie dat het bij de aanneming van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling was van de Uniewetgever om producten verkregen via werkwijzen van wezenlijk biologische aard uit te sluiten van octrooieerbaarheid, en om deze resolutie bij haar verklaring te voegen;

6. roept de Commissie op de innovatieve kracht van de Europese veredelingssector en het algemeen openbaar belang in de Grote Kamer van Beroep van het EOB te beschermen, het evenwicht tussen octrooirecht en kwekersrechten te herstellen en periodiek verslag uit te brengen aan het Parlement over de nieuwste ontwikkelingen;

7. wenst dat de Grote Kamer van Beroep van het EOB onverwijld de geldigheid van artikel 28, lid 2, van het EOV bevestigt en in het belang van de gebruikers van het Europees octrooistelsel, fokkers, boeren en het publiek de rechtszekerheid herstelt;

8. verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de Unie de toegang tot en het gebruik van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten blijft waarborgen, zodat, wanneer van toepassing, de praktijk om “kwekersvrijstelling” te verlenen niet verstoord wordt;

9. vraagt de Commissie om tijdens onderhandelingen over handels- en partnerschapsovereenkomsten samen te werken met derde landen om ervoor te zorgen dat zowel werkwijzen van wezenlijk biologische aard als via deze werkwijzen verkregen producten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid;

10. roept de Commissie op om verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie, conform artikel 16, onder c), van Richtlijn 98/44/EG, en conform het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten, en om kwesties die verband houden met de omvang van de bescherming van octrooien verder te analyseren;

11. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie vóór 1 oktober 2019 als schriftelijke verklaring te verzenden naar de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau, en deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

 

[1] PB C 399 van 24.11.2017, blz. 188.

[2] PB C 261 E van 10.9.2013, blz. 31.

[3] PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

[5] PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

[6] Officieel publicatieblad van het EOB, juli 2017 (CA/D 6/17)

[7] Schriftelijk besluit van de Kamer van Beroep van het EOB (T 1063/18)

Laatst bijgewerkt op: 18 september 2019Juridische mededeling